Hoe lang nog?

Het regent de laatste tijd arrestaties en vonnissen onder extreem-rechtse partijleden. Minder prominent in het nieuws kwam het gegeven dat het aantal gewelddadige aanslagen door extreem-rechts in drie jaar tijd bijna is vertienvoudigd. Wordt het geen tijd: voor een algeheel verbod van dit soort organisaties?

Extreem-rechts smeekt om een verbod Terwijl de grote partijen zich in de laatste week voor de verkiezingen door het publicitaire stof wentelden, vielen er in de hoek van Centrumdemocraten en Centrumpartij ‘86 harde klappen. Het leek wel oogstweek voor antifascisten. De Amsterdamse politie arresteerde het deelraadslid Dekker van de CP'86; hij had nog een gevangenisstraf uitstaan.
De Alkmaarse politierechter veroordeelde de CD-fractievoorzitter in Purmerend, Richard van der Plas, tot drie maanden gevangenisstraf wegens verzekeringsfraude. De Utrechtse jurist Bolsius publiceerde een rapport waarin het Openbaar Ministerie met kracht van argumenten wordt uitgenodigd om beide partijen maar helemaal te laten verbieden. De schrijvers Chris van der Heijden en Leon de Winter verblijdden de natie met een Handleiding ter bestrijding van extreem-rechts, en de Leidse onderzoekers Frank Buijs en Jaap van Donselaar publiceerden schokkende cijfers over extreem-rechts geweld in ons land. Als klap op de vuurpijl werd het Amsterdamse CD-raadslid Yge Graman op donderdag 28 april van zijn bed gelicht op verdenking van meervoudige brandstichting; tevens werden drie vuurwapens in beslag genomen. Graman blijft tenminste tien dagen in bewaring en die periode zal waarschijnlijk worden verlengd: volgens de Amsterdamse officier van justitie De Graaf wordt hem onder meer medeplichtigheid van een poging tot moord en illegaal wapenbezit tenlastegelegd.
Gramans bekentenis is door undercover-journalist Bas van Hout vastgelegd op videoband. Afgelopen vrijdag waren daarvan enige jammerlijk verknipte gedeelten te zien in het televisieprogramma Deadline. Ondanks het tegenwoordig blijkbaar onontbeerlijke opzwepende muziekje kon de kijker constateren hoe Graman en zijn Amsterdamse collega-raadsleden Ruud Enthoven, Jacques Fortune en Wim van Sitteren alsmede de genoemde Van der Plas op hun bijeenkomsten racistische taal uitsloegen. Graman over Turken: 'Er is maar een doel: dat ze uitgeschakeld moeten worden.’ Van der Plas, ginnegappend boven een gezellig kopje koffie: 'Ze komme as gast, ze gaan d'ruit as vergast.’
Voor kenners van de racistische onderkant van Nederland bevatten de opnamen weinig schokkends. Ze bewijzen vooral wat Van Donselaar het 'societeitsgehalte’ van dit soort groeperingen noemt. Maar in een tweegesprek met Van Hout pakte Graman opeens flink uit en beweerde een aantal aanslagen te hebben gepleegd, waaronder een op een ambassade. Bij twee van zijn brandstichtingen gaf hij tekst en uitleg.
Het staat in ieder geval vast dat die branden hebben plaatsgevonden en dat er opzet in het spel is geweest. De eerste was op 17 oktober 1977 in het opvangcentrum voor Antillianen aan de Vijzelstraat in Amsterdam, waarbij de brandweer al meteen opzet vermoedde. Graman: 'De Vijzelstraat had ik al heel lang op ’t oog. Ja, waarom? Ik wilde gewoon een daad stellen, een aanslag. Iedereen wist van die aanslag af. D'r is geen bewijs gekomen.’ De tweede brand was op 11 september 1979 in een opvanghuis voor Surinaamse verslaafden (door boze en verontruste omwonenden het 'heroinecafe’ gedoopt) op de hoek Lijnbaansgracht/Looiersgracht. Graman: 'Op de Looiersgracht is jaren geleden een zootje negers verbrand. Nou, die jongens zijn nooit meer teruggekomen. Die waren e`cht weg. Het pand is helemaal uitgebrand. Die zijn brandend de gracht ingesprongen.’ Bij de brand vielen vijf gewonden, een van hen moest in het Beverwijkse brandwondencentrum worden opgenomen. De buurt applaudisseerde toen het gebouw in vlammen opging omdat het centrum buitengewoon veel overlast veroorzaakte.
De brandaanslag was goed voorbereid - er was zelfs een auto voor de brandweerkazerne geparkeerd om tijdig uitrukken te verhinderen. 'Hier zijn geen mensen aan het werk geweest die in een vlaag van drift hebben toegeslagen’, schreef Frans Heddema in Het Parool, 'maar lieden die koel en beredeneerd brand hebben gesticht. Dat er geen doden bij zijn gevallen mag een wonder heten.’ Het is dan ook opvallend dat Graman medeplichtigheid ten laste wordt gelegd. Officier De Graaf wil in het belang van het onderzoek niet openbaar maken of Graman inmiddels tegenover de politie heeft bekend en of er nog meer arrestaties te verwachten zijn. Het gerechtelijk vooronderzoek kan nog maanden duren.
De schijnbare bekentenis van Graman leidt intussen onder CD-watchers tot de wildste speculaties over zijn onduidelijke verleden. Zo zou hij, voordat hij eind jaren zeventig lijfwacht van Nederlandse Volksunie-leider Glimmerveen werd, langere tijd in de Sovjetunie hebben doorgebracht of door de Rote Armee Fraktion getraind zijn.
Het is opmerkelijk dat Graman uitgerekend Van Hout uitkoos voor zijn criminele ontboezemingen, nadat reeds twee infiltranten hun bevindingen hadden gepubliceerd en Van Hout tot tweemaal toe eveneens onder verdenking was gekomen een infiltrant te zijn. Wat heeft Graman bewogen? Is hij de reeds lang vermoede BVD-infiltrant in de CD, die met slaande deuren vertrekt nu zijn rol is uitgespeeld? Is hij een infiltrant van de actiegroep RaRa, die de CD vlak voor de verkiezingen wil opblazen, zoals Janmaat met klem beweert? Of is hij een echte seriemoordenaar die doelbewust met het risico van ontdekking speelde en nu een valse heldenrol in de rechtszaal zoekt?
De arrestatie van Graman zaaide in elk geval uitslaande paniek in het tweede echelon van de CD. De verhoopte verkiezingswinst van vier tot zes zetels liep gevaar en de kringvoorzitters dreigden met een opstand als het bestuur niet onmiddellijk doortastend optrad. Partijleider Janmaat werd in allerijl van vakantie teruggeroepen. Op de vroege zondag werd hij samen met zijn vriendin Wil Schuurman, de Walkure van het Centrumdemocratische schemerrijk, naar zijn stamtafel in het Haagse hotel Corona gesommeerd voor een spoedbijeenkomst van het dagelijks bestuur.
Het werd een ochtend van de lange messen: Graman en Van der Plas werden op staande voet geroyeerd en een interne commissie kreeg opdracht de zaak tot op de bodem uit te zoeken. De driekoppige CD-fractie in Rosendaal nam daarmee geen genoegen en besloot zich af te scheiden van de CD. De Rosendaalse kring zal haar nobele werk nu voortzetten onder de naam Burgerpartij Nederland.
Het regende de laatste dagen niet alleen arrestaties en vonnissen, maar ook boeken en rapporten inzake extreem-rechts. Zoals Van Donselaar een jaar geleden al voorzag, zijn CD en CP'86 in de aanloop naar de verkiezingen door justitie, antifascistische groeperingen en journalisten met groot succes 'geschandaliseerd’. De onthullingen van de journalisten Kees Kooiman in De Groene Amsterdammer, Peter Rensen in Nieuwe Revu en Bas van Hout in Panorama en het Tros-programma Deadline hebben echter de toon gezet voor een nieuwe discussie over de oorzaken en de gewenste aanpak van extreem-rechts, niet alleen in zijn quasi-legale partijvorming, maar ook als ondergrondse beweging en electoraal protestverschijnsel. De journalistieke onthullingen brachten vooral het verschil tussen de publieke presentatie en de ware aard van extreem- rechtse partijtjes aan het licht. In de woorden van Revu-journalist Rensen in zijn pas verschenen boek Dansen met de duivel: 'Zelf vond ik het onthutsend om te merken dat de CD er sinds haar bestaan in is geslaagd een gematigd imago op te bouwen, terwijl de partij bevolkt wordt door een mengelmoes van fascisten, nazi’s, criminelen en tuig.’
Afgezien van Graman en Van der Plas (die onder meer betrokken was bij de aanslag op de schrijver Adriaan Venema in 1990) bevinden zich onder het tuig in de directe omgeving van Janmaat gewelddadige coryfeeen als Nico Bodemeijer (de moordenaar van Kerwin Duinmeijer in 1983), Martin van der Grind en Franky Kattenburg (betrokken bij de moord op Michael Poye in 1986) en een aantal zwaargewichten dat net geen moord of doodslag op zijn palmares heeft staan maar de moed kennelijk nog niet heeft opgegeven. Terwijl Bas van Hout zijn inspanningen concentreerde op de labiele Graman, legde Kees Kooiman zich vooral toe op de rossige ex-postbode Van der Plas, wiens connecties met het criminele Aktionsfront Nationaler Sozialisten (ANS) nog altijd niet zijn opgehelderd. Uit zijn proces-verbaal in de zaak-Venema blijkt dat hij en andere 'celleden’ opdrachten ontvingen van ANS-leider Eite Homan en die ook uitvoerden.
De naam Homan komt overigens niet uit de lucht vallen, maar houdt verband met een hele schare voormalige SS'ers en Oost frontstrijders die binnen de CD actief blijkt te zijn. Prominent aanwezig zijn Eite’s vader Frans Homan, Carl Lemoine, Karel Weber en Gerrit Wolsink. Ook de onvermijdelijke contacten met de onterechte 'vriendenkring’ van de weduwe Rost van Tonningen ontbreken niet, en het skinhead-blaadje Hou Kontakt blijkt op op financiele steun van Janmaat te kunnen rekenen. Op 7 januari van dit jaar noteerde Kooiman: 'Bij de Purmerendse lijsttrekker thuis benadrukt Van der Grind dat hij nou eindelijk toch wel eens geld van Janmaat wil ontvangen - voor de postzegels voor het blad Hou Kontakt.’ Dat zijn natuurlijk leuke dingen voor rijksaccountants.
Zo zijn er inmiddels heel wat emmers modder over het fatsoenlijke blazoen van de Centrumdemocraten uitgegoten. De discussie over duiding en aanpak van extreem-rechts begint onder invloed van de toenemende ernst van de situatie te verschuiven. Het verschijnsel heeft in tien jaar tijd diep wortel geschoten in de Nederlandse samenleving. Dat blijkt uit het rapport Extreem-rechts: Aanhang, geweld en onderzoek van Van Donselaar en Buijs, dat deel uitmaakt van een serie onderzoeksopdrachten van de BVD naar aanleiding van de toenemende extreem-rechtse geweldpleging in ons land.
De auteurs deden een aantal verontrustende ontdekkingen, die door gebrekkige registratie van justitie, politie en BVD tot nog toe te weinig aandacht kreeg: 'De gepleegde inventarisatie van racistisch en rechts- extremistisch geweld laat zien dat er in 1992 sprake is geweest van een schrikbarende toename. Het daarop volgende jaar heeft nog een verdere groei laten zien. Bovendien heeft het zich qua karakter ontwikkeld: het aantal bedreigingen en vernielingen is absoluut en relatief toegenomen, de doelwitten zijn meer politiek gekleurd en bij meer voorvallen was sprake van een rechts-extremistische achtergrond.’
De auteurs laten zien dat het aantal gewelddadige voorvallen (bekladdingen niet meegerekend) van 29 in 1991 opeens steeg naar 189 in 1992 en 278 in 1993. Zij koppelen dit verschijnsel slechts indirect aan de CD, CP'86 en aanverwante 'spookpartijtjes’, die geen machtsfactor in de samenleving vormen zolang ze niet over een betrouwbare infrastructuur of competent personeel beschikken en steeds weer door interne conflicten worden verscheurd. Veeleer maakt hun electorale groei deel uit van omvattender processen waaraan ook de andere partijen deel hebben: 'Vooraanstaande politici van gevestigde politieke partijen kiezen de laatste jaren voor een andere toonzetting en een (gedeeltelijk) andere stellingname ten aanzien van het “buitenlanders-vraagstuk”. (…) Welk politiek oordeel men hierover ook heeft, vastgesteld kan worden dat deze ontwikkeling door een deel van de kiezers geinterpreteerd wordt als een tendens tot politieke acceptatie van vroeger verguisde denkbeelden.’
Desgevraagd verklaart Buijs dat hij huiverig is voor een onomwonden verbod van georganiseerde vormen van racisme: 'Ik heb de neiging om een deel van de schuld voor het racisme te leggen bij het beleid - of het gebrek daaraan - van de Nederlandse overheid en ook van de poltieke partijen, die de strijd met extreem-rechts uit de weg zijn gegaan. Een verbod komt mijns inziens neer op het ontwijken van politieke discussie en van een aantal dringende problemen in de samenleving.’
Van Donselaar is daarentegen al jaren een verklaard voorstander van verbod. Extreem-rechtse partijtjes hebben volgens hem ernstig te lijden (en spatten regelmatig uit elkaar) onder de druk van een verbodsdreiging. Bovendien gaat er een preventief effect van uit. In zijn proefschrift Fout na de oorlog betoogde hij dat het juridisch taboe op racisme en fascisme sinds de Tweede Wereldoorlog een belangrijke bescherming biedt tegen de publieke acceptatie ervan, en tegen navenante vormen van geweldpleging.
Een geheel andere mening is de Utrechtse jurist Erik Jan Bolsius toegedaan. In zijn rapport Racistische partijen met recht verbieden van vorige week komt hij tot de slotsom dat er alle reden is om CD, CP'86 en ANS een wettelijk verbod op te leggen. Hij ontleent een belangrijk argument aan het internationale verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie (afgekort CERD) dat Nederland in 1966 heeft ondertekend. Artikel 4 van deel 1 van dat verdrag verplicht de ondertekenaars tot het verbieden van organisaties die discriminatie in de hand werken. In Nederland bestaat er bovendien een goede verbodsmogelijkheid omdat elke politieke partij ingevolge de kieswet een rechtspersoon moet zijn. Met de uitleg van het begrip 'openbare orde’ die Justitie in Nederland hanteert (waarbij rassendiscriminatie uitdrukkelijk wordt genoemd) moet een verbod af te dwingen zijn. Artikel 2:20 van het Burgerlijk Wetboek biedt de mogelijkheid om een rechtspersoon die handelt in strijd met de openbare orde te verbieden en ontbinden. Ook voor Bolsius staat vast 'dat er daarnaast maatschappelijk ook nog veel moet gebeuren om een einde te maken aan de problematiek die achter het bestaan van deze partijen schuilgaat’.
Maar Nederland heeft geen keus: het handelt in strijd met zijn verdragsverplichtingen als het niet overgaat tot een verbod.