Hoe literair wil je het hebben

Welke inzichten literatuur hem heeft opgeleverd. Het is de vraag die de schrijver krijgt voorgelegd in het boekenprogramma op zondagochtend. Natuurlijk krijgt hij die vraag voorgelegd. Zijn nieuwe roman is zedenschets en kritiek inéén; van en op de literaire wereld welteverstaan. Hoofdpersonage is een redacteur van middelbare leeftijd. Haar zorgenkindje is een bejaarde schrijver, de laatste der mastodonten, van wiens memoires de toekomst van zijn redacteur/uitgeverij afhangt. De bezoekjes aan hem geven de schrijver de gelegenheid via zijn verteller noten te kraken over de stand van de literatuur, het uitgeversvak, de animo om te lezen, de stand van de literaire kritiek. Daar tussendoor zweemt iets etherisch via een confrontatie van de redacteur met een medium, een soort instantgoeroe, die leidt naar kant-en-klare inzichten. De redac-teur wordt hierdoor des te meer gesterkt in haar geloof in en liefde voor de literatuur. Maar wat is het dan eigenlijk, dat belang van literatuur? Ja, Rob van Essen, bedenker van dit alles, goeiemorgen en zeg het maar.

Winter in Amerika is een merkwaardige roman, om maar eens het meest omineuze adjectief van de literaire kritiek erin te gooien. Merkwaardig allereerst vanwege de vertelstem die voor vrouwelijk moet doorgaan. Katja Ouwehand heet de redacteur van dienst, moeder van de volwassen tweeling Laura en Loes, gescheiden van Jan-Maarten die ze nog uit haar studietijd kende, en die haar bedroog met Inge, die ze ook van de studietijd kenden. ‘Mijn strenge redacteur Catootje’ wordt ze door de hoogbejaarde Winter genoemd. Heeft Van Essen een vrouw als hoofdpersonage om de vernederende positie ten aanzien van zo’n schrijver aannemelijker te maken? Of omdat ‘het wereldje’, zowel aan de aanbod- als aan de vraagkant, nu eenmaal wordt gedomineerd door vrouwen? Feit is dat de stem zozeer níet vrouwelijk aandoet dat de roman er des te meer een constructie van wordt, een papieren blik biedt op een papieren wereld.

Medium essen rob van fjodor buis kl
Bij Rob van Essen ligt de lelijke dagelijksheid constant op de loer © Fjodor Buis

Een ander merkwaardig ding, hieraan verwant: als Arie Storm als auteursnaam op de kaft vermeld was, had ik het ook geloofd. Al vanaf bladzijde 16 had ik het gevoel een boek van Storm in handen te hebben. Dat heeft te maken met zowel stijl als inhoud, beide glashelder met een neiging naar surrealisme, beide ópkijkend naar literatuur en neerkijkend op de literaire praktijk. Eenmaal in mijn hoofd kreeg ik Storm er niet meer uit. De elliptische zinnen die eindeloos om een mededeling heen draaien, het nooit helemaal precies weten, het voortdurend terugkomen op ogenschijnlijk betekenisloze details, de droge rationalisaties (‘Het was nergens voor nodig dat fictie en werkelijkheid door elkaar gingen lopen, het leven was al verwarrend genoeg’) en ja, dan ook een bepaalde zuurtegraad (‘Iedereen las bij Winter overal overheen omdat hij toch geen wijzigingen accepteerde. Ook geen enkele recensent was over die fout begonnen, dat was wel merkwaardig, die lazen dus ook overal overheen’), die bij Storm over het algemeen te verteren is vanwege zijn bijterige grappigheid, maar die bij Van Essen een beetje klein blijft, en naargeestig.

Van Essens verhalen staan op scherp, omdat een soort somberheid bedwongen moet worden

Van Essen heeft verhalen geschreven die ik tot de beste vind horen van de Nederlandse literatuur. In zijn literair universum wordt een strijd gestreden tussen het gewone, aan het oppervlak waarneembare, en dat wat daarachter schuilgaat. De schrijver is een medium, de boodschapper die heen en weer pendelt tussen zijn wereld en de lezer. Zijn verhalen staan op scherp, omdat een soort somberheid bedwongen moet worden, en de lelijke dagelijksheid constant op de loer ligt. Goed opletten, er gebeurt altijd meer dan je op het oog ziet.

Dat ‘meer gebeuren’ speelt zich in Winter in Amerika af in het meest troosteloze decor denkbaar, het dorp met die ene afhaalchinees, in een met het retro-interieur van een overleden tante bekleed huis, en dáár weer de garage van. Als het medium niet haar magische werken verricht, zit ze in haar steunkousen te breien bij de kachel. Met een simpele vingerknip brengt ze haar cliënten tot verrassende inzichten. Tot welk inzicht komt Katja Ouwehand? Een typisch literair inzicht zou je kunnen zeggen, namelijk dat iets tegelijk waar en niet waar kan zijn. Ze raakt ervan in een psychose, lijkt het, het brengt bij haar een oude depressie in herinnering, iets met liefde en een tekort daaraan.

Ik ben er niet uit, met deze roman. Ik denk dat het een diepliteraire constructie is, een niet zo heel verholen eerbetoon aan Coetzee, en diens Elizabeth Costello. ‘Dit is waar het om gaat’, denkt de redacteur als ze na gedane zaken thuis voor haar boekenkast staat en haar handen over de ruggen laat glijden. ‘Alles draaide hierom, om die paar boeken die je nooit weg zou doen, de paar schrijvers met wie je vriendschap had gesloten terwijl ze misschien al jaren, eeuwen dood waren.’ Om vervolgens een boek van de plank te pakken dat alleen een imaginaire status heeft, namelijk The House on Eccles Street van Costello. Wat betekent het? En waarom vleit ze de dag erna een ijdele acteur met schrijfambities door hem een contract in het vooruitzicht te stellen? Waarom zoveel moeite om een Ikea-poster van New York boven het ziekbed van Winter te hangen? Waarom tot slot een liefdesaffaire suggereren tussen stagiaire Irmgard en de verpleegkundige?

Misschien is het allemaal een grap, literaire vernuftigheid. Is de cirkel rond, ooit begonnen met de jonge Katja die de Witte Ravenpockets van het Limburgse fenomeen Irmgard Smits verslond en voorgoed gevangen werd door fictie. Blijf lachen Irmgard. Irmgard schrijft door! Ik ken die boeken. Ooit vond je er alles in, als beginnende lezer. Liefde en onverschilligheid, literatuur en raadsels, verbeelding en werkelijkheid, nog zonder dat je daar een besef van had, laat staan dat je er iets mee moest.