Idfa: Twee vluchtelingenkampen, één thema

Hoe je er niet aan kunt ontsnappen

Zowel in de documentaire The Long Season als in A World not Ours staat alles in het teken van wachten. Wachten op terugkeer. ‘Ik draag geen horloge, ik haat de tijd die voorbijgaat.’

De film A World not Ours is te zien op de Groene-dag.

Medium the long season still01 voorkeur1
Zahra in The Long Season, regie Leonard Retel Helmrich © foto’s IDFA

‘Howayda, onze situatie is moeilijk. Ik hoop dat al deze zorgen snel ophouden, dan kunnen we weer feestvieren.’ Aan het woord is Zahra, een jonge vrouw die door haar nieuwe man als tweede vrouw naar Majdal Anjar, een klein Syrisch vluchtelingenkamp in de Bekavallei in Libanon, is gebracht. Ze zit met Howayda in een hoekje van een tent op een paar kussens te praten over de oorlog in Syrië en hoe het hen beïnvloedt. Dit korte gesprekje tussen de twee jonge vrouwen is een van de aangrijpende momenten in de lange documentaire The Long Season. Beiden zijn ongelukkig. Zahra heeft constant ruzie met de eerste vrouw van haar man die niets van haar wil weten. Voor haar, zegt ze ergens in de film, was dit huwelijk een mogelijkheid om uit Raqqa weg te komen – ‘De hel hier is beter dan de hel daar.’ Howayda studeerde in Hama, in Syrië, haar vader heeft haar drie dagen geleden naar de grens met Libanon gebracht waar ze werd opgehaald door haar Mammoud om in het kamp met hem te trouwen, maar ze vindt een veel conservatievere verloofde terug.

‘Ik droeg een zwarte boerka op mijn bruiloft’, vervolgt Zahra. ‘Is dat acceptabel?’

Howayda klikt met haar tong en schudt haar hoofd.

‘Dat is de situatie nu’, zegt Zahra.

‘Ik en Mammoud zijn open minded, maar de gemeenschap hier is…’ begint Howayda. Ze is als verloofde van Mammoud net aangekomen in het kamp om met hem te trouwen.

‘Ze hebben versteende geesten’, vult Zahra aan.

‘Het is een groot probleem als je naar zo’n gemeenschap komt’, gaat Howayda langzaam verder. ‘Het zal ons beïnvloeden. Zoals gisteren, toen kwam ik aan in mijn sportkleren. Maar Mammoud werd boos en vroeg me een jalaba te dragen.’

Ze pakt haar mobiele telefoon. ‘Dit zijn mijn gewone kleren’, zegt ze tegen Zahra en laat haar een foto van haar zien waarop ze in een strakke spijkerbroek, met een wit T-shirtje met een jasje erover, en gestileerde witte hoofddoek tegen een muur geleund staat. Nu draagt ze een donkerblauwe jalaba, met een zwarte hoofddoek.

‘Ik ben hier nu drie dagen, maar alles is veranderd…’

‘Je zal eraan gewend raken’, reageert Zahra.

‘Het was niet langer het Disneyland van mijn jeugd, maar een grijs en oud vluchtelingenkamp’

De Nederlandse regisseur Leonard Retel Helmrich is bekend om zijn single shot scenes – lange takes met een bewegende camera. Deze bijna intuïtieve manier van filmen, zonder editing in scenes, geeft de kijker het gevoel bijna onzichtbaar aanwezig te zijn in het kamp, bij intieme gesprekken, ruzies. Hij legt niets uit – waardoor het soms gissen is wat er gebeurt en waarom – laat ons zonder commentaar aanwezig zijn in het kamp. Het gaat dan ook niet over honger, armoede of hulpverlening. We maken als kijker opeens heel even deel uit van de gevoelens, belevenissen en keuzes van een aantal van de inwoners die hij een jaar volgde. Zoals Zahra, maar ook de man, zijn eerste vrouw, de tienerzoon die niet kan trouwen met het meisje op wie hij verliefd is, de docenten van het kampschooltje, Maria en Mammoud. Je voelt hoe diep oorlog ingrijpt in sociale en persoonlijke verhoudingen. Hoe je er niet aan kunt ontsnappen.

Veel Syriërs werkten in de Bekavallei als seizoenarbeiders in de landbouw, toen de oorlog uitbrak, bleven ze er. Ze betalen huur aan de grondeigenaren om er hun tenten neer te mogen zetten. Majdal Anjar is een zo’n kampje met 445 vluchtelingen die wachten om terug te kunnen keren naar Raqqa. De tenten, gemaakt van zeil, plastic en canvasdoeken die over een geraamte zijn gespannen, staan op een kaal, modderig veld. Planten in potten voor de tentdeur zorgen desondanks voor wat ‘gewone’ schoonheid, in het schooltje – op de tent is ‘school’ geschreven – is het tentzeil van binnen bekleed met tekeningen en kleurige knipsels van de kinderen. Dat is ook wat de regisseur wil laten zien. ‘We kunnen of wíllen het misschien niet geloven, maar blijkbaar is er een diepliggend aanpassingsmechanisme, of een verdringingsmechanisme om er maar niet aan onderdoor te gaan’, schreef Leonard Retel Helmrich in zijn filmplan.

Medium mahdi fleifel a world not ours 2
A World not Ours, de grootvader van regisseur Mahdi Fleifel © foto’s IDFA

Aan het eind van de film sluit juf Maria de school – is het omdat ze, zoals haar vader wil, met gevaar voor haar leven teruggaat naar Raqqa om er te trouwen? ‘Ik hoop dat we elkaar snel zien in…’ ‘Syrië!’ roepen de kinderen.

Zoals de Syriërs in het provisorisch gebouwde tentenkamp Majdal Anjar wachten op terugkeer naar Raqqa, zo wachten de Palestijnen in Ain el-Helweh al bijna zeventig jaar op terugkeer naar hun eigen huizen. Ain el-Helweh – ‘zoete lente’ – is het grootste Palestijnse vluchtelingenkamp in Libanon, er wonen op een paar vierkante kilometer ruim zeventigduizend mensen. Tegenwoordig is dit zelfs uitgegroeid naar honderdtwintigduizend vanwege de Syrische vluchtelingen die zich in het kamp hebben gevestigd. Hier speelt de documentaire A World not Ours zich af, van de Palestijns-Deense filmmaker Mahdi Fleifel.

Na de Arabisch-Israëlische oorlog in 1948 bouwde een groep ontheemde Palestijnse vluchtelingen hier een tijdelijk thuis met het idee om snel terug te keren naar hun eigen huis. Een van hen was de grootvader van Fleifel, die hier kwam toen hij zestien was. Hij heeft nog een echte herinnering aan de eigen boerderij in wat nu Israël is. Hele generaties groeiden sindsdien op in het kamp, ze zijn stateloos en wachten nog steeds op terugkeer. Fleifels beide ouders werden in Ain el-Helweh geboren. Hij werd geboren in Dubai, waar zijn vader werk had, maar daarna woonde ook hij in het kamp. Toen de eerste Libanese oorlog in 1982 uitbrak en het kamp werd gebombardeerd door het Israëlische leger vertrokken zijn ouders naar een stadje in Denemarken waar hij verder opgroeide. Maar vrijwel elke zomer gingen ze in de vakantie terug naar het kamp om vrienden en familie te bezoeken. En, zoals hij in de film zegt, voor hem was het een geweldige tijd waaraan hij zoete herinneringen koesterde.

Toen hij in 2000 voor het eerst alleen zonder zijn ouders het kamp bezocht, was hij veranderd, evenals het kamp. ‘Het was niet langer het Disneyland van mijn jeugd, maar een grijs en oud vluchtelingenkamp’, zegt hij. Hij realiseerde zich dat mensen hier niet vrijwillig waren, dat ze al decennia wachtten om naar hun thuisland terug te gaan en voelde zich opeens een vreemdeling. Met een videocamera legde hij al zijn bezoeken aan het kamp vast, inclusief interviews met zijn grootvader en zijn vrienden. Hiervan, en met oude filmfragmenten van zijn vader, maakte hij een intiem en ook humoristisch videodagboek, over de geschiedenis, zijn opa en zijn vriendschap met Abu Iyad.

Hij laat zien wat het betekent om in zo’n stateloze gemeenschap op te groeien, hoe dromen en herinneringen aan een verloren thuisland het enige houvast van mensen is, hoe iedereen maar wat rondhangt – ‘Ik draag geen horloge’, zegt Abu, ‘ik haat de tijd die voorbijgaat’ – gefrustreerd raakt omdat er geen enkel perspectief is – ‘Noem je dit een leven, het is fucked up’ – hoe teleurgesteld mensen zijn in hun Palestijnse leiders. Hij laat beelden zien van de straten die overspoeld worden door regenwater en het afval en kinderen die er spelen met namaakgeweren.

‘Mensen zijn nog steeds aan het wachten’, zegt Fleifel ergens. ‘Er verandert hier niets.’ Maar eens in de vier jaar staat Ain el-Helweh ondersteboven: tijdens het wereldkampioenschap voetbal. ‘Een hele maand lang zijn mensen niet langer stateloze vluchtelingen, maar Italianen, Duitsers, Brazilianen’, zegt hij in zijn commentaar. Jongens rijden als ‘hun land’ heeft gewonnen op brommers door de straten met vlaggen van Duitsland of Italië in de hand.

Fleifel kijkt ook naar zichzelf, hoe hij het leven in het kamp lang heeft geïdealiseerd, hoe het voor hem nog altijd als ‘thuis’ voelt, maar als er weer oorlog uitbreekt, is hij de eerste die vertrekt en een paar jaar niet terugkomt. Hij is zich gaandeweg de film steeds meer bewust van het verschil tussen hem en Abu, hoe hij de mogelijkheid heeft met zijn Deense paspoort te komen en gaan, terwijl zijn vriend gedoemd is tot zijn uitzichtloze bestaan. Tot Abu besluit naar Europa te gaan, illegaal. ‘Het gaat me lukken’, zegt hij vol overtuiging op het dak van zijn huis in het kamp. De was hangt achter hem te wapperen, kinderen voetballen zoals elke dag in de steegjes.

Beide documentaires laten van dichtbij het dagelijks leven in een vluchtelingenkamp zien. En als er één ding opvalt – of je nu in het prille kamp in Libanon kijkt of in het zeventig jaar oude Ain el-Helweh – alles staat in het teken van wachten. In het Syrische kampje ligt de hoop op terugkeer dichtbij, in het Palestijnse geval is die droom niet meer realistisch. Het laat ook direct zien wat het probleem is met opvang in vluchtelingenkampen in de regio, wat nu het beleid van zowel de Nederlandse regering als de Europese Commissie is. Zelfs als je die kampen toerust met democratisch zelfbestuur, scholen en de mogelijkheid te werken, waar Femke Halsema voor pleit in haar onlangs verschenen pamflet Nergensland. Zij beschrijft in deze utopie een opvang van vluchtelingen in ‘stadstaten’ waar deze een normaal bestaan kunnen leiden. Ain el-Helweh is zo’n echte stadstaat maar elk perspectief is afwezig – juist omdat mensen in dat nergensland leven.


The Long Season (Leonard Retel Helmrich, Feature-Length & Dutch Competition)* is te zien op 19, 21, 23, 25 en 26 november, A World not Ours (‘Aalam laysa lana en Mahdi Fleifel, Shifting Perspectives) *op 17 en 22 november. Voor locaties en tickets zie idfa.nl