Hoe maakt kraker theo zijn bed op?

Deze week begint het International Documentary Filmfestival Amsterdam. Daar zijn onder meer twee films te zien over wonen in de hoofdstad. Een terugblik op de kraakbeweging en een serie portretten van mensen in hun eigen huis. De tijden blijken veranderd.
De films gaan in première op het International Documentary Filmfestival Amsterdam (28 november tot en met 4 december). De stad was van ons wordt is vanaf 19 december te zien in Desmet, Amsterdam en in Chassé, Breda.
‘GEEN WONING, geen kroning!’ ‘Uw rechtsstaat is de onze niet!’ Het zijn vertrouwd klinkende bezweringen uit een voorbij tijdperk. Rond 1980 was het ‘Ho-ho-ho-Chi-Min’ uit de jaren zestig verruild voor de leuzen van de (Amsterdamse) kraakbeweging, die zichzelf in de luwte tussen Koude Oorlog en val van het IJzeren Gordijn met grote regelmaat tot wereldnieuws in Nederland wist te promoveren. Voormalig krakerskopstuk Theo blikt er met onverholen trots op terug in Joost Seelens documentaire De stad was van ons.

Voor Theo - type: gladde opbouwwerker - en zijn hulpje Jack - type: sportschool - was het kraken van leegstaande gebouwen slechts middel tot een hoger doel. ‘De hele staat mocht van ons op de helling’, vertelt Theo zonder enige ironie. Zijn revolutie moest en zou in de jaren zeventig beginnen bij de 'buurtstrijd’. De eigen Oosterparkbuurt werd hem echter al gauw te klein. Vanaf het dak verdedigde hij in 1978 een pand in de Amsterdamse Kinkerbuurt tegen de Mobiele Eenheid van de politie - de ontruiming die de geschiedenis zou ingaan als de eerste waarbij bloed vloeide. De bewoners van dat kraakpand waren verbaasd over de ongevraagde bemoeienis van professionele krakers als Theo, en nog verbaasder waren ze over de gewelddadige afloop - ze wilden immers enkel passief verzet bieden.
Zo niet Theo. Hij had zien aankomen dat er flinke klappen zouden vallen, sterker nog: 'Daar speelden wij op in, het was een kolfje naar onze hand.’ Want een scherpe confrontatie met het gezag zou de mensen omkrijgen, de oudere Amsterdammers die '40-'45 nog fris in het geheugen hadden.
De stad was van ons: Een film over de Amsterdamse kraakbeweging 1975-1988 begint met een fier uitgeroepen 'Leve de koningin!’ Het is een kreet uit een andere wereld, de wereld van overheersers met hun verfoeide rechtsorde.
In 1980, het jaar dat de oudere Amsterdammer het kroningsfeestje van zijn nieuwe vorstin wilde vieren, waren Theo en de zijnen de commandotroepen van de kraakbeweging geworden. De wegen van burger en kraker gingen op die gedenkwaardige dertigste april voorgoed uit elkaar.
Maar ook voor de meeste krakers uit Seelens documentaire vormde de nieuwe woning het belangrijkste doel en was het voor hen, tot woede van de krakerscommando’s, niet een middel tot een wereldrevolutie met Beatrix als symbool van het kwaad. Zoals een meisje vertelt: 'Het begon met in een huis gaan zitten en daar idealen over hebben, ook.’ Op hen moeten Theo’s stadsguerrillero’s de indruk hebben gemaakt van ouderwetse stalinisten, die bereid waren hun eigen broeders te vermoorden. Dat is althans de visie die Joost Seelen in zijn documentaire boven laat komen uit zijn gesprekken met een tiental krakers.
Een interessant gegeven, en er zitten hilarische verhalen bij. Bijvoorbeeld over de verdediging van het kraakcomplex De Groote Keyser, waarbij Theo opeens weer opdook en in het pand 'het verkeer stond te regelen’, zoals een kraker Theo’s bevelen eufemistisch aanduidt. Een medebewoonster zegt op een toon waar haar verbazing nog steeds in doorklinkt: 'Ik werd geacht het dak te verdedigen.’ Theo zelf heeft het over het ’s choonvegen’ van het pand: in militair-strategische bewoordingen legt hij uit hoe de verdedigingslinie werd geformeerd. Als je een ijskast naar het dak sleept, vertelt hij, dan moet die er ook vanaf gegooid worden wanneer de vijand zich aandient. Jongens, jongens toch!
De eerste krakers haakten al af bij de aanblik van honderden rotjes-in-aardappeljasje en grover geschut dat in het pand werd opgestapeld. De grote scheuring zou echter nog jaren op zich laten wachten. Die kwam volgens Seelens film pas halverwege de jaren tachtig aan het licht, toen er intern geen middel meer werd geschuwd, zoals een slachtoffer van enkele martelingspraktijken komt vertellen. Zelfs sympathiserende linkse kringen zijn dan al lang en breed murw gemaakt door de krakerskretologie, de bekogelde toeristenboten en andere vernielzuchtige ongein. Al in januari 1980 viel in De Groene Amsterdammer te lezen dat voor de meeste krakers het middel, het avontuur, oneindig veel interessanter leek te zijn dan het doel. Maar op dat moment haalde nog geen kraker het in zijn hoofd zijn lotgenoten af te vallen.
HET MERKWAARDIGE van De stad was van ons is dat Joost Seelen lijkt te willen bevestigen wat bij progressief Nederland werd beschouwd als stemmingmakerij van rechts: dat er zoiets als een 'harde kern’ in de kraakbeweging heeft bestaan die een gevaar was voor de rechtsorde. Het Driehoeksoverleg van burgemeester, politiechef en hoofdofficier van justitie heeft zich sufgepiekerd over een legale methode om deze die-hards te isoleren van de 'welwillende krakers’. Maar heeft Seelen gelijk? Om Theo als verpersoonlijking van deze harde kern te portretteren en de meeste anderen als idealistische sufkezen, mag een effectief dramatisch middel zijn, het reduceert de gecompliceerde kraakwerkelijkheid wel tot een karikatuur.
De stad was van ons is helaas juist ook in dramatisch en filmisch opzicht niet echt geslaagd. Joost Seelen, die drie jaar geleden opviel met Jaar 1: Alan Reeve na dertig jaar opsluiting, laat de krakers de hele geschiedenis van de kraakbeweging chronologisch vertellen, zodat zijn hoofdthema, hun interne strijd, pas na een uur film expliciet aan bod komt. En zijn vertellers, die buiten wat clichématige archiefbeelden de vorm van De stad was van ons bepalen, willen maar geen karakters worden, mensen die je raken. Niet omdat ze allen krakers zijn - die keuze is een goede aanvulling op de geschiedschrijving - maar omdat ze enkel mogen recapituleren wat er feitelijk gebeurde, en dan nog vanuit hun leunstoel. Wie zijn die mensen? Hoe leven ze nu? Hoe beoordelen ze hun toenmalige gedrag en ideeën? We zien er niets van, we lijken in een informatief hoorspel beland.
VAN DE VIER Nederlandse lange documentaires die dit jaar op het International Documentary Filmfestival Amsterdam (Idfa) meedingen naar de Joris Ivens Award, heeft de helft 'wonen in Amsterdam’ tot onderwerp. Thuis van Jan Ketelaars en Paul van den Wildenberg is de andere. Een groter contrast met De stad was van ons is nauwelijks denkbaar. In Thuis zien we heel verschillende mensen in hun woning bezig. Aan het eind van de film zijn ze personen geworden die we denken te kennen, terwijl ze hooguit over koetjes en kalfjes hebben gepraat. Dat is film! (De regisseurs bewezen hun talent overigens al eerder in Terrain Vague: Langs de rand van Amsterdam.)
Hadden ze kraker Theo er in Thuis maar bij gehad! Hoe zou die zijn bed opmaken? En welke rituelen bij het koken zou hij hanteren? Wat zou hij het belangrijkste object in zijn woning vinden? De twee bejaarde broers uit de film, een eenheid als VPRO’s Gé en Arie Temmes, zijn volledig van slag door hun verhuizing. We zien flarden van het leven in hun oude en nieuwe woning, we hebben het hele verhaal erachter niet nodig. Er zijn meer mensen die verkassen in de film, één met woonwagen en al. Wat een gedoe. Dan zie je pas goed hoe gehecht de Amsterdammer (lees: de Nederlander) is aan zijn eigen nest.
Onvergetelijk zijn het echtpaar met tweelingbaby’s en het jonge homostel. Die eersten bevechten elkaar elke vierkante centimeter ruimte, ook in geestelijk opzicht. Vooral dat lievelingsplekje op de bank. De twee jongens met hun alternatieve uiterlijk doen beginnerspogingen tot het perfecte huishouden. Een van hen scheidt de was naar kleur en temperatuur op basis van een lijstje van zijn moeder. En in een schitterende monoloog vertelt hij waarom ze een dressoir hadden gekocht in plaats van het tweepersoonsbed waarvoor zijn moeder hen nu rijp achtte: 'Met zo'n bed woon je namelijk zo definitief samen.’ Inmiddels zijn ze overstag en, toegegeven, het slaapt wel lekker. 'Zo zijn wij dus het tweepersoonsbed in gepraat.’ Ja, de tijden veranderen.