Hoe ik volwassen werd

Wie van fictie houdt, kan het navolgende verhaal beter overslaan. Het is namelijk waar gebeurd. ‘Wanneer je achttien wordt, broertje, krijg je een belangrijke audiëntie bij vader’, wisten mijn acht en twaalf jaar oudere broers mij te vertellen. ‘Dan doet hij plechtig afstand van zijn ouderlijke macht en schenkt bij je de absolute vrijheid. Daar ben je volgens hem aan toe, mits zijn lessen effect hebben gehad. Die dag zal vader je zijn vriendschap aanbieden. Maar eerst krijg je nog een laatste, afsluitende les.’

Ik was, hoe jong ook, een devote bewonderaar van mijn vader. Op de dag dat ik meerderjarig werd, wachtte mij een des te grotere teleurstelling. Geen gesprek, geen amicale levensles, behalve een boek van Andrej Amalrik kreeg ik van mijn ouders niets. ‘Nu ben je volwassen’, mompelde mijn moeder, alsof zij besefte dat het geheel wat magertjes was. Mijn vader ontweek mijn blik. De dagen daarop leek het wel of hij mij ontliep.
Uiteindelijk, een volle week later, verzocht hij me in zijn werkkamer te komen. Het rook er naar pijp en sigaren. De boekenkasten reikten tot aan het plafond en strekten zich uit over nagenoeg alle wanden, behalve die twee vierkante meter waar de portretten van zijn ouders, mijn opa en oma, bingen. Mijn vader was een filosoof en dichter, die na mijn geboorte voornamelijk tot handenarbeid werd gedwongen. Want mijn entree op de wereld, in 1948, viel samen met de communistische machtsovername in Praag. De andersdenkenden, zoals mijn vader, werd door de nieuwe arbeidersregering elke vorm van intellectuele arbeid verboden. Mijn vader verzocht mij, tot mijn verrassing, op zijn stoel achter het bureau te gaan zitten. Op het bureaublad lag een boek van Arthur Schopenhauer. Minutenlang ijsbeerde mijn vader nerveus door het vertrek. Plotseling keek hij mij aan, met iets van wanhoop in zijn blik, en sprak: 'Mijn zoon, de enaring is onmogelijk onder woorden te brengen…’
Wij vielen elkaar in de armen. De audiëntie was afgelopen.