Lachen om Faverey

Hoe lees ik een gedicht

Hoe we poëzie lezen, wordt in de eerste plaats bepaald door wat we wíllen lezen. We willen verbazing, herkenning, bevestiging, wijsheid, plezier. We willen kunnen lachen om Hans Faverey.

Een van mijn meest intense poëzie-ervaringen verliep ongeveer als volgt: zij, het mooiste meisje van de wereld, zit te lezen, en ik kijk naar haar. Zij leest in de Verzamelde gedichten van Hans Faverey, en ik kijk, bewonderend natuurlijk, hoe zij de bladzijden omslaat. Ergens in het boek begint ze te grinniken. Bladzijde omslaan, weer grinniken. Volgende bladzijde, weer, en nu iets harder, grinniken. Twee gedichten verder begint ze te schaterlachen. De tranen lopen over haar wangen, ze snottert van het lachen. Als vanzelf lach ik mee: de aanblik van dat serieuze boek met dat lachende meisjesgezicht erboven is onweerstaanbaar.

De betere poëziekenner, de poëziesnob, zou dit blasfemie vinden. Hans Faverey is een serieus dichter, en om zijn werk lachen is not done. Vindt men. Wie lacht om een Faverey-gedicht heeft er niets van begrepen.

Het leuke is dat de lezeres in kwestie er juist alles van begrepen had. En de gebeurtenis toont mooi aan hoe het lezen van poëzie in zijn werk gaat.

Alle lezen is lezen met voorkennis. Zonder voorkennis is het niet mogelijk poëzie te lezen, laat staan te begrijpen, laat staan ervan te genieten. Dat is een van de doelen die de poëzielezer nastreeft: genieten. De beste en meest ervaren poëzielezer van Nederland, Kees Fens, omschreef de geestestoestand waar de poëzielezer op hoopt als «zelfonteigening die zelfbevestiging is; ontleding die vervulling is; tijdelijkheid die zich vereeuwigt; verdwijnen dat een aankomen is». Voor minder doen we het niet. We willen dat onze moeite beloond wordt.

In dit geval weten we, of kunnen we weten, dat Hans Faverey wordt beschouwd als een van de meest hermetische dichters uit de Nederlandse literatuur. Zijn poëzie is uiterst geconcentreerd, dat wil zeggen dat er een grote hoeveelheid betekenis(sen) in een relatief kleine hoeveelheid tekst zit. Elk woord is zwaar, lijkt het, omdat het een enorme lading draagt. Elk woord maakt de indruk een samengebalde zin, of zelfs een samengebald verhaal te zijn.

Een willekeurig Faverey-gedicht laat dat zien:

Het wak naderend.

Dat zich verwijdert.

Geen bevriezingen; geen

status quo. Ik ver-

plaats mij naar

de rand van de kaart.

Het is niet onbelangrijk dat we weten dat dit een gedicht is van Hans Faverey. Daarom nemen we het serieus.

Ook al wisten we de herkomst niet, dan nog zouden we dit gedicht kunnen begrijpen. Daar moeten we wel moeite voor doen, maar dat doen we graag. We zijn hier tenslotte poëzie aan het lezen.

Dit is een gedicht over poëzie, over taal, over werkelijkheid, en over het zelf. Drie witregels in een gedicht van negen. Dat is niet mis. Als we «gewoon» lezen wat er staat, zien we een bevroren water voor ons, waarop misschien een man staat of loopt. Er is een wak, een opening in het ijs. Als hij het wak nadert, verwijdert dat zich: er is geen stilstand. Hoe bevroren de wereld ook is, er zijn geen bevriezingen, niets is vastgezet door de vorst. Alles is in verandering, van een status quo kan geen sprake zijn. De verteller, het lyrisch subject, verplaatst zich. Hij gaat naar «de rand van de kaart». De kaart is wat de wereld ordent en uitlegt, aan de hand waarvan je je weg kunt vinden. Aan de rand van de kaart, op de grens van het begrijpelijke en het niet meer begrijpelijke, is misschien iets te vinden dat houvast kan bieden.

Dit gedicht gaat over de woorden en de dingen en het verband daartussen. De ik is de dichter, die zichzelf ervaart als een ongrijpbaar subject: niet te begrijpen, niet te beschrijven. Steeds veranderend. De kaart is de taal, het instrument waarmee hij de wereld tegemoet moet treden, waarmee hij de wereld moet zien te begrijpen. De metafoor van de kaart houdt in dat de dichter zich naar de uiterste rand van de taal moet begeven, om daar te zoeken naar de eventuele mogelijkheid om het onzegbare te zeggen.

Dat het woord «verplaats» wordt afgebroken na ver- is natuurlijk geen toeval. Dat daarna ook nog eens een witregel komt, evenmin. Tussen «ver-» en «plaats» heeft de dichter een enorme kloof gecreëerd, alsof hij wil zeggen dat de ik nooit «zijn» plek kan bereiken, nooit in de buurt kan komen van wat zijn plaats, zijn wezen, zijn eigenheid is. Het zijn drie woorden, eigenlijk, gescheiden door een zee, een bevroren zee van wit: ik — ver — plaats. Mijn plek is ver van mij verwijderd. Wie ik ben weet ik niet, maar ik blijf zoeken.

Dichten is hier een poging de wereld te begrijpen, te ordenen, vat te krijgen op de werkelijkheid, die ten diepste onbegrijpelijk is. Het instrument daarvoor is de taal, dat is het enige instrument dat de dichter heeft. Maar door die te gebruiken, door de dingen te beschrijven, door een wak van woorden te slaan in het ijs van de realiteit, verwijdert hij die juist van zich. Taal haalt de werkelijkheid dichterbij, en duwt haar tegelijkertijd verder en verder weg.

Jan Wolkers schreef een inleiding bij Het mooiste gedicht: De favoriete gedichten van Nederland en Vlaanderen. Het boek werd uitgegeven aan de vooravond van de Nationale Gedichtendag 2000, waarop het Nederlandse volk zijn Dichter des Vaderlands koos en zijn tien favoriete gedichten. NRC Handelsblad en Poetry International werkten mee aan de samenstelling en uitgave van het boek, dat een mooi beeld geeft van de Nederlandse smaak.

Wolkers beschrijft zijn levenslange band met de Nederlandse poëzie. Opgevoed in een oudtestamentische sfeer kon het niet anders of hij zou de rest van zijn leven alles wat rijmde onthouden. En ook wat niet rijmde maar wel dichtte: «De poëzie, die zich in die duistere oorlogsjaren in mijn wezen heeft afgezet als blinkende kristallen, is me mijn hele leven bijgebleven, ook al keken de meesten van mijn vrienden na hun puberteit geen gedichtenbundel meer in. Ik had het al gelezen bij Du Perron, dat de poëzie naakt en ongekromd een tijdverdrijf is voor enkele fijne luiden.» Wolkers heeft een hoofd vol gedichten en dichtregels, die, onaangekondigd, in bepaalde situaties opborrelen en zijn «herinnering binnenstuiven als een gezwinde grijsaard op wakk’re wieken of als poortwachters die op gouden horens blazen».

Zo vergaat het vele poëzielezers: er zijn nu eenmaal regels die ervoor zijn gemaakt om niet vergeten te worden. Zonder je best te doen om ze te onthouden, sla je ze als vanzelf op in je geheugen, waar ze rustig blijven liggen tot de omstandigheden ze aanroepen. Omdat ze nodig zijn. Omdat ze bij de situatie passen. Omdat ze horen bij de specifieke context van dat moment. Wie heeft nooit gedacht, met J.C. Bloem in de hand: «Altijd november, altijd regen. Altijd dit lege hart, altijd», wanneer het inderdaad regende, en dan hoefde het niet eens november te zijn. Het novembergevoel, daar gaat het om.

Dat is wat poëzie ook voor ons doet: het verbeeldt een gevoel. Daarom zijn sommige gedichten bekend bij zo veel mensen: omdat bepaalde gevoelens universeel zijn. Poëzie lezen is dan herkennen, of vastgelegd zien wat we zelf al wisten maar (nog) niet konden verwoorden.

Wat willen we van een gedicht? Waar zoeken we naar? Hoe lezen we eigenlijk poëzie? We willen: ontroering, verbazing, herkenning, inzicht, bevestiging, kennis en wijsheid, plezier. We willen misschien een ervaring van schoonheid, van intellectuele schoonheid desnoods. Want alleen ontroering is niet genoeg. Dan zou Vriend van Toon Hermans wel zijn gekozen als het favoriete gedicht van het Nederlandse volk.

Het Nederlandse volk koos echter Herinnering aan Holland van Hendrik Marsman als favoriet gedicht.

Denkend aan Holland

zie ik brede rivieren

traag door oneindig laagland gaan,

rijen ondenkbaar

ijle populieren

als hoge pluimen

aan den einder staan;

en in de geweldige ruimte verzonken

de boerderijen

verspreid door het land,

boomgroepen, dorpen,

geknotte torens,

kerken en olmen

in een groots verband.

De lucht hangt er laag

en de zon wordt er langzaam

in grijze veelkleurige

dampen gesmoord,

en in alle gewesten

wordt de stem van het water

met zijn eeuwige rampen

gevreesd en gehoord.

Die keuze is opvallend. Alsof een mild gevoel van chauvinisme het wint van de behoefte aan herkenbaar verwoorde gevoelens. Herinnering aan Holland is een gedicht zonder «ik», zonder lyrisch subject. Het beschrijft alleen, het toont. Anders dan in veel Marsman-poëzie is hier het landschap de hoofdpersoon, die op een mijmerende toon en zeer sfeervol wordt beschreven.

Als we het gedicht hardop lezen, horen we een aangenaam ritme, ietwat loom en berustend, maar tot het einde toe dwingend. Lees maar eens langzaam: «de lucht hangt er laag/ en de zon wordt er langzaam/ in grijze veelkleurige/ dampen gesmoord,/ en in alle gewesten/ wordt de stem van het water/ met zijn eeuwige rampen/ gevreesd en gehoord.»

De klanken in dit gedicht hebben een duidelijke functie; ze voegen betekenis toe aan het geheel. Wie poëzie leest, is voortdurend op zoek naar betekenissen. Op verscheidene niveaus. Eerst zien we wat er staat, en we vragen ons af of dat het enige is of dat er misschien méér staat dan er staat. Het is per slot van rekening poëzie; we zitten hier geen proza te lezen. Een gedicht kan wel een verhaal vertellen, hoe beknopt ook (denk aan Herfst van Bernlef: «1000 dorre bladeren voor mijn deur/ brengen mij op niet 1 gedachte»), maar als dat het enige is, had het net zo goed in proza geschreven kunnen worden. De dichter kiest niet voor niets voor deze vorm. Dat is ook de grote kracht van poëzie: meer betekenis ontlokken aan de taal dan in het normale gebruik wordt gedaan. Poëzie schrijven — en lezen — is een onderzoek naar het wezen en de waarde van de taal, naar de aard van de woorden, hun kracht en hun zwakte.

Marsman roept in Herinnering aan Holland met weinig woorden een buitengewoon sterke sfeer op. Dat doet hij vooral door het ritme van de zinnen, de combinatie en rangschikking van klanken, en door rijm. Assonantie, binnenrijm werkt hier heel goed.

«traag door oneindig laagland gaan» — het is alsof de woorden worden uitgerekt, je kunt ze eigenlijk niet snel lezen. De dichter dwingt zijn lezer hier om de taal langzaam te laten stromen, om de woorden traag te laten stralen, en ze alle tijd en ruimte te geven. Net als bij: «en in de geweldige/ ruimte verzonken/ de boerderijen/ verspreid door het land». Het woord «verzonken» klinkt hier als een holte, als iets dieps. Die donkere, bijna galmende ô-klank is bepalend voor de sfeer van het hele gedicht: hij zit in «Holland», in «oneindig», «ondenkbaar», «dorpen», «geknotte torens», «olmen» en «zon». Die olmen hadden geen beuken kunnen zijn, of iepen, of wilgen. Dergelijke smalle, lichte klanken horen bij de populieren. We zien het voor ons: een onmetelijke vlakte, laag land, maar aan de horizon tekenen enkele dunne bomen zich af. We zien «rijen ondenkbaar/ ijle populieren/ als hoge pluimen/ aan den einder staan». Dat zijn lichtere klanken, ij, ie en ui, die horen bij de pieken die boven de enorme, nevelige weilanden uitsteken.

De kracht van dit gedicht zit natuurlijk voor een groot deel ook in de herkenbaarheid ervan. Het beeld dat de dichter ons voorschotelt, kennen we allemaal, en dat gevoel van herkenning is al een deel van de waardering. We hebben ook het gevoel dat hier iets méér wordt gezegd dan er staat, en dat prikkelt onze nieuwsgierigheid, en onze drang om verder te lezen, en verder te denken.

Een landschap beschrijven kunnen veel dichters, en doen ook veel dichters. Eerlijk gezegd zouden we niet warmlopen voor een doordeweekse presentatie van een Hollands landschap, hoe schilderachtig ook. In dit gedicht wordt blijkbaar iets toegevoegd, of iets meer verteld dan we in eerste instantie zien. Anders zouden we het niet «mooi» vinden, anders zouden we het niet nog een keer gaan lezen. Want we hebben het gevoel dat er iets te ontdekken is in het gedicht.

Bij een volgende lezing, opnieuw langzaam, vallen ons andere woorden op dan daarnet. In het centrum van het gedicht staat dat de boerderijen, de plaats waar mensen wonen (de enige verwijzing naar menselijk leven), verspreid zijn over het land. Ze zijn afgezonderd van elkaar, de mensen leven niet samen. Drie regels verder brengt de dichter ze echter bijeen: er is een groter verband, er is een «groots verband»: want «in alle gewesten/ wordt de stem van het water/ met zijn eeuwige rampen/ gevreesd en gehoord.»

Het water heeft een stem, die iedereen kan horen. In Holland heeft men altijd, eeuwig, gevochten tegen het water. De zee bracht rampen over de mensen, in wie de angst voor het water, en voor het onheil dat het kan brengen, diepgeworteld is. Die angst verbroedert in zekere zin, of brengt in elk geval een «verband» aan tussen de op het eerste gezicht niet-verbonden dingen. We wonen allemaal onder dezelfde hemel, we leven allemaal op en van hetzelfde land, en we kennen allemaal de stem van het water, waarvoor we immer op onze hoede zijn.

Herinnering aan Holland werd gepubliceerd in 1938, een jaar waarin men in Holland wel behoefte had aan een gevoel van saamhorigheid en verbondenheid. Zonder te vervallen in kitscherig chauvinisme of overdreven trots heeft Marsman met dit gedicht de Nederlanders op dat moment iets geschonken dat menigeen misschien een hart onder de riem heeft gestoken. Ook dat kan een gedicht bewerkstelligen, blijkbaar.

Het gedicht van Hans Faverey waar het mooiste meisje van de wereld zo om moest lachen komt uit zijn eerste bundel, Gedichten (1968):

Ai!

een knikker.

En kijk daar:

een kneder van poppen.

Hij kneedt poppen. (Poppen

worden door hem gekneed).

De poëziesnob zou hier nooit om kunnen lachen. Dat bewijst maar weer dat kennis, voorkennis, een lezing ook kan hinderen. In een poging, naar aanleiding van de publicatie van Favereys nagelaten gedichten, het oeuvre van de meester kritisch en onbevangen te benaderen, schreef de dichter Ilja Leonard Pfeijffer: «Voor humor en ironie ben je bij Faverey aan het verkeerde adres, want nihilistisch zwijgen is een serieuze zaak. Je moet ernstig koorddansen op dungesponnen draden van intellectualistische aarzelingen en ijle vermoedens. Bij Faverey word je niet geraakt door angst, woede, de geur van wildbraad, verdriet, wellust of klotsende woorden.»

De moed zinkt je in de schoenen.

Van ontroering kan geen sprake zijn bij deze gedichten, denk je dan. Daarvoor is in de eerste plaats herkenbaarheid nodig: herkenbaarheid van gevoelens, van decor. Die is hier nauwelijks. Dit gedicht is abstract.

Toch moest het meisje er om grinniken. Ze was blijkbaar in staat zich niet te laten hinderen door oordelen en vooroordelen over Faverey, en onbevangen te lezen. Op haar manier. Dus moest ze lachen. Ze zei dat dat kwam doordat de woordconstructies van de dichter haar verrasten. Deze poëzie, die bekendstond om zijn «moeilijkheid», gaf haar de slappe lach. Waarom? Iemand die struikelt op straat, is dat grappig? Je wilt niet lachen, maar het gebeurt. Faverey wrikt de stoeptegels van de taal los. En wij zien hoe hij vervolgens struikelt. Faverey struikelt geweldig, beheerst ook, zoals iemand die struikelt nog een huppeltje maakt om te verbergen dat hij struikelde — het struikelen verheven tot kunst. Ha!

Hoe we een gedicht lezen, wordt in de eerste plaats bepaald door wat we willen lezen. Waarnaar we op zoek zijn, waar we op hopen. Wat we met het gedicht willen doen, en wat we het gedicht met ons willen laten doen. Ons losmaken van het hier en nu? Ons raken? Verbazen? Schokken? Doen lachen?

Alles een beetje. Ieder op zijn eigen manier.