Hoe menselijk kun je zijn?

Men vindt het altijd fijn om je op inconsistenties en inconsequenties te wijzen.

‘Destijds vond hij dat alle asielzoekers in ons land een plekje mochten vinden, tegenwoordig is hij daarvan een fel tegenstander.’

‘Vroeger was hij voor burgerlijke ongehoorzaamheid, nu kan hij geen regel schrijven of het gaat over het je houden aan de wet.’

‘Stelde hij vroeger de overheid verantwoordelijkheid voor het slechte onderwijs, nu betoogt hij dat het aan de studenten zelf ligt.’

Ik denk dat inconsequent en inconsistent denken af en toe noodzakelijk is. Je toont daarmee aan dat je intellectuele stappen hebt gemaakt – misschien zijn die stappen niet meteen een sprong voorwaarts, maar toch getuigt het van een persoonlijk voortschrijdend inzicht.

De laatste tijd zijn er twee gevallen geweest waarbij ik mezelf betrapte op een vorm van inconsistentie.

De arts van Tuitjenhorn, dr. Tromp, en de uitgeprocedeerde asielzoekers.

Voor mij is dr. Tromp een held. Ik zie namelijk zijn daad – het te veel geven van een bepaald geneesmiddel waardoor een ongeneeslijk zieke patiënt spoedig zou komen te overlijden – als een heldendaad. Maar ik begrijp ook wel dat het in die mate geven van een medicijn niet mag van de wet. Formeel is die dokter Tromp dus strafbaar. Maar omdat ik sommige zaken meet met de maat der menselijkheid, acht ik dokter Tromp absoluut niet strafbaar.

Ik kan een ‘nee’ niet leuk vinden, maar ik moet me erbij neerleggen, hoe onmenselijk ik dat ook vind

Maar nu die uitgeprocedeerde asielzoekers. Als ik dan zo fier ben op die maat der menselijkheid, zou ik dan niet moeten vinden dat die paar uitgeprocedeerden bed, bad en brood verdienen?

Ja, voor even vind ik bed, bad en brood geen bezwaar – precies zoals de wet nu is, als ze maar meewerken aan hun uitzetting. Maar ik ben erop tegen dat ze langer blijven en dat proberen te bewerkstelligen door onder te duiken. Kan ik dat echt vanuit een menselijk oogpunt niet begrijpen?

Ja, ik kan dat begrijpen, maar daarmee keur ik het niet goed. Juist om zo menselijk mogelijk te zijn, en ook om zo rechtvaardig mogelijk te zijn, hebben we onze rechtsstaat ingericht zoals ze is ingericht. Je kunt een zaak voorleggen, daarna kun je in beroep gaan, en daarna nog eens – maar uiteindelijk is er een ‘nee’ of ‘ja’. Ik kan een ‘nee’ niet leuk vinden, maar ik moet me erbij neerleggen, hoe onmenselijk ik dat misschien ook vind. Als die onmenselijkheid me echt tegenstaat, kan ik daar iets aan doen door te proberen de wet te veranderen. Maar ik moet me naar iets schikken al kan dat volkomen tegen mijn eigen ethiek zijn.

Het is altijd mogelijk dat onze rechtsstaat niet goed functioneert. Neem een jongen die tien was toen hij hier asiel aanvroeg, nu achttien is, prachtig Nederlands spreekt, diploma’s heeft, et cetera, et cetera, en die hoort dat zijn asielaanvraag is geweigerd. Dan is er iets fout gegaan, en ik vind dat een minister dan zijn dictionaire bevoegdheid moet gebruiken. Maar als dat ook niet gebeurt, dan moet zo’n jongen weg. Vreselijk, maar ik vind dat je je aan die wet moet vasthouden.

Waarom doe ik dat niet bij dr. Tromp? Waarom ben ik daar opeens menselijk, en leg ik me uiteindelijk bij de keiharde uitspraak over zo’n jongen neer? (Nadat ik er wel tegen heb geprotesteerd.)

Dat komt doordat er een onzichtbare hiërarchie bestaat van wat ik belangrijk vind. Mijn geloof in onze rechtsstaat is al niet zo groot, maar als ik dat totaal zou verliezen, dan kan ik niemand meer ter verantwoording roepen. Ik moet dan denken aan een verhaal dat ik hoorde van iemand die onze democratie ‘totaal niet democratisch’ vond. ‘Als iemand bij ons gestolen heeft, dan gaan we hem achterna en slaan hem in elkaar. Dat is pas de wil van het volk.’

Mijn inconsequenties hebben overigens wel allemaal te maken met angst.