Hoe historisch is tadic’ schuldigverklaring

De auteur is hoogleraar volkenrecht aan de Vrije Universiteit te Amsterdam
De schuldigverklaring van Dusan Tadic door een strafkamer van het International Criminal Tribunal for the Former Yugoslavia in Den Haag is een historische gebeurtenis genoemd. Tadic geniet de twijfelachtige eer als eerste verdachte op wie het Tribunaal de hand heeft weten te leggen, schuldig te zijn bevonden aan het plegen van misdrijven tegen de mensheid. Dat is niet zozeer historisch alswel een logisch gevolg van de instelling van het Internationale Tribunaal.

Het recht dat het Tribunaal dient toe te passen, wordt gevormd door de Verdragen van Genève van 1949, de rechten en gewoonten van de oorlog zoals die tijdens de Haagse Vredesconferenties van 1898 en 1907 zijn vastgelegd, het Genocideverdrag van 1951 en het overige recht inzake misdrijven tegen de mensheid. In de uitspraak tegen Tadic is onenigheid gerezen over de toepasselijkheid van de Verdragen van Genève. Deze beogen de bescherming van personen (gewonde en zieke militairen, krijgsgevangenen en burgers) tijdens conflicten tussen staten. Het Statuut verklaart deze verdragen van toepassing, ongeacht of de partijen in het conflict dat zelf willen of niet. De verdediging van Tadic achtte de verdragen niet van toepassing: er zou geen sprake zijn van een gewapend conflict tussen staten.
De appèlkamer concludeerde in haar uitspraak van 2 oktober 1995 dat bij de huidige stand van zaken de verwijzing naar de Verdragen van Genève in het Statuut van het Tribunaal alleen geldt voor misdrijven tijdens een internationaal conflict. Zij stelde echter tegelijkertijd dat krachtens het overige toepasselijke recht het Tribunaal de aanklachten tegen Tadic mocht behandelen, ongeacht of zij betrekking hadden op misdrijven tijdens een nationaal of een internationaal gewapend conflict. Volgens de president van de strafkamer, de Amerikaanse rechter mevrouw Kirk-McDonald, beging Tadic zijn misdaden tijdens een internationaal conflict; volgens haar beide collega’s was dat niet het geval. Hopelijk zal de appèlkamer de vraag worden voorgelegd of het niet voldoende is voor de toepasselijkheid van de Geneefse Verdragen dat het gewapende conflict in Bosnië-Herzegovina een internationale oorsprong had.
Overigens is de stelling alleszins verdedigbaar dat de Verdragen van Genève niet alleen internationale maar ook nationale gewapende conflicten bestrijken. In 1977 hebben staten immers een aanvullend Protocol op deze verdragen aanvaard met het uitdrukkelijke oogmerk om fundamentele waarborgen te geven voor een menselijke behandeling van krijgsgevangenen en andere beschermde personen tijdens nationale gewapende conflicten. Hetzelfde is toen gebeurd ten aanzien van internationale conflicten tussen staten en volken. Beide Protocollen beogen de gemeenschappelijke bepaling van de Geneefse Verdragen van 1949 te versterken. Op grond van deze bepaling moeten staten zich tijdens een gewapend conflict op hun grondgebied altijd houden aan bepaalde minimumstandaards. Vrijwel alle staten zijn nu partij bij de Verdragen van Genève van 1949. Een aanzienlijk deel van deze staten is ook partij bij de aanvullende Protocollen van 1977. De gemeenschappelijke bepaling vindt dus zoveel steun dat het al of niet internationale karakter van een conflict geen beletsel meer zou hoeven vormen voor de toepassing van de Geneefse Verdragen op de gedragingen van Tadic.
Het valt op dat zowel de aanklager als de oorspronkelijke verdedigers van Tadic zich tamelijk tevreden hebben getoond met de inhoud van de schuldigverklaring. Alleen de huidige verdediger, de Bosnische Serviër Milan Vujin, voegde zich niet in het koor van tevredenheidsbetuigingen, zij het niet omdat vrijspraak is uitgebleven, maar omdat het vonnis politiek gemotiveerd zou zijn. Het verwijt van politieke motivering lijkt misplaatst ten aanzien van de schuldigverklaring. Het is dat echter niet voor de organisatievorm van het Tribunaal en het geringe draagvlak van de vervolging bij staten en derhalve ook bij de Verenigde Naties. De volkenorganisatie is immer krachtens haar Handvest gegrond op het beginsel van de soevereine gelijkheid van staten. Afgezien daarvan staat de combinatie van vervolging en berechting binnen het Tribunaal op gespannen voet met de onafhankelijkheid van de rechters.
Krachtens zijn Statuut heeft het Tribunaal drie organen: de gerechtelijke instantie, bestaande uit twee strafkamers en de appèlkamer, vervolgens de aanklager, en ten slotte de griffier. De beslissing om al of niet tot vervolging over te gaan heeft veelal ook een politiek aspect, namelijk de beoordeling van de opportuniteit. Daarom valt op nationaal niveau het Openbaar Ministerie, anders dan de onafhankelijke rechterlijke macht, onder regeringsverantwoordelijkheid. Voor het Internationale Tribunaal ligt de politieke verantwoordelijkheid bij de Veiligheidsraad, die de aanklager benoemt op voordracht van de secretaris-generaal van de VN. De benoeming van de rechters is daarentegen in handen van de Algemene Vergadering op basis van een lijst van kandidaten die is opgesteld door de Veiligheidsraad. De dienstbaarheid van de griffier aan zowel de rechters als de aanklager komt tot uitdrukking in het feit dat hij door de secretaris-generaal van de VN wordt benoemd na overleg met de voorzitter van het Tribunaal. Deze voorzitter wordt alleen door de rechters gekozen en is ambtshalve voorzitter van de appèlkamer. Hij is dus rechter en niet de ‘baas’ van de aanklager.
De aanklager is uiteraard verantwoordelijk voor het opstellen van de aanklacht, maar beslist niet over het uitbrengen daarvan. Daarvoor is de toestemming van een rechter uit de behandelende strafkamer nodig. Deze verstrengeling van vervolging en berechting heeft ook haar weerslag gehad op de voorzitter van het Tribunaal. Hoewel hij allereerst rechter is, heeft hij zich in zijn hoedanigheid van voorzitter meermalen genoodzaakt gevoeld om zich bij staten te beklagen over hun geringe medewerking aan de aanhouding van verdachten. De grens tussen de politieke beslissing tot al of niet aanhouding en vervolging en de berechting door de strafkamer is daarmee in het gedrang gekomen. De 'historische’ betekenis van Tadic’ schuldigverklaring zou kunnen worden dat de strafkamer haar onafhankelijkheid tegenover de aanklager en daarmee de Veiligheidsraad eens en voor al heeft duidelijk gemaakt.