Beeldvormingscampagne dreigt mis te lopen

Hoe leuk zijn kut-marokkanen

De zoveelste vorm van betutteling, of dringende noodzaak? De beeldvormingscampagne ‹Hoe leuk zijn Marokkanen?› die vorige week van start ging in Den Haag maakt veel discussie los over de gebruikte methode. «Ik kan het woord Marokkanen niet meer horen.»

De baliemedewerker op het stadhuis van Den Haag probeert welwillend te volgen wat twee mannen in zeer gebrekkig Nederlands hem vragen. Zoals mensen wel vaker de gewoonte hebben als ze elkaars taal niet beheersen, gaat hij steeds harder en nadrukkelijker praten: «Wát wílt u?» Opgelucht lacht hij. «O-o-o-o, u komt voor het boekje Hoe leuk zijn Marokkanen?» Tegen de volgende klant zegt hij goedgemutst: «Ze vliegen weg. Na een week ben ik al door de hele stapel heen. Dat wordt een mooi project.»

De campagne om de positieve kanten van de Marokkaanse gemeenschap te benadrukken, is in Den Haag begonnen met het verspreiden van een boekje waarin tien «modelburgers» van Marokkaanse afkomst met een grote foto en een kort interview zijn geportretteerd. Ze vertellen over hun wensen en ambities en hoe ze denken hun steentje te kunnen bijdragen aan integratie. Het zijn leuke verhalen van aardige mensen. Allemaal dienen ze als integratie ambassadeurs op lokaal niveau. Niet alleen zullen hun vastbesloten gezichten straks op trams en bussen door de stad rijden, ook zal de gemeente met behulp van het boekje en in samenwerking met allerlei instanties de komende maanden vele activiteiten ontplooien. Er moet een levendige dialoog op gang komen tussen autochtonen en allochtonen, om te ontsnappen aan de wurggreep van de negatieve beeldvorming over «de» Marokkanen. Er moet maar eens een einde komen aan het vooroordeel dat zij crimineel, agressief en onaangepast — oftewel kut-Marokkanen — zijn. «Want 95 procent doet het goed. De pers draagt schuld aan het clichébeeld van de Marokkaanse gemeenschap», meent Otto van de Sanden (26) van Attacom, het Tilburgse communicatie-reclamebureau dat het project heeft bedacht.

Het idee leek prachtig. Ruim voordat Pim Fortuyn het allochtonenbeleid ter discussie stelde, voelde Attacom dat «er iets mis was met het contact tussen autochtonen en allochtonen en de wijze waarop Marokkanen in de media worden neergezet. Het was alsof er niks leuks is aan die mensen.» Al brainstormend bedacht het zeskoppige team uit Brabant dat er iets moest gebeuren. Ze ontwikkelden een omkeringsstrategie: benadrukken dat Marokkanen eigenlijk heel gewone mensen zijn die naar school gaan en hard werken. Want volgens hen belemmert een eenzijdige benadering een goede integratie. «Wij reiken een strategisch kader en de regie aan, terwijl iedere gemeente in overleg met organisaties, buurthuizen, scholen en politie het programma nader invult. Het gaat niet óver Marokkanen maar het wordt dóór de groep zelf gedragen. De overheid heeft tot nu toe vooral een papieren beleid gevoerd en weinig gedaan aan preventie. Iedereen zit in zijn eigen segment te praten over elkaar. Wij willen dit doorbreken. Daarnaast zal het moeten werken als een spiegel voor de Marokkaanse gemeenschap door goede voorbeelden te tonen. De kracht van deze campagne is dat ze lokaal wordt ingevuld.»

Attacom («De naam heeft niks te maken met de wtc-terrorist Mohammed Atta») bood het plan aan de toenmalige minister voor Grote stedenbeleid en Integratie Roger van Boxtel aan. Hij was er direct enthousiast over. Ook het ministerie van Justitie — op zichzelf een merkwaardig rolbevestigende keuze — liet weten het initiatief te willen ondersteunen. «Inmiddels hebben van de 42 steden die zijn benaderd ruim twintig — waaronder Amsterdam en Ede, waar veel oud zeer zit — besloten mee te doen. Er is ook grote belangstelling getoond vanuit het buitenland», vertelt Van de Sanden geestdriftig: «De bbc wil een documentaire maken. Over aandacht hebben we niet te klagen. De campagne verkoopt zichzelf.»

Hoe dat gebeurt, daarover lopen de meningen uiteen. In de media — volgens Attacom schuldig aan het beroerde imago van het trotse Berbervolk — is niet de achterliggende inhoud onderwerp van discussie, maar stemt de methode van aanpak tot ontevredenheid. Menig columnist schampert erop los: «Het is een sprong terug in de tijd van betutteling van minderheden, ontkenning van de aan immigratie gerelateerde problemen, vervorming van de realiteit en aanpraten van schuldgevoelens over bij autochtonen heersende dogma’s» (Trouw). «Hou op met die ‹leuke› campagnes die eerder stom zijn» (de Volkskrant).

Is dit een Pavlov-reactie die past in het klimaat waarin het politiek correct is geworden om cynisch te zijn over elke vorm van beleid ten aanzien van allochtonen? Of is deze benaderingswijze het zoveelste voorbeeld van een naïeve eenzijdige bezweringsformule waarmee vanuit de wenselijkheid van een swingend multiculturalisme de werkelijkheid wordt gemaskeerd?

«Het is een gigantische wanhoopsdaad», zegt Hafid Bouazza, schrijver van Marokkaanse origine, die de Nederlandse houding beschrijft als in gehurkte zit allochtonen toespreken op kleuterniveau: «Geldverspilling. Een contradictie: je wilt niet dat mensen worden gezien als één gemeenschap en vervolgens benader je ze juist weer als een groep. Het is veredeld welzijnswerk met een Madurodam-mentaliteit van het ergste soort. Het beste zal zijn dat er een jaar lang helemaal niks meer geschreven of gedaan wordt. Ik kan het woord ‹Marokkaan› niet meer horen.»

«Een brevet van onvermogen», meent Paul Adriaansen, als hoofd van het centrum voor management en communicatieonderzoek verbonden aan de Universiteit van Utrecht. «Ik voel me een soort Foster Parents-geval», zei een van de geïnterviewden in het boekje, schrijver Khalid Boudou, vorige week op televisie. Hij heeft een beetje spijt gekregen van zijn deelname aan de campagne: «Ik heb al tegen het bureau gezegd dat mijn hoofd niet gebruikt mag worden op bussen en trams.»

Cross-cultureel psycholoog aan de Rijksuniversiteit Groningen Jan Pieter van Oudenhoven: «Campagnes die gericht zijn op het veranderen van een mentaliteit zijn notoir ineffectief. Het enige wat helpt, is een persoonlijke goede ervaring met iemand over wie je vanuit een groepsbeeld een vooroordeel had. Het beeld van de slechte Duitsers na de oorlog veranderde pas met gewone contacten, waardoor mensen gingen denken: hé, die ene is best aardig; mijn beeld van Duitsers was heel anders. Je kunt eindeloos projecten bedenken, maar het gaat om eerlijkheid en redelijkheid. De rapper van de hit Kut-Marokkanen doet het wel goed. Hij zet zich niet af en gaat speels om met beeldvorming.»

Paul Adriaansen meent op basis van onderzoek naar communicatiecampagnes dat het juist averechts kan werken: «Wanneer je besluit een hele groep onderwerp te maken van een imagocampagne ga je automatisch denken dat het met die mensen wel heel erg zal zijn gesteld. Het heeft iets denigrerends, zowel naar de groep voor wie het stigmatiserend blijft, als naar de bevolking, die kennelijk niet in staat wordt geacht zelf onderscheid te maken tussen goede en slechte Marokkanen. Beide doelgroepen worden niet serieus genomen. Er zijn wel degelijk enorme problemen. Nu lijkt het alsof die helemaal niet bestaan. Je kunt de werkelijkheid zoals die door mensen dagelijks wordt ervaren niet rechtzetten door een luchtkasteel te bouwen. De huidige mediageneratie is bovendien heel goed in staat door het mooie verhaaltje heen te prikken.»

Als voorbeeld van een «goed-nieuws-show» die niet strookt met de werkelijkheid zoals die wordt beleefd, noemt Adriaansen de wervingscampagne van de NS: «Conducteurs vertellen hoe hun droom werkelijkheid is geworden toen ze op de trein gingen werken, terwijl het een grote chaos is bij het spoor en de reizigers uit frustratie het personeel de huid vol schelden. Het heeft iets hilarisch. Zorg er eerst voor dat de problemen worden opgelost, en ga dan in alle rust iets doen om bepaalde beeldvorming te veranderen. In het geval van de Marokkaanse gemeenschap zou ik liever zien dat eerlijk wordt uitgelegd hoe mis het is met sommige jongeren. Van al die gewone, goede mensen wil ik horen hoe erg ze het zelf vinden en dat ook zij lijden onder de slechteriken. De werking van spotlights is sowieso niet goed. Haal het hele onderwerp eens een tijdje uit the picture. Het is ook vreemd dat Justitie zich aan dit project verbindt, terwijl het zelf kampt met een groot capaciteitsprobleem. Mensen die zeggen: baat het niet, dan schaadt het niet, hebben het mis. Het schaadt wel degelijk.»

De politie van Den Haag, een van de partners die vanaf het begin om de tafel hebben gezeten om het project uit te werken, is daarentegen vol lof. Hoofdinspecteur Ruub Petof van het politiecorps Haaglanden — hij noemt zichzelf, met zijn Russische voorouders, een soort allochtoon — vindt dat «we nu eindelijk op de goede weg zijn». Met zijn ruim 25 jaar ervaring binnen de Haagse politie weet Petof als geen ander waar hij over praat. De Marokkaanse gemeenschap in de Schilderswijk kent hij door en door: «De rotte appels in de volle mand vol rijpe, smakelijke appels. Het wordt sinds enkele jaren door de gemeenschap gevoeld als ‹ons› probleem. Het is een kwestie van zoeken naar de juiste partners. Dat is in deze campagne heel goed gelukt. Het geheel appelleert aan de eigen verantwoordelijkheid.»

Petof vindt dat er in de media, inderdaad, veel te veel aandacht is geweest voor de criminele jongens, terwijl het in zijn ervaring juist steeds beter gaat. Hij noemt als voorbeeld het succes van de buurtvaderprojecten — vaders die zichtbaar op straat surveilleren om de kliertjes te corrigeren — en het coachen van individuele gevallen die het in zich hebben om op het slechte pad te raken. Ruub Petof: «Veel jongeren missen een positief rolmodel. Studeren is niet stoer, snel geld verdienen wel. Die wisselwerking kun je keren. Dit project leent zich goed voor jongens die tegen het afglijden aan zitten. Door er boven op te zitten, te praten, succesvolle groepsgenoten als voorbeeld te stellen, zullen ze anders gaan denken over zichzelf en de kansen die ze hebben. De vele gesprekken die we tot nu toe hebben gehad, hebben dat al ruimschoots laten zien. De groep van de draaideurcriminelen zul je er nooit mee bereiken. Die moet je opsporen, aanhouden en voorleiden. In het verleden zijn we niet duidelijk genoeg geweest.»

Het moet natuurlijk te allen tijde van beide kanten komen, zegt de Hagenaar. Maar is dat al die jaren niet juist het probleem geweest? Eenrichtingsverkeer waarbij de Nederlandse gemeenschap zich in bochten wrong om alles te begrijpen? «Welnee», antwoordt Petof monter, en hij vertelt hoe op de jaarlijkse Haagse Schilderswijk Bazar — de allochtone variant op Koninginnedag — de politie zich presenteert vanuit een Berbertent. «Dat is toch hartstikke leuk.»

u