Hoe maakt u het?

Waregem, Kortrijk, Moeskroen. Alleen al om zulke plaatsnamen op de informatielichtkrant langs te zien komen, is een treinreis door België aangenaam. Moeskroen, dat heeft iets exotisch, en hoewel ik er nooit geweest bent (en ook niet zal komen, ik stap in Kortrijk uit), heb ik fantasieën over haar inwoners.
En over Marcel Proust, die graag spoorboekjes las. In de inleiding op Tegen Sainte-Beuve verklaart Proust waarom juist kunstenaars zulke rare interesses kunnen hebben: ‘De namen van de stations in een dienstregeling van de Chemin de fer du Nord, waar hij in zijn verbeelding graag zou uitstappen op een herfstavond, als de bomen al kaal zijn en sterk geuren in de frisse lucht (…) kunnen voor hem veel meer waarde hebben dan fraaie filosofieboeken, met als gevolg dat mensen van smaak over hem zeggen dat hij er ondanks zijn talent toch maar domme voorkeuren op nahoudt.’
Zo had ik een oudoom, schilder, die zelden zijn Brabantse geboortestad verliet, maar wel af en toe uren boven de stadskaart van, bijvoorbeeld, Parijs kon hangen. Ik moest even aan hem denken bij sommige passages in De kaart en het gebied van Michel Houellebecq.
Na die plaatsnamen lees ik op het scherm in de trein: 'Opgelet! Vermijd een toeslag. Koop je biljet voor het instappen.’ Ik weet niet hoe het Nederlandse equivalent hiervan luidt, maar het zal beslist botter zijn. In België verstaan ze de kunst van de indirectheid, de subtiele tekens. Geen boete maar een 'toeslag’, die je kunt 'vermijden’ door geen kaartje ná maar vóór het instappen te kopen. Per saldo staat er hetzelfde als bij ons, behalve dan dat je hier niet het gevoel hebt als achterlijk vee te worden toegesnauwd, maar dat er iemand z'n hoed voor je afneemt. Anders nog iets, meneer?
Buiten glijdt een boerengat voorbij, met de onvermijdelijke kerktorens, frietkotten, gevolgd door meubel-, sanitair- en keukenwinkels in lintbebouwing. Ineens zie ik ook een filiaal van de Gamma. Die heeft hier een slogan die bij ons met geen mogelijkheid zou kunnen: 'Hoe maakt u het? Gamma.’
Natuurlijk, het is dezelfde taal en ook bij ons kan 'maken’ meerdere dingen betekenen. Natuurlijk, de vraag 'hoe maakt u het?’ klinkt bij ons absurd plechtstatig. En toch is het voornaamste verschil dat deze slogan voor ons te vriendelijk is.
In Nederland nemen we voor niemand de hoed af, want we zijn veel minder hiërarchisch georganiseerd. Na eeuwen polderen en horizontaal overleg zijn we gaan doen alsof alle stemmen aan tafel gelijkwaardig zijn. 'Dat zeg ik, Gamma!’ En de nieuwste slogan beperkt zich tot een al even amicaal: 'Mooi hè?’
Albert Heijn heeft onlangs zijn imperium naar België uitgebreid, maar daar hoor je nergens dat laconiek-vertrouwde 'gewoon bij Albert Heijn’. De slogan in België: 'Bij deze Albert bent ú koning.’ U. Met dat woord jaag je in Holland al je klanten weg.
Ik heb het altijd intrigerend gevonden om een vertrouwd Nederlands icoon in den vreemde te zien (een C&A in Parijs, Linda de Mol op de Duitse tv, enzovoort). De milde vervreemding is precies waar literatuur ook op uit is. Een romanwereld moet voldoende ankers naar de vertrouwde wereld van de lezer hebben, maar meteen krijgt die iets exotisch. In Nederland vermijd ik de Gamma zo veel mogelijk, maar nu kreeg ik zin om zo'n filiaal tussen Waregem en Moeskroen te bezichtigen. 'Hoe maakt u het? Gamma.’ Die transplantatie naar den vreemde maakt jouw eigen wereld ook relatief, en daarmee object van reflectie.
Waarom zijn onze vertrouwde slogans eigenlijk zo kortaf en snauwend? ('Dat zeg ik!’, 'Gewoon doen!’, 'Retteketet!’, 'Jazeker!’, 'Slim bezig!’) Snauwen hoort bij polderen, vermoed ik. Als gelijkwaardige partners rond de tafel moet iedereen om ’t hardst roepen. In verticale machtsverhoudingen moet je subtielere tekens afgeven, suggereren in plaats van poneren. Je moet, kortom, een geraffineerd spel met sociale codes leren beheersen. Dat is waarom wij leuzen als die van Delhaize ('De prijs, kwaliteit inbegrepen’) of Humo ('Humo lezen kan ernstige gevolgen hebben’) amper begrijpen. Dat is waarom België zoveel betere satire heeft.
Dat is waarom ironie in Nederland slechter verstaan wordt. Laatst schreef Pauline Slot een opiniestuk in de Volkskrant, over de eeuwige vraag waarom mannen zoveel vaker in de grote literaire prijzen vallen dan vrouwen: 'Het is de hoogste tijd dat we collectief kleur bekennen: of de jury’s discrimineren of vrouwen schrijven minder goed. Het kan niet allebei waar zijn. Zelf heb ik mijn keuze gemaakt. Ik kijk erg uit naar het interview waarin Elsbeth Etty of Philip Freriks het eindelijk eens hardop zeggen: “Inderdaad, vrouwen kunnen gewoon minder goed schrijven.”’
Blijkens de reacties onder het stuk op internet had haast niemand begrepen dat het ironisch bedoeld was. Als vergelijkend experiment zou Slot het stuk eens in een Vlaamse krant moeten plaatsen.