Vooruitlopen op de val van het kabinet

Hoe lang nog?

Het CDA houdt zich nog op de vlakte; de VVD begint het geduld met de LPF te verliezen. Welke coalitiepartner durft een einde te maken aan dit kabinet? En wie kan de zwevende kiezer terughalen?

Wie dacht dat het kabinet-Balkenende afgelopen vrijdag tot in de kleine uurtjes zou vergaderen over het heetste hangijzer van de politieke agenda, te weten de toetreding van tien nieuwe lidstaten tot de Europese Unie, kwam bedrogen uit. Het standpunt van CDA-buitenlandminister De Hoop Scheffer dat alle nieuwkomers zonder veel bezwaar konden toetreden, stuitte op hevig VVD-verzet. Daarom werd de besluitvorming uitgesteld tot na de begrafenis van prins Claus. In plaats daarvan kregen de LPF-ministers een college staatsrecht van een van Balkenendes topambtenaren, Rob Visser. De overige ministers zaten erbij en keken ernaar.

De Volkskrant had de primeur van dit nieuwtje. Volgens een verslag uit de tweede hand dat de krant de volgende ochtend afdrukte, stelden de LPF-ministers onder meer de volgende veelzeggende vragen: «Als je met de kamerfractie en de bewindslieden uit de partij wilt stappen, hoe moet dat dan?» en: «Als ik de steun van mijn fractie niet meer heb, kan ik dan als minister aanblijven?» Het artikel vermeldt niet of de overige bewindslieden een beroep deden op Vissers expertise. Waarschijnlijk waren hun vragen van het onuitsprekelijke soort als: «Hoe ga ik om met wild geworden vastgoedmakelaars?», «Hoeveel LPF-fracties zou Pim gewild hebben?» of gewoon: «Hoe lang nog?»

Voor de VVD was de maat vorige week al vol. Vice-fractievoorzitter Frank de Grave liet weten dat de onenigheid in de LPF afgelopen moet zijn omdat een politieke breuk anders onafwendbaar wordt. Zijn voorman Gerrit Zalm liet zich zondag in Buitenhof nog harder uit naar aanleiding van de voortdurende wrijving tussen de LPF-ministers Bomhoff en Heinsbroek: «Als de regering niet in staat is te regeren, dan moet ze ophouden. Twee ruziënde ministers die elkaars bloed wel kunnen drinken, daar kan geen kabinet mee voortbestaan.» Ook accepteert Zalm geen nieuwe scheuring in de LPF-fractie meer: «Dan hebben we echt een probleem.»

Van schrik kwamen LPF-bewindslieden dezelfde avond op een geheime locatie bijeen voor een gespreksmarathon over de kwestie Bomhoff-Heinsbroek. Na afloop konden de ministers nog steeds niet samen door één deur. Het wachten is op het ogenblik dat die deur definitief dicht gaat. In Den Haag wordt al druk gespeculeerd over de vraag welke partijen garen spinnen bij de déconfiture van de LPF. Mochten er vervroegde verkiezingen komen, wie kan dan de zwevende kiezer «terughalen» en welke coalities zullen er straks mogelijk zijn?

Aan dit alles gaat één vraag vooraf: welke coalitiepartner durft een einde te maken aan dit kabinet? De LPF zal het zelf niet doen, want de nazaten van Fortuyn zijn het minst gebaat bij een breuk. In de jongste peilingen staat de partij op vier tot zeven zetels en het is onwaarschijnlijk dat vice-premier Bomhoff en consorten (wie dat momenteel ook mogen zijn) met hangende pootjes zullen terugkeren naar hun kamerzetels met het risico dat ze bij een nieuwe verkiezingsronde worden weggevaagd. De vragen die zij vrijdag aan Visser stelden zijn instructief omdat ze aangaven tot welke noodsprongen de LPF-ministers bereid zijn om dit kabinet, of toch ten minste hun eigen ministerszetel, in stand te houden.

Blijven over: CDA en VVD. Voor beide partijen moet het verleidelijk zijn met dit kabinet te breken en de electorale winst te incasseren, maar dat is om allerlei redenen nog geen uitgemaakte zaak. Het CDA zit voor het eerst sinds acht jaar weer in de regering en wil die positie niet meteen opgeven. In CDA-kringen wordt gezegd dat Balkenende de snelle val van zijn kabinet als een persoonlijke nederlaag zou ervaren. De VVD heeft een zwaar stempel op het regeerakkoord gedrukt en zal zich wel tweemaal bedenken alvorens al die mooie plannen bij het vuilnisvat te zetten.

Verder geldt in ons land sinds de nacht van Schmelzer de gulden regel: «Wie breekt, betaalt.» De gedenkwaardige breuk met het rooms-rode kabinet-Cals in 1966 kostte de toenmalige KVP haar riante positie in de Kamer. Bij de daarop volgende verkiezingen verloren de gezamenlijke christelijke partijen zelfs hun traditionele kamermeerderheid. En Schmelzers nacht was nog om andere redenen gedenkwaardig: hij was het begin van een tijdperk van polarisatie, gedomineerd door sociaal-democraten en liberalen onder aanvoering van respectievelijk Den Uyl en Wiegel.

Ook de VVD kreeg een terugslag toen deze partij in 1989 het tweede kabinet-Lubbers liet vallen over de automatische belasting aftrek voor automobilisten, beter bekend als het reiskostenforfait. De VVD-ministers Nijpels en Smit-Kroes waren voor afschaffing, maar binnen de VVD-kamerfractie veroorzaakte de maatregel een regelrechte opstand. Dankzij een VPRO-microfoon op de revers van VVD’er Frank de Grave kon heel Nederland meegenieten van zijn doortastende optreden in het beslissende kamerdebat, tot en met de woorden waarmee hij zijn weifelende voorman Joris Voorhoeve naar het spreekgestoelte joeg: «Doorzetten Joris. Kom op, naar voren!» Die breuk kostte de liberalen vijf van hun 27 zetels. Erger nog: in de aansluitende formatie ruilde Lubbers de VVD in voor de PvdA.

Maar gaat de gulden regel onder de huidige omstandigheden nog wel op? «Het is niet meer dan een empirische regel», zegt politicoloog Philip van Praag. «En er zijn uitzonderingen. De PvdA heeft bijvoorbeeld in 1982, op het hoogtepunt van de economische malaise, een kabinetscrisis geforceerd over het werkgelegenheidsbeleid. Niettemin herstelde die partij zich uitstekend (van 44 naar 47 zetels — ab) omdat het ging om een herkenbaar punt waarop de sociaal-democraten uitstekend campagne konden voeren. Het is dus niet waar dat je automatisch betaalt voor een breuk met je coalitiepartners. Het hangt ervan af op welk punt je dat doet en of je die kwestie goed kunt uitleggen aan de kiezer.»

De LPF zal alvast niet breken, meent Van Praag: «Die is de wanhoop nabij en heeft alles te verliezen bij een breuk. Tegelijk geeft de LPF de twee andere regeringspartijen bijna dagelijks reden tot een kabinetscrisis. Een breuk met dit gezelschap is heel goed aan de kiezer uit te leggen, ook aan mensen die in mei op de LPF hebben gestemd. De vraag is wanneer zij de tijd rijp achten, en dat hangt dus af van de interne discussie bij CDA en VVD.» Van Praag kan zich voorstellen dat de VVD het kabinet laat vallen over een Europese kwestie, bijvoorbeeld de «big bang», het plan om tien Oost-Europese landen vrijwel simultaan tot de EU te laten toetreden. De VVD kan zich goed profileren door zich af te zetten tegen de ondoorzichtige Europese besluitvorming en de verwatering van de interne markt.

Het CDA draait de duimschroeven minder hard aan dan de VVD. Fractieleden zeggen achter de schermen dat ze het nog een paar maanden met de LPF willen aanzien. Fractievoorzitter Maxime Verhagen laat via zijn voorlichter weten de LPF-ruzies te beschouwen als een «binnenbrand die binnen de partij zelf geblust moet worden». Van Praag vindt die terughoudendheid onbegrijpelijk: «Nederland krijgt door de LPF-ruzies het aanzien van een bananenrepubliek en dat slaat onvermijdelijk terug op Balkenende. Hij geniet nu nog vertrouwen, hij heeft nog niet de tijd gehad om grote fouten te maken en kan de kiezers zonder veel gezichtsverlies vragen om een tweede kans, maar in de komende maanden kan zijn gezag snel afbladderen. De CDA-achterban vindt het stuitend wat er in de LPF gebeurt. Hoe langer Balkenende wacht, hoe meer hij wordt geassocieerd met dat wangedrag. En des te groter wordt de kans dat de oppositie — vooral de PvdA — haar draai heeft gevonden. Het CDA heeft nu nog niet zo veel te vrezen van de PvdA, die een machteloze, in zichzelf gekeerde indruk maakt.»

Een andere reden voor het CDA om snel met dit kabinet te breken, is volgens Van Praag de uitwerking van de pijnlijke maat regelen die in het regeerakkoord worden aangekondigd. Die pijn wordt nu nog niet gevoeld, over een jaar wel. Als de chaotische taferelen in politiek Den Haag aanhouden, zal menigeen zich afvragen waarom die offers van de samenleving worden gevraagd. «De afschaffing van de Melkertbanen in het onderwijs en de zorg heeft pas volgend jaar effect», zegt Van Praag, «maar dan zal de publieke ondersteuning snel afnemen en daardoor zal het CDA een deel van zijn elec toraat wegjagen.»

Afgelopen week kregen we een voorschot op die maatschappelijke onrust. Arcares, de koepel van de 1650 Nederlandse zorginstellingen, liet weten dat het schrappen van de Melkertbanen in haar sector dramatische gevolgen zal hebben. Directeur M. Rompa riep haar leden op zich te verzetten tegen gemeentelijke maatregelen die vooruitlopen op de formele afschaffing per 1 januari 2003. Eigenlijk was er sprake van een omgekeerde oproep, zegt Rompa tegen De Groene: «Tal van instellingen hebben er bij mij op aangedrongen om aan de bel te trekken. Er werken zesduizend melkertiers in de verpleeg- en verzorghuizen en die kunnen we niet missen, ze zijn de smeerolie in de machine. De maatregel is gewoonweg niet uit te leggen. Het is een bezuiniging van Sociale Zaken die lijnrecht in tegenspraak is met alle voornemens van Volks gezondheid om een groter volume en meer kwaliteit in de zorg te bieden.»

Paul Lucardie, directeur van het Documentatiecentrum Nederlandse Politieke Partijen in Groningen, heeft meer begrip voor de terughoudendheid van het CDA. Hij is eerder verbaasd over de harde houding van de VVD: «Het is een unieke situatie voor Nederland. Een coalitie met een volstrekt nieuwe partij, ds’70, hadden we in 1971 al. Dat ging ook na een jaar mis. ds’70 werd uit het kabinet gegooid, maar niet omdat de partij verdeeld was. Het probleem met de LPF is dat het zo’n onzekere factor is. Formeel is die partij niet eens opgericht. Volgens de wet is een vereniging pas volwaardig als zij een ledenvergadering heeft gehouden waarin de statuten en reglementen zijn vastgesteld. Maar de conflicten binnen de LPF zijn zuiver persoonlijk. Er zijn nog geen vleugels die zodanig met elkaar overhoop liggen over het beleid dat een kabinetscrisis onvermijdelijk wordt.»

En het CDA zit voorlopig goed, meent Lucardie: «Het beschikt nu over een comfortabele meerderheidspositie en het leidt een regering met een ambitieus programma. Dat geef je niet zomaar op. Als er binnen de kortste keren nieuwe verkiezingen komen, staat het CDA misschien buitenspel omdat deze coalitie haar meerderheid verliest. De VVD kan dan achterover leunen terwijl het CDA heel vervelende keuzes moet gaan maken. De VVD heeft het meest te winnen bij een breuk. Ze kunnen een aantal punten van de LPF overnemen, zoals een restrictief vreemdelingenbeleid, en een vleugje euroscepsis in de trant van Bolkestein. Verder hoeven ze niet zo veel te doen om de winst binnen te halen. Dat kunnen ze met een gerust hart aan de LPF overlaten.»

«De VVD heeft het meest baat bij breken», zegt ook VU-politicoloog André Krouwel. Hij gaf het kabinet-Balkenende bij zijn aantreden twee jaar omdat het, op instigatie van Zalm, alle belangrijke beslissingen twee jaar had uitgesteld. Krouwel: «Wetswijzigingen duren al gauw anderhalf jaar, en belangrijke beleidswijzigingen, zoals de afschaffing van het kwartje van Kok, zijn in het regeerakkoord vooruitgeschoven. Die ‹stage› voor de LPF is door de VVD in het regeerakkoord ingebracht. Daarom ontstond er meteen heibel toen Wijnschenk bij de algemene beschouwingen over het kwartje van Kok begon. Maar mijn voorspelling dreigt in rook op te gaan, ik had geen rekening gehouden met het volkstoneel dat we nu in de Trêveszaal zien.

Het CDA zal de boel niet opblazen, de christen-democraten zijn veel te blij dat ze na acht jaar weer op het pluche zitten. De VVD heeft de sleutel in handen en zal een mooi profileringsmoment afwachten. Europa is geen goed issue, want dat interesseert niemand en het is niet gemakkelijk in een campagne neer te zetten. De VVD zoekt naarstig naar iets beters om zich zowel tegen de LPF als tegen het CDA af te zetten, bijvoorbeeld op het gebied van het asielbeleid of de lastenverlichting.»

Een complicerende factor in alle berekeningen is de structurele verandering van het Nederlandse electoraat. Krouwel: «Er is sinds mei in Nederland werkelijk iets veranderd. Het electoraat verliest zijn vertrouwde structuur van de afgelopen honderd jaar, gebaseerd op klasse en religie. Onderwerpen en persoonlijkheden zijn belangrijker geworden. Het politieke entrepreneurschap is terug van weggeweest, de kiezer gaat eindelijk kiezen. Dat is een probleem voor de oude massapartijen die uitgaan van automatische keuzes. Mensen wegen tegenwoordig hun stem en gaan de ene keer wel, de andere keer niet naar het stemhokje. Daardoor worden de verschuivingen steeds groter. Na vele tientallen jaren van stabiliteit heeft het Nederlandse electoraat naar Europese verhoudingen een hoge ‹volatiliteit›, zoals we dat in het vak noemen.»

Nu het stof rond de laatste verkiezingen is neergedaald, constateert ook Van Praag dat het electoraat duidelijk is veranderd: «Er is meer cynisme jegens politici en partijen, minder vertrouwen in oplossend vermogen van de overheid. Dat is een trend in heel Europa. Partijen die geassocieerd worden met de overheid, de staat en de Europese integratie zullen grote problemen krijgen. Een deel van de kiezers vertrouwt geen enkele overheid meer. Stringent overheidsoptreden is steeds moeilijker te verdedigen, behalve op het terrein van de veiligheid. Bij volgende verkiezingen zal de opkomst dan ook een flink stuk lager zijn, misschien wel tien procent.»

Ook tegen deze achtergrond bezien heeft het CDA het meest te verliezen bij een breuk. De VVD is in zekere zin een spreekbuis van het wantrouwen jegens de overheid, terwijl de christen-democraten evenals de PvdA van oudsher een groter vertrouwen stellen in de staat en collectieve arrangementen. Krouwel: «Het CDA is van oudsher gebouwd op een maatschappelijke coalitie van arm en rijk, verbonden door de religie. Maar dat ‹natuurlijke› electoraat, ooit goed voor een absolute meerderheid, is geslonken tot twintig procent. Lubbers was de laatste die de kloof kon overbruggen. Balkenende denkt dat hij een nieuwe coalitie kan bouwen op basis van zijn normen-en-waarden-vertoog, een soort seculiere vertaling van de christelijke heilsleer. Maar dat vertoog blijft te vaag en het is te negatief, het blijft beperkt tot antigedogen. Daar win je geen verkiezingen mee.»