Er zijn boeken waarvan je meteen voelt dat je ze wil lezen. Meestal hebben onderwerp en schrijver daar weinig mee van doen. Het is mysterieuzer dan dat: het omslag, een willekeurige zin in een toevallig opengeslagen hoofdstuk, het lettertype, de lengte van de alinea’s, de manier waarop zo’n boek openvalt, een algeheel onderbuikgevoel dat zich niet erg goed laat omschrijven (dit alles is de ware raison d’être van de boekhandel, de reden van haar onmisbaarheid en tegelijk van de complete miskenning daarvan door beleidsmakers die nog nooit één radicaal idee hebben gehad, laat staan een onbeschrijflijk maar hoogst essentieel gevoel).

Dan zijn er de boeken waarvan je denkt ze te moeten lezen omdat ze iets doen wat je goed zou moeten vinden. Laatst had ik weer zo’n geval te pakken, het ging om Patricia Lockwoods roman No one is talking about this. Lockwood is ongeveer van mijn generatie, eentje opgegroeid met de komst van het internet, wat iets heel anders is dan te zijn opgegroeid met de evidentie ervan. Ze wordt wel de ‘Poet Laureate of Twitter’ genoemd en is, naast haar gekkige tweets, ook daadwerkelijk dichter. Haar stukken las ik weleens in de London Review of Books; er was een indrukwekkend gedicht van haar, The Rape Joke, dat viraal was gegaan jaren voordat MeToo een hashtag werd; een gesprek in een podcast waar ik nauwelijks iets van begreep omdat ik niet op Twitter zit en memes per definitie tot een andere categorie humor behoren dan de mijne. Overal werd ze aangekondigd als iemand die weet hoe het zit. Met het internet, deze tijd, het hebben van een lichaam en een geest in deze tijd. En ze had dus net een debuutroman geschreven.

Soms denk ook ik te willen weten hoe het zit. Dan zet ik mijn beste beentje voor en lees de juiste dingen: Jia Tolentino, Leslie Jamison, Lisa Halliday, Carmen Maria Machado, Sally Rooney, C Pam Zhang, Ocean Vuong, Sheila Heti. Angelsaksische millennialschrijvers die met elkaar delen dat ze ‘iets’ met de tijdgeest van doen hebben, specifieker: die van een progressief-linkse hoek. Ze schrijven over racisme, neoliberalisme, sociale ongelijkheid, queerness, politiek extremisme, globalisme, consumentisme, feminisme, het patriarchaat, de opwarming van de aarde, informatie, desinformatie, kolonialisme, overvloed, oorlog, een voortdurende staat van online zijn. Soms in essays, soms in romans; altijd met oog voor de nauwelijks bewoonbare complexiteit van het hedendaagse leven (van de twintiger/dertiger in het bijzonder), en altijd met een tamelijk uitgesproken verlangen naar een vorm van morele zuiverheid (Tolentino: ‘I want to live in a way that is morally clear’).

Hoe een leven voelt, schreef Vivian Gornick, is hoe een leven wordt geleefd. Ik moet vaak aan die uitspraak denken

Hoe een leven voelt, schreef Vivian Gornick, is hoe een leven wordt geleefd. Ik moet vaak aan die uitspraak denken – hij is zo onomstotelijk wáár – ook nu weer. Want wat me deze schrijvers plichtmatig doet lezen is tegelijk wat me aan ze tegenstaat: in al hun hyperzelfbewustzijn lijken ze meer geïnteresseerd in het leven als onderdeel van een alomvattend sociologisch/politiek/moreel systeem dan in het leven als hoogst individueel, moreel ambigu, avontuur. Wie het dichtst in de buurt komt van een juiste weergave van de stand van zaken wint de heilige graal van hoe het zit.

In een stuk voor het tijdschrift Liberties muntte critica Becca Rothfeld onlangs de term ‘sanctimony literature’, vrij vertaald: literatuur van de schijnheiligheid. Ze schrijft over een hedendaagse obsessie met het zijn van een ‘goed persoon’, niet als individueel project maar als een set leef- en denkregels waar iedereen zich aan dient te houden. Een goed persoon heeft diepgaande kennis van de machtsstructuren waarbinnen zij opereert, is zich bewust van haar verantwoordelijkheid om het ‘beter’ te doen, wat veelal neerkomt op het erkennen van allerhande privileges. Rothfeld windt er geen doekjes om dat ze deze literatuur – van Emma Cline tot Ben Lerner – doodsaai vindt.

Datzelfde moest ik concluderen na het lezen van het internetboek van Patricia Lockwood. Het was, zoals veel van zulke soort boeken, opgeschreven in flarden, wat het zowel een hedendaags als literair karakter moest geven. Het stond vol zelfbewuste grapjes die de schrijver het beste meisje van de klas moesten maken én moesten ontkennen dat er zoiets bestond als het beste meisje van de klas. Ik verveelde me suf, en realiseerde me dat ik me al een tijdje suf verveelde. Van de weeromstuit pakte ik de hopeloos dode Philip Roth erbij. ‘The fact remains that getting people right is not what living is all about anyway’, laat die Nathan Zuckerman verzuchten in American Pastoral. ‘It’s getting them wrong that is living, getting them wrong and wrong and wrong and then, on careful reconsideration, getting them wrong again.’