Donald Judd, Untiteld, aluminium beeld, 1989. Tentoon­gesteld in het MoMA in New York, 2008 © James Leynse / Corbis / Getty Images

‘Ik dacht: damn, bitch, you fucking sold out immediately.’ Nadat de eerste grote Amerikaanse steden begin april vanwege Covid-19 in lockdown gingen, groeide kookcolumnist Alison Roman dankzij haar eenvoudige recepten snel uit tot de ‘koningin van de pandemie’. En naamsbekendheid geeft je een platform. Roman, een flapuit met een no-bullshithouding, gebruikte haar beroemdheid om begin mei in een interview met een Amerikaans consumentenblad keihard uit te halen naar twee grote concurrenten: de Japanse opruimgoeroe Marie Kondo en kookboekenschrijver Chrissy Teigen. Twee ‘sellouts’, zo vond Roman.

Die ‘damn, bitch’ was bedoeld voor Kondo. In het interview met The New Consumer gaf Roman aan moeite te hebben met het feit dat de ‘Queen of Organizing’ sinds de verschijning van haar debuut Opgeruimd! in 2015 beroemd als ‘ontspuller’, juist druk bezig leek om spullen toe te voegen aan ons al overvolle huis. Roman doelde op de kookspullen en keukenartikelen die onder de naam van Kondo worden verkocht. ‘Het idee dat Marie Kondo besloot haar beroemdheid te kapitaliseren door spullen te maken die je kunt kopen, staat volledig haaks op alles wat zij ons ooit heeft geleerd’, zei Roman. ‘Iemand dacht blijkbaar: “jij moet spullen maken”, en zij had zoiets van: “oké, ik zet mijn naam erop en verder interesseert het me geen reet”.’

Dat de kwestie nationale aandacht kreeg, en de opiniepagina’s van de grootste Amerikaanse dagbladen haalde, kwam door Romans kritiek op Teigen, naast auteur van twee boeken over ‘simple cooking’ een tv-beroemdheid met dertien miljoen Twitter-volgers en de vrouw van zanger John Legend. Dat kookapparatuur ook in haar naam werd verkocht, en zij haar bekendheid op social media kapitaliseerde, maakte haar in de ogen van Roman tot een ordinaire ‘content-fabriek’.

Het probleem: Roman gaf daarmee kritiek op twee succesvolle vrouwen met een Aziatische achtergrond – Kondo is Japans, de moeder van Teigen Thais. Daardoor groeide de kwestie, volgens commentatoren, ineens uit tot een meer dan een kookruzie, maar ging het plots over ras, privilege en succes. En in dat verhaal dolf de geprivilegieerde witte millenial Roman het onderspit.

Roman bood haar excuses aan. Desondanks raakte ze haar kookcolumn bij The New York Times kwijt. Wat ook wegviel was de steun die Teigen haar naar eigen zeggen in het verleden nog had verleend. ‘Dit is ongelofelijk balen en komt hard binnen’, schreef Teigen op Twitter aan haar miljoenen volgers in reactie op de uitlatingen van Roman. ‘Ik maak haar recepten al jaren, kocht haar kookboeken, ondersteunde haar op social media en prees haar in interviews.’ Het betekende het einde van hun digitale relatie. In een afscheidstweet schreef Teigen: ‘Nu dit zo naar buiten is gekomen denk ik dat we elkaar maar moeten ontvolgen @alisonroman.’

Tegenover de felle reactie van Teigen stond de stilte van Kondo, die verder niet op de kwestie reageerde. Wellicht omdat de kritiek niet nieuw is. Zo constateerde de Amerikaanse kunstcriticus Kyle Chayka enkele maanden eerder al eens dat de Japanse auteur en Netflix-ster inmiddels is vergroeid met de kapitalistische, consumptieve wereld waar zij zogenaamd afstand van doet. In zijn eind januari verschenen debuut schreef Chayka – zonder dat dat enige ophef veroorzaakte – dat Kondo een product is geworden en is uitgegroeid tot een commercieel merk. ‘KonMari heeft misschien vaag iets weg van anti-kapitalisme, maar dan gaan we even voorbij aan het feit dat je de boeken van Marie Kondo moet kopen als je haar idee wil uitvoeren.’

Chayka had het niet specifiek gemunt op de Japanse. Met zijn boek, The Longing for Less, leverde hij vooral kritiek op het minimalisme, het globale fenomeen waarvan Kondo het boegbeeld is geworden. ‘“Minimalisme” duikt de laatste tijd plots overal op’, schreef Chayka in 2016 in The New York Times Magazine, een jaar na Kondo’s internationale doorbraak. Toen dat stuk verscheen, was de Amerikaan al begonnen aan zijn zoektocht naar de eigenschappen van het 21ste-eeuwse minimalisme. Met zijn debuut als resultaat. ‘Minder gaat opeens verder dan ooit.’

Dat minimalisme plots overal opduikt, betekent nog niet dat het makkelijk te duiden is. Wie The Longing for Less leest, maakt op dat de term tegenwoordig naast ontspullen net zo goed kan verwijzen naar digitaal detoxen, de Tiny House-beweging of de met kurk beplakte slaapkamer van de naar stilte verlangende Marcel Proust. Internet helpt ook niet. Google de Engelse term en je vindt tussen de 84,5 miljoen hits, verwijzingen naar ontspulblogs, ontelbare YouTube-filmpjes en boeken over feng shui, de drieduizend jaar oude Chinese filosofie over de relatie tussen geluk en omgeving. De Nederlandse term levert tien miljoen hits op en evenveel verwarring.

‘Er zijn miljoenen variaties’, schreef de Britse journaliste Chelsea Fagan in 2017 in The Guardian. Ze legde uit waarom zij een van de meest veelvoorkomende uitingen van minimalisme, Instagram-foto’s van spaarzaam ingerichte interieurs, zo haatte. De influencers die foto’s delen van onbetaalbaar meubilair in prachtige lege ruimtes doen in haar ogen namelijk vooral een ding: het tonen van de morele superioriteit. ‘Want laten we duidelijk zijn over wat de minimalistische esthetiek, in ieder geval als een persoonlijke stijlkeuze, eigenlijk is: het is een manier om de connotaties van eenvoud en zelfs tot op zekere hoogte ascetisme over te nemen, zonder die zoete, zoete klasse op te geven.’

‘Ik ben juist dol op de esthetiek’, zegt Chayka vanuit zijn studeerkamer in Washington D.C. als ik hem op een donderdagavond spreek via Skype. Hij bewijst het enkele dagen na ons gesprek door lovend te twitteren over de Scandinavische interieurs in de Deense serie Borgen. Doe hem maar een Instagram-foto van zo’n sober interieur. Maar dat minimalisme een containerbegrip is geworden, ziet hij ook. ‘Het is uitgegroeid tot een merk’, zegt Chayka vanachter zijn bureau in zijn studentikoos ogende werkkamer. ‘Het woord is betekenisloos geworden.’

Ontspuller Marie Kondo besloot haar beroemd-heid te kapitaliseren door spullen te maken die je kunt kopen

In The Longing for Less stript Chayka die betekenisloze term af – zoekend, zo schrijft hij, naar ‘dieper minimalisme’. Hij gaat ‘koan-floaten’ (een zoutbad in een afsluitbare capsule), bezoekt de concertzaal waar voor het eerst het pianostuk 4’33” van John Cage werd opgevoerd (een pianostuk waarbij de toetsen van de piano geen enkele keer worden aangeraakt), vliegt naar het Japan van Kondo en reist af naar Marfa, het verlaten stadje in Texas waar de Amerikaanse kunstenaar Donald Judd woonde.

Via Judd komt Chayka uit bij de ware oorsprong van het minimalisme: de zogenaamde minimal art uit het midden van de jaren zestig van de twintigste eeuw. Van die kunststroming was Judd een van de belangrijkste vertegenwoordigers. Net als vier generatiegenoten, die allen begin jaren zestig in New York woonden, gebruikte ook hij industriële materialen zoals glas, staal en baksteen en het industriële productieproces om ogenschijnlijke anti-kunst te maken: op de muur gemonteerde koperen plankjes, een stapel bakstenen of op elkaar gelegde treinbielzen. De Britse filosoof Richard Wollheim was zo geschokt dat hij, in een kritisch essay in 1965, per toeval de naam bedacht voor de kunststroming die tot op dat moment nog meerdere namen had; de ene keer ‘ABC-Art’ of ‘Cool Art’, de andere keer ‘Primitive Structures’. Wollheim vond de werken van Judd kunst met ‘minimal art content’: kunst met een gebrek aan kunst. Zo werd de term minimal art geboren.

Wollheim zag een directe lijn tussen de uitgeklede kunst van minimal artists als Judd en de abstracte kunst uit de vijftig jaar daarvoor, zoals de readymade-kunst van Marcel Duchamp, die in 1917 een liggend urinoir toonde op een tentoonstelling in New York. Toch waren het volgens kunstcriticus Robert Hughes juist abstracte schilderijen die de wereld hadden warm gemaakt voor minimal art. In The Shock of the New: Art and the Century of Change schrijft Hughes dat niet de werken van Mondriaan of Picasso maar de eenvoud van de ‘zip paintings’ van de Amerikaanse schilder Barnett Newman vergeleken kunnen worden met ‘de krachten die men wellicht toeschrijft aan Paradise Lost of De negende symfonie van Beethoven’.

Hughes verwijst naar het schilderij Vir Heroicus Sublimis (1950-1951), een liggende rode rechthoek met vijf smalle verticale lijnen. Er waren volgens Hughes critici die vonden dat de westerse kunst met de werken van Newman in een nieuwe fase was beland. Ze vergeleken ‘the zip’ met ‘gods creatie, de scheiding van licht en duisternis, de figuur Adam en de passages in de kabbalah’.

Hughes noemt de schilderijen van Newman ‘abolitionistisch’. En dat was precies wat de minimalistische kunst wilde doen: afschaffen. De beeldende kunst van de minimal art, die in 1963 voor het eerst in New Yorkse galerieën verscheen en via een tentoonstelling in het Haags Gemeentemuseum in 1968 Europa bereikte, hoefde volgens Donald Judd niet meer te doen wat kunst in de eeuwen daarvoor in de westerse cultuur altijd had gedaan: iets voorstellen, de realiteit weergeven of de individualiteit van de kunstenaar communiceren. ‘Het eerste gevecht dat bijna iedere kunstenaar moet aangaan, is loskomen van de oude Europese kunst’, vond Judd. Minimalistische kunst moet slechts aanwezig zijn, deel uitmaken van de wereld en de kijker niet opzadelen met interpretatie en betekenis. Met als einddoel: individuele interpretatievrijheid. ‘Minimalisten waren maximalisten’, schreef Chayka in 2016 in The New York Times Magazine. ‘De soberheid van hun objecten gaven de kijker de vrijheid om het werk te ervaren op welke manier zij maar wilden.’

Woonkamer van de architect Arno Brandlhuber en kunstenares Isa Melsheimer in Berlijn, 2010 © Wolfgang Stahr / Laif / ANP

Het huidige trendy minimalisme bezit volgens Chayka nog maar weinig van die revolutionaire wortels. In de 21ste eeuw is het minimalisme volgens hem uitgegroeid tot iets reactionairs. In zijn boek schrijft hij: ‘Wie zich minimalist noemt, zet zich ergens tegen af. Het is opgeruimd versus rotzooi, aanwezigheid versus afwezigheid, stilte versus geluid.’ Moderne minimalisten richten volgens Chayka hun pijlen op waarden die gezien worden als westers of Amerikaans: het kapitalisme, de geïndustrialiseerde productiviteit of het consumentisme. Met als belofte dat het kopen van de juiste spullen ons gelukkig maakt. ‘Uiteindelijk is de KonMari-methode een zoektocht naar zuiverheid’, concludeerde The Atlantic. ‘Kondo ziet een leven omringd door onnodige spullen als “ongedisciplineerd”, terwijl een opgeruimd huis, gevuld met alleen de essentiële dingen, het ultieme bewijs is van persoonlijk succes.’

Dat zo’n strak, opgeruimd huis ons gelukkig of succesvol maakt, betwijfelt Chayka, die zegt de visuele stijl vooral een façade te vinden. Want als hij om zich heen kijkt, ziet hij overvloed. Het gemiddelde Amerikaanse huishouden bezit driehonderdduizend spullen. Veertig procent van al het speelgoed dat jaarlijks wereldwijd wordt verkocht gaat naar Amerikaanse kinderen, terwijl die maar drie procent van de mondiale kindpopulatie uitmaken. Tachtig procent van de Amerikanen heeft schulden. Qua consumptie is in de Verenigde Staten en het Westen ‘meer’ nog altijd het credo.

Chayka zegt ‘ontspullen’ altijd al een loze belofte te hebben gevonden. Gewoon je huis uitzoeken, naar wat podcasts luisteren en dan is tevredenheid en rust niet heel ver te zoeken? Het is volgens de schrijver onduidelijk hoe minder precies meer wordt. ‘Het minimalistische proces van reductie was impliciet: je doet weg, gooit weg, maakt een bewuste selectie. Maar wat dan?’

Die kritiek is tegelijkertijd een analyse van de omstandigheden waarin millennials zoals hij – Chayka werd geboren in 1987 – zijn opgegroeid. Want kiezen voor eenvoud is voor zijn generatie nauwelijks meer een bewuste keuze te noemen. Het is een uitvloeisel van maatschappelijke en culturele verschuivingen die na 2000 zijn ingezet. Materiële accumulatie, vergemakkelijkt door de vaste baan en het koophuis, zijn in de 21ste-eeuwse gig-economie ingeruild voor freelance-banen en groeiende ongelijkheid. En in een tijd dat alles constant in beweging is, schrijft Chayka, lijkt zo min mogelijk bezitten de meest veilige optie.

Kiezen voor eenvoud is voor millennials nauwelijks meer een bewuste keuze te noemen

De grote katalysator van het moderne minimalisme is de economische crisis van 2008. In dat jaar verschenen de eerste boeken en blogs over het thema in de winkel en op internet. De crisis ontnam Chayka’s generatie – alleen in de VS al 73 miljoen mensen – het vooruitzicht op een veilige toekomst. In Kids These Days: The Making of Millennials somt Malcolm Harris de gevolgen op. In deze eerste serieuze blik op de historische omstandigheden die de generatie heeft gevormd die tussen 1980 en 2000 werd geboren, schrijft Harris dat studiekosten tussen 1979 en 2014 met tweehonderd à driehonderd procent stegen, terwijl de werkloosheid onder afgestudeerden na de crisis verdubbelde. Harris: ‘Het resultaat is dat de generatie met de meeste schulden in de geschiedenis het moet stellen zonder de banen die hen uit die afhankelijke positie kunnen halen.’

Volgens Harris was de gemiddelde werkzoekende na 2008 zo’n 25 weken werkloos, tegenover vier à tien weken tussen 1970 en 2000. Net als Thomas Piketty schrijft hij dat na de crisis vooral huizenbezitters en eigenaars van financiële producten het goed hadden getroffen. Inkomsten uit huur verdubbelden, terwijl de lonen nog geen tien procent stegen. Een millennial heeft volgens Harris vijftig procent kans om meer te gaan verdienen dan zijn of haar ouders, tegenover negentig procent bij de boomer-generatie. ‘Post-crisis-Amerika’, schrijft hij, ‘is een geweldige plek om iets te bezitten, en een hele slechte plek om dat niet te doen.’

Dit heeft gevolgen voor het mentale welzijn, benadrukt de Amerikaanse journalist Anne Helen Petersen in haar recent verschenen boek Can’t Even: How Millennials Became the Burnout Generation. Het sleetse meritocratische verhaal dat als je maar hard genoeg werkt de Amerikaanse Droom niet heel ver te zoeken is, geldt niet voor de generatie die na hun studie terechtkwam in de slechtste arbeidsmarkt in tachtig jaar tijd. Millennials zoals Petersen, een freelancer, behoren daardoor inmiddels toe aan het ‘precariaat’: economisch uitgebuite arbeiders die in een wereld leven waarin er ‘voor jou duizend anderen zijn’, werkervaring opdoen tijdens onbetaalde en uitzichtloze stages, en constant leven met de gedachte dat morgen alles weg kan zijn. Petersen zelf bezweek onder die druk en kwam thuis te zitten met een burn-out. Net als de vele millenials die zij voor haar boek interviewde: ‘Millennials leven in het besef dat ze altijd zullen moeten werken, sterven voordat hun studieschuld is afbetaald, hun kinderen financieel ruïneren of weggevaagd zullen worden door een mondiale apocalyps.’

Voor Chayka is dit beeld redelijk bekend terrein. Hij studeerde internationale betrekkingen aan Tufts University en schreef voor de universiteitskrant over kunstgeschiedenis. Na de crisis van 2008 zag hij veel van zijn studiegenoten verdwijnen in fellowships of stages, trajecten waar je volgens Chayka alleen begint om je carrière te onderbreken. Ook Chayka verdween in dat traject en wist na zijn afstuderen in 2010 een betaalde stage te bemachtigen bij een kunsttijdschrift in Beijing, China. Daar woonde hij in een voormalig communistisch werkhuis. Een Amerikaanse vriend, die niet in staat was om zelfs maar een stage te krijgen, sliep op een matras in de woonkamer.

Chayka verliet China na enige tijd om, voor tweeduizend dollar per maand in ‘cash-filled envelopes’, als kunstcriticus te gaan werken bij Hyperallergic, een kunstwebsite gevestigd in New York. ‘Gedurende mijn twintiger jaren huurde ik drukbevolkte appartementen die verspreid lagen over heel Brooklyn. Mijn ikea-meubilair was vervangbaar, en al mijn bezittingen draagbaar’, schrijft Chayka in The Longing for Less. Hij leefde alsof hij permanent in de startblokken stond. ‘Ik richtte elke nieuwe kamer in als een hotelkamer die ik in alle haast weer zou kunnen verlaten.’

In het appartement waar Chayka zijn debuut schreef was alleen het bureau en een plank met wat boeken, papieren en kunst écht van hem. Het contrast met zijn jeugd – Chayka herinnert zich de ruzies van zijn ouders in het volgepropte ouderlijk huis in de bossen van Connecticut – is groot. Maar in New York heb je veel geld nodig om ruim te wonen. Chayka: ‘Zonder kelder, extra kasten of kamers om spullen in te bewaren, ben je altijd een volger van Marie Kondo.’

Ideeën over de voordelen van een bezitloos leven zijn van alle tijden. In De ideale staat stelt Plato dat alleen de man zonder spullen kan fungeren als de beste stadsbewaker en soldaat: ‘Wanneer zij voor zichzelf eigen grond, woningen en geld krijgen, zullen ze zich aan hun eigen zaken wijden in plaats van de belangen van de gemeenschap te behartigen.’ Voor Jezus was bezitloosheid een voorwaarde om hem te kunnen volgen. In het Matteüs-evangelie zegt hij: ‘Als je bij mij wil horen, moet je bereid zijn om alles op te geven: je broers en je zussen, je ouders en je kinderen, je huizen en je land.’ Elaine St. James, de bestsellerschrijver die in het laatste decennium van de vorige eeuw wereldwijd miljoenen opruimboeken verkocht, zag minder bezit als de eerste stap naar een beter leven: ‘Vereenvoudigen is geen panacee. Het lost niet alle problemen in ons leven en de wereld op. Maar het is een goed begin.’

Bezitloosheid anno 2020, in de vorm van minimalisme, is ‘over de piek’, stelde Chayka in februari in een interview in de NRC. Maar toen moest de coronacrisis nog losbarsten. Begin april, toen de eerste steden in de VS al lockdownmaatregelen hadden doorgevoerd om de opmars van het coronavirus te stuiten, heerste er plots een breedgedragen gevoel dat deze gedwongen eenvoud Amerikanen vooruit kon helpen. Op de Instagram-pagina van Headspace, een populaire meditatie-app, verscheen een filmpje waarin een spreker stelde dat eenzaamheid de mens in staat stelt dingen over zichzelf te ontdekken. ‘Het kan een poort zijn: niet alleen naar een groter besef van wie we zijn en wat ons leven behelst maar ook naar de levens van anderen, en de plaats die we samen delen.’

‘Ik denk dat de eerste drie maanden nog rustig waren’, zegt Chayka terugblikkend. ‘En toen was het opeens klaar’. Eind mei verscheen een filmpje op social media van George Floyd, een zwarte man die door een witte agent met een knie in de nek werd vermoord. Er volgden grootschalige protesten van Black Lives Matter. Ondertussen waren de VS al terechtgekomen in wat het Amerikaanse blad Wired omschrijft als de ‘pandemic-related social cohesion problems’ en een strijd tussen ‘yolo’ers’ en ‘distancers’. De yolo’ers (‘You Only Live Once’) benadrukken dat corona ‘gewoon een griepje’ is, dat zij mogen beschikken over hun eigen lichaam, dat de economie schade oploopt en scholen onnodig dichtblijven en dat door alle coronamaatregelen het aantal deaths of despair hoger ligt dan het coronavirus zou kunnen aanrichten. Die houding roept weerzin op bij de distancers, die eerst het virus onder controle willen krijgen voordat alles weer opengaat. ‘Eenzaamheid en contemplatie zijn nou eenmaal geen enorme Amerikaanse deugden’, zegt Chayka over de onrust.

In die eerste rustige maanden van de pandemie zag Chayka wel meer aandacht voor minimalisme en eenvoud. ‘Via social media kreeg ik echt veel meer berichten binnen van mensen die aangaven interesse te hebben in minimalisme’, zegt hij terwijl hij een slok neemt uit het glas naast zijn computer. ‘Via Instagram kreeg ik opmerkingen als: “Ik heb eindelijk tijd om je boek te lezen!” Ondanks de pasteltinten en geometrische figuren op het omslag van zijn boek – het oogt als een lovend boek over de hype – kreeg hij de indruk dat lezers doorhadden dat het juist een kritisch werk betrof.

Juist die zelfreflectie is een belangrijk onderdeel van dat ‘diepere minimalisme’ dat Chayka in The Longing for Less vond. Het minimalisme zoals het van origine bedoeld is, zou je volgens Chayka aan het denken moeten zetten. Hij speelt het spel mee door in zijn boek elk hoofdstuk titelloos te laten, en af te sluiten met een persoonlijke gedachte in plaats van een doortimmerde conclusie. ‘Alleen minimalisten die niet uitleggen hoe je moet leven, of je kast moet organiseren, interesseren me’, zegt Chayka. ‘In plaats van het promoten van simpele antwoorden, stellen deze minimalisten existentiële vragen over hoe te leven in de moderne wereld.’

‘Ik erger me als een fenomeen zijn geschiedenis verliest,’ zegt hij. Hij vindt het jammer dat het 21ste-eeuwse minimalisme vooral gaat over erbij horen. ‘Daar ging het kunstenaars als Judd juist niet om. Minimalistische kunst was lelijk, ongemakkelijk, voldeed niet aan de verwachtingen, en daarmee zette ze je ideeën over kunst in het algemeen op scherp.’ Dat wil Chayka ook, zegt hij, afbreken wat mensen denken, ambiguïteit oproepen. ‘Ik vind het belangrijk dat we in staat zijn om ons eigen antwoord ergens op te vinden. En het revolutionaire minimalisme uit de jaren zestig helpt daarbij, denk ik. Dat ging over het loslaten van verwachtingen en het oproepen van vragen. Minimalisme kan leiden tot een nieuw begin.’


De documentaire Minimalism: A Documentary About the Important Things is nu op Netflix te zien