Hoe je macht kunt krijgen

Robert Caro’s biografieën van Lyndon Johnson gaan over hoe je macht kunt verlangen, kunt krijgen, kunt gebruiken en kunt verliezen. Alleen lijden de boeken aan obesitas.


Robert Caro, The Passage of Power: The Years of Lyndon Johnson. Volume IV Bodley Head, 736 blz., € 30,99

Lyndon Johnson is een van mijn favoriete presidenten. De beste politicus die ooit in het Witte Huis zat, beter nog dan Lincoln, die met recht een geniaal politicus genoemd mag worden. Johnson was iemand met sociale bewogenheid en een diepe wens de Amerikaanse samenleving beter te maken en dat deed hij ook. Tegelijkertijd ging hij hard onderuit omdat hij zich op een terrein dat hem geen bliksem interesseerde, buitenlandse politiek, in het moeras van Vietnam liet lokken. Een klassiek Grieks drama waarin de held na vele avonturen de toppen bereikt, maar door dezelfde krachten die hem daar brachten onderuit gaat. De goden maken Lyndon Johnson en ze breken hem.

Biografieën van Lyndon Johnson zijn, noodzakelijkerwijze, behoorlijk dikke boeken. Maar Robert Caro overdrijft. Hij heeft de Johnson-biografie tot een kunst verheven. Het vierde deel van wat een vijfdelige serie wordt, The Years of Lyndon Johnson, brengt ons toch nog pas tot februari 1964, zeven weken na de dood van president Kennedy, zeven weken waarin Lyndon Johnson de toppen bewandelde. Het is een fascinerend leven, dat van Johnson, maar ik moet bekennen dat ik de Caro-methode van eindeloze details en meanderende zinnen zo langzaamaan wel gehad heb. Terwijl het eerste deel van de biografie, over Johnson en Texas voor en tijdens de Grote Depressie, The Path to Power uit 1982, een meesterwerk was, neigen Caro’s boeken nu naar overdreven dikke pillen, ‘doorstoppers’ zoals Amerikanen dat noemen. In deel drie, Master of the Senate (2002), moesten we ons al door eindeloze onderhandelingen slepen die weliswaar duidelijk maakten dat Johnson een fabelachtig politicus was, maar die voor een gewone lezer toch echt te gedetailleerd beschreven waren.

Dit vierde deel, dat de periode beslaat van Johnsons aarzeling om zelf voor het presidentschap te gaan, zijn keuze voor het vice-­presidentschap, de vernederende machteloosheid in dat ambt, de moord op Kennedy en de manier waarop hij na de moord de touwtjes in handen nam, lijdt ook aan obesitas. Caro weet zichzelf niet in te perken, Johnson is zíjn leven geworden.

In het eerste hoofdstuk vernieuwen we de kennismaking met de gecompliceerde man die Johnson was. Machtig, krachtig en tegelijkertijd gevoelig, kwetsbaar en doodsbenauwd voor vernedering. De angst om te verliezen maakte dat Johnson in 1959 niet voluit ging voor wat hij eigenlijk wilde, het presidentschap. En daardoor verloor hij van dat rijke jong uit Massachusetts, John F. Kennedy. Het patroon van Johnsons karakter, het schipperen tussen droom en nachtmerrie, het misbruik van macht, het rauwe dagelijkse optreden van de man, zijn boertigheid: allemaal goed om weer scherp te hebben, belangrijk voor de rest van het verhaal. Maar in het tweede hoofdstuk al verdwaalt Caro in een portret van Jack Kennedy. Hij schrijft feitelijk een korte biografie van Kennedy, met veel te veel obsessief detail over diens gezondheid en de manieren waarop hij de pers en het publiek daarover misleidde. Daarna volgt ook weer te veel informatie over Robert Kennedy. Het is waar dat de haast vanzelfsprekende animositeit tussen Robert Kennedy en Johnson belangrijk was in hun beider politieke carrière, maar Caro blijft er wat te veel in hangen.

Ik had moeite dit deel uit te lezen. Ja, Johnson slaagt er meesterlijk in om de vastgelopen agenda van Kennedy los te wrikken en meer gewicht te geven door hem te voorzien van zijn visie op een behoorlijke samenleving, maar zo’n verhaal als het overhalen van senator Harry Byrd van Virgina om daarin mee te gaan is zo gedetailleerd dat het gaat storen. Anderzijds is het weer spannend om te lezen hoe de racistische senator Richard Russell door Johnson in de Warren Commissie geduwd wordt, ondanks Russells afkeer van de Supreme Court Chief Justice die de segregatie had aangepakt (in 1954).

Het meest interessant is om het boek te lezen als deel van Caro’s ‘contemplatie over macht’. Niet voor niets dragen alle boeken, behalve Master of the Senate, ‘macht’ in de titel. Daarover gaat het. Hoe je macht kunt verlangen, kunt krijgen, kunt gebruiken en, straks, kunt verliezen. Zo gelezen is dit een fascinerend boek, maar je mag en moet dan het een en ander overslaan.

Het moment waarop Kennedy werd vermoord, om één uur ’s middags op 22 november 1963, werd Johnson van machteloos vice-president en voetveeg van pers en politici de machtigste man ter wereld. Alles wat Johnson in een leven van macht had geleerd en intuïtief had toepast, stelde hem in staat om die overgang ter plekke en op dat moment te maken. De inzwering in het vliegtuig, door een rechter die ooit door de Kennedy’s was gedwarsboomd, met Jackie naast hem, de toespraak bij aankomst in Washington: het was meteen raak. Johnson zette geen voet verkeerd die eerste zeven weken, tot aan de State of the Union waarin hij in januari de war on poverty aankondigde, nadat hij zich een week na Kennedy’s dood al gecommitteerd had aan een verregaande verandering van de burgerrechten, in zijn woorden de erfenis van Kennedy, om het spook van de segregatie een doodsteek te geven. Geen ander dan Johnson had dit kunnen doen, maar waarschijnlijk kon Johnson het ook alleen onder deze omstandigheden – dat is de aard en de wispelturigheid van macht, dat je niet weet wanneer je het hebt, maar wel weet wanneer je het moet gebruiken.

Caro beschrijft het nauwgezet. Zonder al te veel onthullingen maar in de context van zijn eerdere delen verklaart hij waarom en hoe Johnson dit kon doen. Voor een deel wisten we al hoe ongelooflijk die overgang was dankzij de bandopnamen die in 1998 verschenen, Taking Charge, geannoteerd door Michael Beschloss, waarin we de gesprekken kregen te lezen die Caro hier van details voorziet. In de grote lijn van Caro’s biografisch werk is dit deel de logische volgende stap in het opbouwen van de man die begon als onderwijzer van arme hispanic kinderen in het zuiden van Texas, die zijn weg baande door de Texaanse corrupte politiek, in Washington de Senaat tot een soepel werkend orgaan maakte, als zuiderling door Democratische liberals werd gewantrouwd, maar die tegelijk als zuiderling de burgerrechtenstrijd wist te voltooien en sociale wetgeving verwezenlijkte die Amerika daarvoor en daarna nooit meer heeft gekend. De mooiste uitspraak van Johnson is er een die presidenten, inclusief Barack Obama, ter harte moeten nemen. Als Johnson de waarschuwing krijgt dat burgerrechtenwetgeving politieke schade op zal leveren (de Democraten verloren, zoals Johnson maar al te goed wist, het solide Democratisch stemmende zuiden) reageert Johnson, net in het ambt: ‘Waar heb je anders dat presidentschap voor?’

Het magnum opus van Robert Caro zal nog één deel verder reiken, de gang van de toppen van de macht tot de aankondiging, dat kille voorjaar van 1968, dat Johnson zich niet herkiesbaar stelde. Het is moeilijk om een afgewogen oordeel over Caro’s werk te geven. Het biedt ons Johnson in zoveel kleuren dat we hem echt leren kennen, maar tegelijk in zoveel detail dat je denkt: nou weten we het wel. Voor gewoon gebruik biedt de biografie van Robert Dallek in twee delen (Lone Star Rising en Flawed Giant) meer dan voldoende. Het leven van de politicus als een spannend verhaal, met romance en bedrog, teleurstelling en succes, het hele Griekse drama, daarin is Caro onovertroffen. Hij is een carrière als romanschrijver misgelopen, vooral als je het eerste deel van de Johnson-biografie neemt, met zijn sfeervolle beschrijvingen van het leven in Texas. Of misschien is het voor Caro een roman geworden, dat leven van Lyndon Johnson. Je mag het bijna niet zeggen van zo’n vereerde schrijver als Robert Caro, maar je had hem een autoritaire en scherpe editor toegewenst.