Hoe lang duurt even?

Esther Jansma, Picknick op de wenteltrap. Uitg. De Arbeiderspers, 128 blz., 327,50
HOE LANG duurt eeuwig? Bestaat het nu nog steeds als je je ogen dicht doet? Waarom heeft een huis twee ramen als je toch niet tegelijk met je ene oog door het ene en met je andere oog door het andere raam kan kijken? Hoe kun je weten hoe een plek eruitziet en niet weten waar hij ligt? Waarom heb je twee doorzichtige neuzen als je met twee ogen kijkt en heb je een ondoorzichtige neus aan de zijkant van je gezicht als je één oog dicht doet? Hoe lang duurt even?

Het zijn het soort onmogelijke vragen dat door kinderen wordt gesteld, en hoe wijs en volwassen je ook bent, vaak moet je het antwoord erop schuldig blijven. In Picknick op de wenteltrap, het prozadebuut van de dichteres Esther Jansma, wemelt het van deze en andere kindervragen en om ons volwassenen niet helemaal met de mond vol tanden te laten staan volgt er nog een antwoord ook. Maar de antwoorden zijn even onmogelijk als de vragen. Want wat heb je eraan als je hoort dat ‘even’ duurt 'van nu tot straks’. Of als je wordt verteld dat je om te begrijpen hoe lang eeuwig duurt, moet denken aan een berg zo groot als de wereld. Die berg is van diamant en eens in de tien miljoen jaar komt een vogeltje aanvliegen dat op de berg landt en er zijn snaveltje aan slijpt. Als de berg helemaal verdwenen is, is één seconde van de eeuwigheid voorbij. Wat helpt zulke uitleg? 'Even’ en 'eeuwigheid’ - het blijven onbegrijpelijke zaken.
PICKNICK op de wenteltrap heet, althans volgens het omslag, een roman te zijn; in werkelijkheid bestaat het boek uit 107 korte tot ultrakorte taferelen, in lengte variërend van drie regels tot anderhalve pagina, waarin onder categoriale titels als 'Het denken’, 'De wetten’, 'De hoogte en de diepte’, en 'De stilte’ wordt beschreven hoe een kind de wereld probeert te begrijpen. Je kan de korte stukjes nog het beste als prozagedichten omschrijven, want hoe helder en eenvoudig de taal ook is, hun eenvoud is bedrieglijk.
Met enige moeite kun je de familiesituatie van het kind uit Picknick op de wenteltrap destilleren. Het kind is een meisje, want ze wil het liefste lang haar hebben, van dat prinsessehaar waar je op kan zitten, zo lang. Het meisje draagt jurken - een gouden feestjurk op haar verjaardag - en ze heeft zussen. Ze moet nog vrij klein zijn, want ze kan zelf niet bij de spijker in de muur waar haar jas aan hangt. Maar ze gaat wel al naar school. De ouders van het meisje hebben een slecht huwelijk, ze schreeuwen tegen elkaar en als ze ruzie hebben worden de zussen 'van nu tot straks’ naar buiten gestuurd. De vader gaat op een gegeven moment zelfs ergens anders wonen. En de vader krijgt een ongeluk en gaat dood.
MAAR HET GAAT in Picknick op de wenteltrap niet om zo'n herkenbare, realistische geschiedenis van een jeugd; het gaat om de verbaasde blik waarmee het meisje de wereld beziet. Esther Jansma vertelt die geschiedenis ook niet direct, de feiten ervan blijken alleen zijdelings. Zo wordt nergens rechtstreeks beschreven dat de vader is doodgegaan. Je hoort dat hij een ongeluk heeft gehad en hoe het meisje kinderlijk enthousiast roept: 'Misschien worden we wel halve wezen!’ Een paar taferelen verder is de moeder wanhopig en nog weer later ligt de vader in een kamer met een bloemstuk naast zich en ziet het meisje een tante plechtig om de bloemen lopen.
Die indirecte manier van schrijven blijkt bijvoorbeeld ook uit het hoofdstukje 'De geluiden’. Het meisje hoort de geluiden van haar ouders die soms praten en soms schreeuwen, ze hoort haar zusje huilen en de duiven koeren. ’s Avonds hoort ze het gerammel van pannen en bestek. En ze luistert naar het geluid van haar hoofd, haar gedachten die met haar praten. Een van die gedachten zegt dat je straf krijgt als je lawaai maakt en dan besef je dat het meisje op haar kamer haar straf uitzit.
De verwondering van het meisje over de wereld blijkt niet alleen uit de vragen die ze haar vader en moeder stelt, maar ook uit de gesprekken die ze met zichzelf voert. In 'Het denken (1)’ kijkt het meisje naar regendruppels die op de vensterbank uit elkaar spatten en ze bedenkt dat de druppels net mensen zijn: als ze bovenaan zijn, zijn ze jong; onderaan zijn ze oud. Het meisje bedenkt dan dat ze met haar hoofd denkt: 'ik ben dit hoofd’. In het vervolg van Picknick op de wenteltrap wordt ze consequent met dat pars pro toto aangeduid - als ze een rode maillot draagt, staat dat er zo: 'De rode benen van het hoofd.’ Maar het hoofd is niet alleen. Het is voortdurend in gesprek met Oud en Romanticus, die je als afsplitsingen, of beter: stemmen van haar kunt zien. Oud is de stem van het vroegwijze meisje dat 'weet hoe de dingen gaan’; Romanticus is de stem van de twijfel en 'gaat over dingen die misschien niet waar zijn’. Met elkaar voeren het hoofd, Oud en Romanticus allerlei absurdistische toneelstukjes op.
JE ZOU allerlei geleerde filosofische verhalen kunnen afsteken over Picknick op de wenteltrap, want de taferelen gaan over nogal existentiële zaken als de verhouding tussen taal en werkelijkheid, de kenbaarheid van de wereld, het ik dat uit een heleboel ikjes bestaat, dood, tijd en ruimte. Neem bijvoorbeeld de kinderlogcia die in 'De wisselvalligheid (1)’ wordt geëtaleerd. De vader leert het hoofd dat als je op straat vier keer rechtsaf slaat en niet van de stoep afgaat, je vanzelf weer thuis komt. 'Dat was gisteren zo’, zegt het hoofd. 'Heb je het vandaag al geprobeerd? Is er echt niets veranderd?’ Het hoofd wil het kortom niet zomaar geloven en als zij met haar zusje een blokje om gaat, hoopt ze dat de les van haar vader opgaat. Haar zusje fietst op haar driewielertje en ze heeft haar vader nog nooit op een driewielertje gezien. 'De wisselvalligheid (1)’ trekt, dat mag duidelijk zijn, een vanzelfsprekende waarheid in twijfel. Hoe weet je eigenlijk dat de dingen steeds hetzelfde zijn?
Of neem 'Donker en licht (3)’, waarin het meisje een tegel van het tuinpad oplicht. Onder de tegel ziet ze witte plantjes, mieren, pissebedden en een duizendpoot. De diertjes kennen er goed de weg, denkt ze. Het is hun eigen, vierkante stad waar de groente op straat groeit en wit is, 'je huis is achter een kiezelsteen, af en toe krijg je bezoek van iemand die naast je onder een takje woont’. Wat zegt het over onze 'eigen’ wereld, vraag je je dan af, als er nog een andere, toegedekte wereld bestaat met eigen wetten? Moeten we ons niet net zo verwonderen over ons leven als over het krioelen van de mieren en pissebedden?
Maar je doet Picknick op de wenteltrap geen recht als je al te zwaar aan het filosoferen slaat. Daarvoor is het boek veel te lichtvoetig en fantasievol. In de taferelen duiken allerlei verwijzingen op naar de sprookjes van Andersen, naar kinderboeken en -rijmpjes, naar uiteenlopende literatuur als Alice in Wonderland en De baron van Münchhausen. Net als sprookjes en de verhalen over Alice en de baron die zichzelf aan zijn haar uit het moeras trok, is Picknick op de wenteltrap tegelijk vrolijk en wreed, betekenisvol en onzinnig. De kinderverbazing over de wereld hinkelt over de bladzijden zonder ooit zwaar of nadrukkelijk te worden.