Ons soort Amerika

‘Hoe meer holle kreten, hoe succesvoller de startup’

Een bezoek aan het kantoor van een Amerikaanse voetbalvriend blijkt een bezoek aan de gelikte wereld van de tech-startups. En van de volgende zeepbel die op knappen staat.

Het Kendall-metrostation is net zo oud en versleten als de andere stations op het lijntje tussen Cambridge en Boston: bruine tegels, lage plafonds, kapotte TL-balken. Er heerst een eigenaardige drukte; elk bankje wordt bezet door een zwerver: een man met drie jassen aan, een vrouw met grijs sliertjeshaar, een vieze gitaarspeler met een mondharmonica in zijn mond en een tamboerijn onder zijn voet en een bordje One Man Band om zijn nek.

De routebeschrijving die Wayne voor me heeft opgeschreven is kort, maar blijkt bij nader inzien nog knap ingewikkeld: tweede lift omhoog, straat oversteken, walk three blocks south, straat schuin oversteken en aanbellen bij de grote schuifdeur. Hoe moet ik ooit weten waar het zuiden is, vraag ik me vertwijfeld af terwijl ik tevergeefs heen en weer loop over het perron, op zoek naar de liften. Zouden Amerikanen altijd een kompas bij zich hebben?

‘Not interested’, zegt de man met de drie jassen aan wie ik de weg vraag, en de vrouw met het sliertjeshaar bij wie ik het daarna probeer zegt zelfs helemaal niets en kijkt strak de andere kant op. Uiteindelijk ga ik met de trap naar boven.

‘IF YOU SEE SOMETHING, SAY SOMETHING’, waarschuwt een Homeland Security-bord, maar ik zie alleen maar aardappelchips – de hele trap ligt er vol mee; mijn voetstappen kraken op elke tree.

Het gebied rond Kendall Square heeft zich de afgelopen tien jaar in duizelingwekkend tempo ontwikkeld; het metrostation is een soort laatste aandenken aan de tijd dat dit een smerig, verlopen stukje van de stad was. Wie door de bruin uitgeslagen klapdeuren stapt, belandt in een andere wereld – een wereld van glas, staal en beton. Alles ziet er even nieuw en schoon uit: het asfalt en de plantenbakken, het kunstwerk in de middenberm en de onafzienbare rij kantoorgebouwen van dertig, veertig verdiepingen hoog.

Het is zondagochtend half negen en er is geen mens op straat; behalve een traag wapperende Microsoft-vlag recht tegenover het station is er nergens beweging.

‘My vision is a world where you keep your dreams alive, instead of letting fear limit you’, staat er op de muur naast me, onder een levensgrote foto van een lachende, zwarte vrouw. ‘My vision is a world where everybody feels safe ’, staat er een eindje verderop, onder een foto van een blanke vrouw met een bouwvakkershelm op.

Mijn telefoon is kapot en de zon, die ergens in het zuidoosten zou moeten staan, gaat nog schuil achter de flats; ik loop op goed geluk een straat in, in de hoop in zuidelijke richting te gaan. ‘You can’t miss it’, besluit de routebeschrijving opgewekt. ‘Het is het mooiste gebouw van Kendall Square!’ ‘Het mooiste gebouw, het mooiste gebouw’, herhaal ik hardop terwijl ik om me heen kijk. Alle gebouwen zien er hetzelfde uit: overal dezelfde glazen puien, overal dezelfde brommende airconditioners, overal dezelfde slagbomen van ondergrondse parkeergarages.

Ik ken Wayne eigenlijk niet zo goed, behalve dat ik wekelijks met hem voetbal. ‘Seven figures, going on eight’, wordt er vol ontzag over hem gefluisterd, maar van al die rijkdom is op het voetbalveld maar weinig te zien: met zijn pluizige baard en zijn versleten camouflageshirt doet Wayne altijd meer aan een boswachter denken dan aan een multimiljonair in wording. Erg spraakzaam is hij ook niet: tijdens de wedstrijd ontglipt hem soms een enkel ‘Fuck’ of ‘Jesus’; na afloop is hij gewoonlijk de eerste die vertrekt. Eigenlijk trekt alleen zijn auto enige aandacht: zijn kolossale zwarte Lincoln Continental is een vreemde eend in de bijt tussen de Toyota’s en Honda’s van zijn teamgenoten; veel te groot en veel te lawaaiig voor Cambridge; een verdwaalde reus in kabouterland.

Ik tel de zijstraten die ik passeer – Carleton Street, Hayward Street, Wadsworth Street – en vraag me af waarom Wayne niet gewoon een straatnaam en een nummer voor me heeft opgeschreven. ‘My vision is a world where together we construct communities’, staat er op de hoek van het derde blok, onder een foto van een kale man die zijn handen in de lucht steekt. Ernaast doemt de zoveelste kantoorflat op van glas, staal en beton. Erg mooi of opvallend is het gebouw niet, maar er is gelukkig wel een grote schuifdeur, en een intercom waar ik kan aanbellen.

‘Daar ben je dan!’ Wayne komt naar buiten rennen en geeft me een vermorzelende handdruk. ‘Je bent laat. Je hebt geluk dat mijn vorige afspraak uitliep, anders was ik al naar boven gegaan.’

Ik herken hem bijna niet zonder zijn voetbalkleren – hij draagt suede instappers en een keurig streepjesoverhemd; zelfs zijn baard is getemd met een elastiekje. Met zijn sjofele uiterlijk is ook zijn zwijgzaamheid verdwenen; hij stort een heleboel zinnen over me uit, overigens zonder al te veel samenhang: broodjes kreeft zijn lekkerder dan broodjes krab, de Champions League gaat volgende week beginnen, het lijkt wel altijd te waaien op Kendall Square.

‘Deze kant op, deze kant op’, zegt hij als we binnen zijn, en hij duwt me richting de lift. ‘This is the most innovative square mile on earth, so pay attention!’ ‘Moet je kijken.’ Hij duwt zijn knokkel tegen de wand van de lift. ‘Ik heb geen chipkaart, maar een chipring. Als ik mijn vinger voor de lezer houd, gaan we vanzelf naar de juiste verdieping.’

‘Innovatief’, knik ik.

‘Stelt niet eens zoveel voor, hoor’, zegt Wayne. Hij houdt de ring onder mijn neus: een dik, zwart stuk plastic. ‘Maar wel handig, toch? Nu hoef ik nooit meer te zoeken naar mijn liftpasje.’

We zoeven omhoog terwijl hij tot in detail vertelt over het in elkaar zetten van de ring. Een stagiair was er een hele ochtend mee bezig; aanvankelijk met een badje aceton, een stuk ijzerdraad en een soldeerbout. ‘Maar soms lopen de dingen niet helemaal zoals het moet’, besluit hij ernstig. ‘Tijdens het solderen vloog er een servetje in de fik, en daarna een pak printpapier, en daarna ging het brandalarm af en moest de hele verdieping worden ontruimd. Maar we gaven het niet op. Uiteindelijk hebben we deze ring kunnen maken met een 3D-printer.’ Hij houdt de hand met het stuk plastic nog een keer vlak voor mijn gezicht; ik kijk gefascineerd naar de Romeinse cijfers die op de binnenkant van zijn vingers zijn getatoëerd: VI, VII, VIII, IX, X.

De verdieping waar we uitstappen is ruim en licht. Recht tegenover de lift is een grote keuken met roestvrijstalen kasten en glazen wanden; mijn oog valt meteen op de dampende schalen met rijst en taco’s die op een tafel staan. ‘Expect problems and eat them for breakfast’, lees ik hardop voor van een krijtbord dat aan het plafond hangt.

‘De keuken is het kloppend hart van ons kantoor’, vertelt Wayne terwijl we naar binnen gaan. ‘De beste ideeën ontstaan altijd hier, niet aan de vergadertafel of achter het computerscherm. Kijk, we hebben zelfs bier in huis. Wil je een Heineken?’ >

‘Als ik mijn vinger voor de lezer houd, gaan we naar de juiste verdieping.’ ‘Innovatief’, knik ik

Hij trekt de ene na de andere deur open om me zijn schatten te laten zien: zakken versgebrande koffiebonen, tien verschillende soorten cornflakes, emmers vol lolly’s en inderdaad een heleboel flesjes bier, die samen met wel honderd pakjes vruchtensap in een koelkast liggen. ‘Wij denken graag buiten de gebaande paden’, legt hij uit. ‘Als iemand op zondagochtend om negen uur een biertje wil, dan moet dat kunnen. As long as he gets his shit done.’

Ik wil een grapje maken over de tekst op het krijtbord, over de problemen van een ontbijt met bier en taco’s, maar Wayne’s telefoon gaat af, en met een verontschuldigend gebaar neemt hij op. ‘Dude!’ roept hij in de hoorn, terwijl hij naar een hoek van de keuken loopt. ‘What the fuck, dude!’

Ik blijf achter bij de openstaande koelkast en de taco’s. De rest van het kantoor maakt een uitgestorven indruk; door de glazen keukenwand kijk ik uit op een lege gang, een lege kantoortuin en een lege zithoek met een pingpongtafel, een paar zitzakken en een groot bord: ‘Play is the highest form of research’. Er schiet me een passage te binnen uit het boek Disrupted van Dan Lyons, waarin een cynische oudere journalist bij een van de hippe startup-bedrijven in Cambridge gaat werken. ‘De gouden regel is: hoe meer holle kreten, hoe succesvoller de startup’, schrijft hij ergens. ‘Handige jongens die overtuigend tegeltjeswijsheden kunnen uitkramen worden binnen de kortste keren miljonair.’

Ik kijk naar Wayne, die nog altijd in zijn telefoon staat te schreeuwen, en vraag me af of hij een handige jongen is. Hij heeft twee verschillende sokken aan, zie ik: een gele en een bruine, maar wie weet is dat expres.

‘Wat doen jullie hier eigenlijk precies voor werk?’ vraag ik als hij klaar is met bellen, maar hij steekt zijn hand op ten teken dat ik stil moet zijn, en begint aan een volgend telefoongesprek.

‘Dude!’ roept hij weer als hij verbinding heeft. ‘Where the fuck are you, dude?’

De zithoek loopt nog een heel eind door, zie ik als ik erheen slenter om de tijd te doden – het is eigenlijk meer een zaal, met een plafond van wel vijf meter hoog en grote ramen die uitkijken over de rivier. Mijn voeten zinken weg in donker tapijt; onhoorbaar loop ik langs een pingpongtafel en een paar zitzakken, een tafelvoetbalspel en een PacMan-machine. Midden in de zaal komt een grote glijbaan uit het plafond draaien; zou Wayne die wel eens gebruiken? Ik kijk door het gat omhoog, maar het is te donker om iets te zien.

‘Stay hungry, stay foolish’, luidt de volgende tekst die ik tegenkom, deze keer op een bord boven een stel houten huisjes achter in de zaal. Het zijn grappige gebouwtjes, met puntdaken en nep-schoorsteentjes: in het ene staat een vergadertafel, in het volgende een ouderwetse sofa, in het volgende een paar barkrukken.

In het laatste huisje tref ik behalve een hangmat en een blauw bankje ook een jongen aan. Ik schrik er niet eens van; hij zit zo onbeweeglijk stil achter zijn laptop dat hij bijna onderdeel lijkt van het interieur. ‘How’s it going, bro!’ roept hij als hij me in het oog krijgt.

‘Goed, goed’, antwoord ik, en als ik zie dat hij zijn koptelefoon uit zijn oren haalt en zijn laptop dichtklapt voeg ik haastig toe: ‘Stoor je niet aan mij, hoor!’

‘Take it easy, bro’, zegt de jongen terwijl hij opstaat om me een hand te geven. Hij kauwt driftig op een stuk kauwgom en draagt een omgekeerd baseballpetje en een wijd T-shirt van de New England Patriots; alles bij elkaar ziet hij eruit als een American football-speler uit een tienerfilm. ‘Ik ben Clint’, zegt hij. ‘Je bent hier zeker voor het sollicitatiegesprek?’

‘Nee, nee’, zeg ik. ‘Ik loop zomaar wat rond. Ik wacht eigenlijk op een vriend.’ Ik wijs in de verte, richting de keuken waar Wayne nog steeds luidkeels staat te telefoneren. Het ziet eruit alsof hij nog wel even bezig is; door de glazen wand zie ik hem ijsberen en boze gebaren maken.

‘O, ken je Wayne?’ vraagt Clint vol ontzag. ‘That’s fucking awesome. Wayne is een genie. Een levende legende!’

‘We voetballen wel eens samen’, zeg ik trots, ook al weet ik nog steeds niet wat Wayne nu precies doet en wat voor bedrijf dit eigenlijk is.

‘Kom erbij zitten’, zegt Clint. ‘Mijn afspraak is toch pas over een kwartiertje.’ Het blauwe bankje is een beetje krap voor twee personen; er zit weinig anders op dan in de hangmat te klauteren, wat nog lang niet meevalt. ‘Doen jullie vaker sollicitatiegesprekken op zondagmorgen?’ vraag ik als ik eindelijk lig.

‘Ik had er vorige week eentje om vijf uur ’s ochtends in een nachtclub’, lacht Clint. ‘Als je het echte talent wil vinden moet je flexibel zijn. Ik vind niks te gek. Ik kijk niet naar de klok, ik kijk naar de doelen die ik wil bereiken.’

Terwijl ik verbaasd heen en weer wieg, vertelt Clint over zijn korte, komeetachtige carrière: jaartje Harvard Business School, jaartje Google, vervolgens een paar maanden bij een mislukte startup en nu, vlak voor zijn 23ste verjaardag, benoemd tot Senior Human Resource Manager bij dit bedrijf, waarvan Wayne klaarblijkelijk de mede-oprichter is. ‘He’s got his shit together’, zegt Clint, en hij knikt richting de keuken. ‘Dit is het echte werk. Real money is being made here.

Wayne is inmiddels eindelijk klaar met telefoneren en komt met grote stappen onze kant op. ‘Zin in een potje fussball?’ roept hij vanuit de verte terwijl hij een klap geeft op het tafelvoetbal. ‘Op het veld zijn jullie Duitsers misschien beter, maar op de tafel heersen de Amerikanen!’ Hij is rood aangelopen van opwinding en het elastiekje is uit zijn baard gevallen. Als hij bijna bij ons huisje is aangekomen struikelt hij ook nog eens over een zitzak. ‘Fucking fuck’, schreeuwt hij als hij weer overeind staat, en hij geeft het ding een paar ongenadige trappen.

‘Als je het te druk hebt kan ik ook best een andere keer terugkomen’, zeg ik, maar daar wil hij niets van weten. ‘Kom mee’, zegt hij. ‘Ik moet je nog iets cools laten zien voor je gaat.’

‘Groei is voor investeerders belangrijker geworden dan een deugdelijk bedrijfsplan’

Clint klapt haastig zijn laptop weer open; hij kijkt Wayne niet aan en zwijgt.

‘Heb je ooit zoiets gezien?’ vraagt Wayne als we bij de kantoortuin zijn aangekomen. Ik kijk aandachtig, maar zie op het eerste gezicht weinig bijzonders: een hoge, kale ruimte met een stuk of twintig stoelen achter een meterslange tafel. Onder het tafelblad steekt een warboel van wielen en rubberen slangetjes uit; het geheel doet een beetje denken aan een buitenformaat ziekenhuisbed. ‘Check this out’, zegt Wayne. Hij veegt wat over zijn telefoon, en ineens komt de tafel met een zacht gesis in beweging.

‘Vergaderstand’, kondigt Wayne aan, en inderdaad vormen de tafeldelen langzaam maar zeker een cirkel. ‘Private meeting’, en nu scheidt een deel van de tafel zich af en rijdt gehoorzaam naar ons toe. ‘Theateropstelling’, en nu ontstaan er een paar horizontale rijen.

‘Geweldig’, zeg ik. ‘Dat moet ontzettend handig zijn.’

‘Eigenlijk moeten we er ook nog een setje robotic chairs bij zien te krijgen’, zegt Wayne terwijl hij een paar omgevallen stoelen rechtop zet. ‘In Japan schijnen ze die al te hebben. Moet je je voorstellen hoe magisch het er dan uitziet als ik op het knopje druk!’ Ik probeer het me voor te stellen, maar veel tijd krijg ik niet, want Wayne is inmiddels al weer naar buiten aan het lopen.

‘Ik hoop dat je een beetje een indruk van ons kantoor hebt gekregen’, roept hij over zijn schouder. ‘Jammer genoeg heb ik nu een andere afspraak. Ik zie je wel weer bij het voetbal!’

De lift staat al open en er is geen chip nodig om naar beneden te gaan. Wayne geeft me een boks tegen mijn arm, stopt me een visitekaartje toe en beent weg. Enigszins verbouwereerd stap ik in. Het is pas kwart over negen; ik ben nog geen half uur binnen geweest. Terwijl de deuren van de lift dicht gaan, zie ik in de verte Wayne weer in de keuken staan met zijn telefoon tegen zijn oor. Ik steek mijn hand nog een keer naar hem op, maar hij ziet me niet.

‘Co-Founder and CPO’, staat er op zijn visitekaartje. Het logo van het bedrijf bestaat uit een blauwe handafdruk en een paar glimmende cirkels – als je schuin kijkt veranderen ze van kleur.

Later, als ik weer thuis ben, zoek ik de bijbehorende website op, maar daarvan word ik ook niet veel wijzer. ‘Een nieuw tijdperk in remarketing is aangebroken’, staat er. ‘Ons CDP maakt gebruik van de nieuwste predictive modeling techniques. Onze API integreert naadloos in de cloud. Speel met ons in op de laatste trends en verbeter uw customer monetization!’

Er staat nergens iets over een ring waarmee je een lift kunt bedienen, en ik vind ook niets over een bewegende tafel. Als ik alle termen en afkortingen op Wikipedia heb opgezocht, kom ik tot de conclusie dat het bedrijf van Wayne alleen een computerprogramma aan de man brengt waarmee reclamebedrijven een adressenbestand kunnen bijhouden. Het programma schijnt niet eens erg goed te zijn: anderhalve ster op het gezaghebbende Capterra (‘The Smart Way to Find Business Software’) en zelfs maar één ster op het al even gezaghebbende SoftwareAdvice.

Als ik verder zoek kom ik ook nog twee nieuwsberichtjes over Wayne’s bedrijf tegen. ‘Investeerder steekt zeven miljoen dollar in startup aan Kendall Square’, luidt het eerste. ‘Nieuwe investeringsronde levert nog eens vijftien miljoen dollar op’, kopt het tweede, nog maar een paar maanden oud. ‘Een van de veelbelovendste startups van het moment zal nu in staat zijn verder te groeien, en zelfs een bijkantoor te openen in Bangalore, India.’

Daarna beland ik op Techcrunch.com, een website die de investeringen in tech-startups bijhoudt. De miljoenen dollars vliegen me om de oren. Twintig miljoen voor een bedrijf dat meditatie-apps maakt, dertien miljoen voor een bedrijf dat iets doet met beveiligde e-mails, zes miljoen voor een bedrijf dat social recruiting wil promoten, vijftig miljoen voor een bedrijf dat een speciaal soort creditcard voor ondernemers heeft ontwikkeld, en dat is alleen nog maar de oogst van vandaag. De oprichters van het creditcardbedrijf zijn 21 en 21, en ze hebben slechts een paar honderd klanten.

‘Nergens wordt het disfunctioneren van de Amerikaanse economie beter geïllustreerd dan in de wereld van de tech-startups’, schrijft The New York Times in augustus 2017. ‘Er is daar een zeepbel van monumentale afmetingen aan het ontstaan. Als de boel in elkaar klapt, zullen er in een oogwenk honderden miljarden dollars vervliegen.’

‘Groei is voor investeerders belangrijker geworden dan een deugdelijk bedrijfsplan’, schampert Dan Lyons in Disrupted. ‘Ze schijnen te denken dat winst niet belangrijk is bij tech-bedrijven – alleen een groeiend aantal gebruikers telt. Bij een megasucces als Facebook kwamen de miljardenwinsten ook pas na vele magere jaren. Geen enkele investeerder wil naast het volgende Facebook grijpen, en dus wordt elk softwarebedrijf dat enige groei laat zien bedolven onder het geld.’

Hij beschrijft het effect dat die instelling heeft op bedrijven. ‘Een slecht product is geen enkel bezwaar, zolang er maar grafiekjes met groeipercentages op powerpoint-presentaties kunnen worden gezet. De meeste nieuwe startups hebben meer verkopers dan programmeurs in dienst. Als het je lukt om het aantal gebruikers een paar achtereenvolgende jaren te doen toenemen, kun je gigantisch cashen.’

Het is een trucje dat extra goed werkt doordat de meeste tech-bedrijven hun geld ophalen bij private investeringsfondsen, die vooral geïnteresseerd zijn in de korte termijn. Investeringen worden in noodtempo gedaan en, als het bedrijf genoeg is gegroeid, zo gauw mogelijk doorverkocht aan andere investeringsfondsen.

‘In totaal steken private fondsen jaarlijks zeker zestig miljard dollar in tech-bedrijven’, berekent The New York Times. ‘Een groot deel van dat geld is geleend. De zeepbel bevindt zich momenteel niet op de aandelenbeurs, maar achter de schermen. En het wrange is dat de investeringsfondsen zich goed hebben ingedekt tegen de financiële risico’s. Als het kaartenhuis instort, wat zonder enige twijfel een keer gaat gebeuren, zal de belastingbetaler ervoor moeten opdraaien. En natuurlijk al die piepjonge werknemers van de tech-bedrijven, die hun schamele salaris immers krijgen aangevuld met aandelen en opties.’

‘Tech-bedrijven zijn erin geslaagd om hoogopgeleide jonge mensen voor bijna niets te laten werken’, voegt Dan Lyons toe. ‘Een bak toffees en een pingpongtafel gelden in dit wereldje als belangrijker arbeidsvoorwaarden dan een ziektekostenverzekering of een pensioen. Is dat iets cools, of is het een complot om de kosten te drukken? Je zou het bijna denken. Bij de meeste startups moet je de werknemers boven de dertig met een lampje zoeken. Te oud en te duur.’

Ik moet denken aan Clint, de Senior Human Resource Manager met zijn kauwgom en zijn petje, die kantoor houdt in een kabouterhuisje naast een glijbaan. ‘Real money is being made here’, had hij hoopvol gezegd; misschien zou ik medelijden met hem moeten hebben, maar op de een of andere manier kost me dat een hoop moeite.


Dit is een voorpublicatie uit Ons soort Amerika van Anton Stolwijk dat deze week verschijnt bij Prometheus (192 blz., € 16,99)