Hoe Ina Gina werd, en terug

Franca Treur schetst in Hoor nu mijn stem de ontwikkeling van een wereldvreemd gereformeerd meisje naar een trotse, ambitieuze jonge vrouw. Geestig en lichtvoetig.

‘Morgen eerst nog een paar buien’, zegt een luide mannenstem die uit het niets lijkt te komen. ‘In het begin van de avond opklaringen.’ Het gereformeerde meisje Ina denkt even dat ze de Here God zelf hoort en staat op het punt naar haar tante Ma toe te rennen om haar over haar geopende oren te vertellen, misschien wees dit op het begin van haar bekering. ‘Niet iedereen hoorde Gods stem. Als Hij onze oren niet opent, horen we niets.’ Maar dan hoort ze de hemelse stem opeens meedelen dat de bananen bij Trefcenter slecht één euro de kilo kosten. Dit kan God niet zijn.

Small franca treur  annaleen louwes
Hoor nu mijn stem zou je Franca Treurs Terug naar Oegstgeest kunnen noemen

De lezer begrijpt dat de mannenstem uit de radio van de moderne tractor komt, die Ina voor het eerst is gaan bekijken. In het bevindelijk gereformeerde milieu, waarin Hoor nu mijn stem, de nieuwe roman van Franca Treur zich afspeelt, is dat een onbekend fenomeen, de radio. In het huis waar Ina, de hoofdpersoon, opgroeide, leiden ze ‘een doodstil leven, op een doodstille plek niet ver van zee’. ‘Wij lieten ons de stilte niet afnemen door stereotorens, radio’s of televisies’, blikt Ina terug. ‘Onze oren waren geschapen om te luisteren naar het schikken van de bladeren aan de bomen, naar het suizen van de leidingen.’

Hoor nu mijn stem zou je in zekere zin Treurs Terug naar Oegstgeest kunnen noemen. Ook in haar roman reist het hoofdpersonage, dat zich inmiddels Gina is gaan noemen omdat dat wereldser klinkt, terug naar haar geboortegrond, een niet nader genoemd plaatsje in Zeeland. En ook hier worden die hoofdstukken in het heden waarin Gina terugkeert afgewisseld met hoofdstukken in de ik-vorm over haar streng religieuze jeugd. Maar anders dan bij Jan Wolkers en bij al die andere in het geloof der vaderen opgevoede auteurs van een eerdere generatie, wordt er in Hoor nu mijn stem niet met een milieu afgerekend. Natuurlijk, de benauwenis van dat ‘doodstille leven’ is voelbaar, maar bij Treur is er van woede en weerzin geen sprake, eerder van ernst in de poging dat zwarte-kousenmilieu als vanzelfsprekend op te roepen, en van een lichtvoetige geestigheid die nergens hatelijk wordt. Zoals in die anekdote over de stem die uit de tractor komt.

Voor gereformeerde meisjes is wereldvreemdheid een deugd, samen met zwijgzaamheid en gebrek aan ambitie

Geestig is ook de beschrijving van de wedergeboorte van tante Ma, die eigenlijk oudtante van Ina is, en zich samen met haar zus tante Sjaan en opa over haar heeft ontfermd nadat haar ouders bij een auto-ongeluk zijn omgekomen. Die wedergeboorte wil zeggen dat tante Ma een teken van de Here heeft gekregen dat zij Zijn genade heeft gekregen en dus later in de hemel zal komen, terwijl de meeste andere gelovigen zich moeten zien te redden met hun zondigheid en het vooruitzicht van de hel. Ze had hem voor zich gezien toen ze zestien was en ze had uitgeroepen: ‘Hij heeft lust aan mij.’ Ze was toen juist bezig een tafellaken te strijken, maar ‘door wat ze vanbinnen meemaakte liet ze het ijzer te lang op het tafelkleed staan, en de driehoekige afdruk werd een teken en zegel van Zijn bemoeienis met haar’. Daarna moest ze het strijken overlaten aan tante Sjaan.

De volwassen Gina heeft zich tot het tegendeel ontwikkeld van wat ze als kind, als Ina, geleerd heeft. Voor gereformeerde meisjes is wereldvreemdheid een deugd, samen met bescheidenheid, zwijgzaamheid en gebrek aan ambitie. Gina werkt voor de radio; het meisje dat geen vragen mocht stellen is een gehaaide interviewster geworden met een eigen programma. Ze is, in het beeld dat vrienden en kennissen van haar hebben, radicaal, koppig, zelfstandig en ambitieus. Maar op het moment dat ze terugkeert naar Zeeland is dat trotse beeld al aan het wankelen. Haar liefde is gestrand, ze heeft een afgang beleefd in een televisieprogramma waarin ook haar lange haar is afgeknipt, en het lijkt erop of ze haar ook aan het pootje lichten zijn bij de radio.

Aan het begin van de roman zit ze in de trein, met een pruik op – letterlijk om haar tante Ma niet te laten schrikken van haar stekeltjes; figuurlijk is het eerder een attribuut om terug mee in de tijd te reizen, weer een beetje als haar oude zelf. Die treinreis is meteen een metafoor voor het leven; de reismetafoor, zo oud als de bijbel zelf, keert dan ook op verschillende plaatsen terug in Hoor nu mijn stem. De crux daarbij is: volg je gewoon gewillig het spoor naar de horizon, met al die anderen die ook in de trein zitten? Of ben je zelf de machinist, en bepaal je op elk kruispunt weer opnieuw of je links- of rechtsaf gaat. Gelovigen geloven het eerste; ongelovigen vaak het tweede.

Maar Gina mag zich dan schijnbaar van het geloof hebben losgemaakt, ze bevindt zich ook op een moment in haar leven dat ze niet de reis zelf bepaalt. En juist het inzicht dat ze niet zomaar zelf de regie in handen heeft – iets wat ze ook al tijdens haar studie psychologie in Leiden leerde, toen het ging over de illusie van de vrije wil – juist dat inzicht maakt dat ze mild is over het leven in de Here. Het mooie van Hoor nu mijn stem is dan ook dat er geen scherpe grens wordt getrokken tussen het gereformeerde en het ongelovige leven. Gina’s ambitie, haar behoefte aan applaus, staat nogal ver van de overgave van de uitverkoren tante Ma. Maar is dat niet wat ze uiteindelijk moet leren: onthecht zijn, niet rekenen op succes en niet op de liefde. Uiteindelijk gaat het in Hoor nu mijn stem niet alleen om de overgave van gelovigen aan God, maar om de overgave van iedereen. Aan het leven.