‘hoe lang kennen wij elkaar nu al?’ toneel

De bijna-openingszin van Tsjechovs Oom Wanja is een vraag van huisarts Astrov aan de oude huishoudster Njanja: ‘Hoe lang kennen wij elkaar nu al?’ Het antwoord is een stotterend terugzoeken in de tijd. Met een dodelijke conclusie aan het eind: Astrov is lelijk geworden en hij zuipt te veel. De dokter antwoordt dat hij eigenlijk van niemand meer houdt. De toon is gezet: wie hier binnengaat laat iedere hoop varen. Hier is een landgoed in de provincie, beheerd door Wanja en zijn nicht Sonja. Op bezoek zijn de inmiddels gepensioneerde professor Alexander, weduwnaar van Wanja’s zuster en hertrouwd met de beeldschone Jelena. Het is warm, er hangt een broeierige sfeer van verprutste levens. In de derde acte komt er een ontlading van onderhuidse spanningen, er volgen wat pistoolschoten. Aan het eind gaan de gasten weg, ook huisarts Astrov - op wie Sonja dodelijk verliefd is. Zij en Wanja gaan weer aan het werk. Einde. Doek.

Laat ik maar meteen met de deur in huis vallen: Toneelgroep Amsterdam heeft dit prachtige stuk grondig verknald. Aan het decor heeft het niet gelegen: mooie hoge houten wanden die aan het begin naar voren rijden en aan het eind weer naar achteren - waarom, vraag het me niet? De meubilering is schaars en fraai. De lichtwisselingen zijn wat vreemd. Waarom in de openingsscène het zaallicht aan blijft en het ergens in de eerste acte toch weer dooft; vraag me niet waarom. Het spel is erbarmelijk. Vrijwel alle personages - op twee na, kom ik zo op - worden eenduidig en oppervlakkig bij elkaar gesprokkeld. Er wordt weer eens geïllustreerd dat je een Tsjechov-stuk alleen kunt spelen in een topbezetting, tot in de kleinste rollen. Er bestaan geen kleine rollen, er bestaan slechts kleine acteurs. En daar lopen er in deze regie nogal wat van rond. De sukkelaar Telegin bijvoorbeeld, hier gespeeld door Casper Gimbrère. Een boeiend acteur, hier echter niet geregisseerd. Op zijn elektrische gitaar doet hij een mislukte Ry Cooder-imitatie, zodra hij zijn mond opendeed keek ik beschaamd een andere kant op. Waarom de huishoudster zo jong casten (Malou Gorter)? Van deze prachtige rol blijft nu een mompelende, stoelen sjouwende huissloof over. Janni Goslinga is absoluut niet opgewassen tegen de gelaagdheid van de rol van Sonja. Ze maait wat met haar armen, werpt getergde blikken in het zwerk, blaast haar partijtje soap-janken mee, maar wat dat arme mensenkind bezielt, daar heb ik geen spoor van gezien (of geen jota van begrepen). Geldt trouwens ook voor Lineke Rijxman (Jelena). Rijxman is als actrice toch niet de eerste de beste, maar hier loopt ze steunend en kreunend rond, door de regie klaarblijkelijk aan haar lot overgelaten. En dan de arts Astrov (Hans Kesting). Dat is een razend interessant en zeer complex personage, een verscheurd mens die zich met drank en een diepe interesse in bosbouw op de been houdt in een wereld die hém niet meer wil en die híj eigenlijk ook niet meer wil. Kesting maakt er een zeikerige cynicus van, bij wie je na een minuut of tien elke wending al op een kilometer afstand ziet aankomen. Prettige uitzondering in de bijrollen is de moeder van Wanja, Marija (Hilt de Vos). Ze plaatst haar spaarzame teksten loepzuiver, als zij opkomt of het woord neemt dan gebeurt er iets op het speelvlak. De Wanja van Pierre Bokma sleurde me door de avond heen. Bokma’s portret van de getormenteerde kleinburger die voortdurend achter de feiten aan slentert en daardoor steeds met zijn eigen onvermogen wordt geconfronteerd, het is acteren op hoog niveau. Hij schakelt van zelfinzicht naar zinloze liefdesbetuigingen, naar woede-uitvallen en terug naar melancholie en verdriet. Bokma laat ons de binnenkant van Wanja zien. Je voelt als toeschouwer met bijna plaatsvervangende schaamte hoe deze wanhopige man stikt van binnen. Wat Bokma doet in de beroemde slotscène van het stuk is hartverscheurend en onvergetelijk. Wanja en Sonja schrijven rekeningen. Ze zijn dus weer aan het werk, ondertussen kijken ze vooruit in het zwarte gat van hun toekomst. Terwijl hij kattebelletjes schrijft over vanuit het landgoed aan derden geleverd lijnzaad, schikt hij naast de tafel het liefdesboeket rozen dat hij voor Jelena had bedacht. Ondertussen spreekt hij zacht zijn radeloze teksten, en hij huilt stil en zonder hoop. Ik heb deze scène nog nooit zo mooi gezien. Er is echter een nachtzijde aan Bokma’s briljante spel, en daar kan de acteur niks aan doen. Hij krijgt nauwelijks tegenspel, eigenlijk staat hij in zijn eentje het hele stuk bij elkaar te acteren. Een onmogelijke opgave. Blijft de vraag hoe het kan dat het eerste gezelschap van dit land met zo'n wanprestatie rondreist. Vraag het me niet. Het is wél een schande.