Hoe meet je politiek cynisme?

Iemand belt aan of op, vraagt of je een momentje hebt en begint je het hemd van het lijf te vragen. De ondervraagde antwoordt op een reeks vragen waarvan hij of zij het doel nauwelijks kent, formulering of volgorde niet kan beinvloeden en de samenhang niet te weten komt. Een onderzoeker haalt vervolgens allerlei kunstgrepen uit met de antwoorden en verbindt er conclusies aan. Die worden niet nog eens voorgelegd aan de ondervraagde maar als ‘waarheid’ aan de openbaarheid gepresenteerd.

Neem nou een thema als het vertrouwen in de politiek. Daar wordt druk naar geenqueteerd. Door het Sociaal en Cultureel Planbureau, door het Centraal Bureau voor de Statistiek. Het eerste meldde twee weken geleden dat het vertrouwen in de politiek toeneemt. Een week later meldt het tweede dat ‘het cynisme over de politiek is toegenomen’.
Hoe meet je dat nou, politiek cynisme? Niet door mensen te vragen: 'Hebt u vertrouwen in de politiek?’ Of: 'Bent u wezen stemmen? Ja? En wat vindt u nou van die nieuwe coalitie?’ Nee, dat gaat anders. Via een omweg. Operationaliseren heet dat in wetenschappelijke termen. Het CBS bracht het begrip 'politiek cynisme’ daartoe onder in drie stellingen. De eerste: 'Tegen beter weten in beloven politici meer dan ze kunnen waarmaken.’ In 1977 zeiden 79 van de honderd mensen dat ze dat inderdaad vonden. In 1994 vinden 91 van de honderd mensen dat. Het CBS noemt die beloften dan ook 'mythen die nauwelijks of niet serieus genomen worden’. De tweede stelling luidde: 'Ministers en staatssecretarissen zijn vooral op hun eigen belang uit.’ Blijkens de resultaten was tussen 1977 en 1989 zo'n 32 procent van de ondervraagden het daarmee eens. In 1994 blijkt dat 37 procent te zijn. Een 'aanzienlijke verbreiding’ van dit 'voor de politiek ontluisterende’ oordeel, aldus het CBS. Om vervolgens te constateren dat die toename vooral te vinden is bij de stemmers op de ouderenpartijen (drie van de vijf) en die van de VVD (37 procent). De rest zit nog op het oude gemiddelde. De derde stelling luidde: 'Kamerlid word je eerder door je politieke vrienden dan door je bekwaamheden.’ De steun voor deze stelling is ten opzichte van 1977 zelfs afgenomen. Was destijds 45 procent der ondervraagden het ermee eens, nu is dat nog 42 procent. Weer onderschrijft 65 procent van de stemmers op de ouderenpartijen de stelling en 46 procent van de VVD-stemmers.
Nou moet ik voorzichtig zijn, want ik heb er niet voor doorgeleerd. Maar het valt me tegen dat niet honderd procent vindt dat politici meer beloven dan ze waar kunnen maken. Interessanter dan de beloften is de vraag naar het oordeel over de op basis daarvan gesloten compromissen. En heeft in het tweede en derde geval het cynisme der ouderen niet geleid tot de oprichting van nieuwe partijen, hetgeen getuigt van onvrede ten opzichte van partijen, maar niet van cynisme tegenover het politieke systeem als zodanig? En lijkt in het derde geval de oververtegenwoordiging van ouderen niet zelfs te duiden op een nog sterkere afname dan de gemeten percentages al laten zien? Duidt, met andere woorden, politiek cynisme dat zich vertaalt in stemmen op bepaalde partijen niet eerder op onvrede met beleid dan op onverschilligheid voor het politieke bedrijf? En tenslotte: was dat niet ook al af te leiden uit het opkomstpercentage van een kleine tachtig procent?