Hoe moet je zo’n boek lezen?

HEDDA MARTENS
DE POSTBODE
Querido, 174 blz., € 18,95

Op het eerste gezicht heeft deze roman, de eerste van Hedda Martens, niets met haar vorige boek, Iemandsland, te maken. Dat bestond uit vijftig verhaaltjes met telkens een andere hoofdpersoon, wel elke keer ‘iemand’ geheten. In zekere zin is de roman daarop wel een vervolg: in de hoge stad zit iedereen opgesloten in zijn eigen belevingswereld. Zoveel hoofden, zoveel zinnen, zoveel aparte werelden dus. Als de inwoners in of naast een optocht lopen, ziet elkeen andere kleuren, ruikt andere geuren, vormt zich andere beelden. En dan te bedenken dat in deze stad alles non-stop verandert; niemand heeft dan nog kans of behoefte aan vroeger of aan de toekomst te denken. Kon de lezer van Iemandsland de neiging niet weerstaan toch vergelijkingen tussen de verschillende heerschappen te maken, en zo een eigen roman te breien, zo is het in de roman aan de lezer in dit warrelend geheel patronen aan te brengen. Een roman staat of valt immers met een samenhang; dat die (hoe virtueel ook) er is, maakt dat het fictie is en geen werkelijkheid.
In die volmaakte stad daar hooggelegen, waar het een permanent spel van son et lumière is, komt alles tot in de kleinste details elk ogenblik in een ander licht te staan. Als het oog gescherpt wordt, verstomt het geluid en al naar de lichtval en de stemming zien de dingen er anders uit of klinken ze anders. Het boek begint ermee dat het vrijwel onmogelijk is de stad te vinden, laat staan te bereiken. Als iemand erin slaagt, dan meestal per ongeluk – of zoals Felix, een van de hoofdpersonen, doordat hij ongemerkt uit een film is weggeglipt. Hij blijft uitzondering: verandering betekent voor hem geen fixatie op het heden, maar wordt de drijfveer alles te volgen, in tekeningen vast te leggen, en te onderzoeken hoe dat samenspel tussen licht, kleur en geluid werkt. Dat is van het grootste belang want bij zoveel intensiteiten dreigt vervlakking; alleen maar hoogtepunten samen vormen een vlakte, al is het dan een hoogvlakte. Beneden bewegen zich in het landschap, als het ware een vlakland, platte figuren, die naar de stad komen – Steven, de vriend van Felix, en zijn dochter Josine – en die gaan: Marie, die op zoek gaat naar de geliefde die ze verlaten heeft. Enkelen komen én gaan, pendelen: Mona V., die overal vandaan nieuwe aanwinsten voor het museum aanvoert, en de postbode die zich van de een naar de ander spoedt met zijn verrassingspakketten.
Verteld vanuit elk van deze personages – afhankelijk van de bril die ze opzetten, wisselend naar gelang de lenzen in hun kijkers – krijgt dit verhaal over verandering, zinsbegoocheling en (waarom niet) polyfone synesthesie andere contouren; de roman is alleen al een kunststuk door de manier waarop zoveel ballen tegelijk in de lucht worden gehouden. Het is een roman, jazeker, en ook nog een van het soort dat in de Nederlandse literatuur niet veel geschreven wordt. Hoe moet je zo’n boek lezen? Het boek zelf geeft de maat aan. Niet stukje bij beetje, zoals de andere boeken van Martens, maar gewoon vlot, met het verhaal mee, volgend wat Felix, Marie, Steven, Josine, Mona V., de postbode en alle bij- en tussenfiguren doen of althans wensen of proberen te doen. Aan te bevelen is, misschien zelfs onvermijdelijk, af en toe terug te bladeren en langer bij een bepaalde overgang of scène stil te staan, bijvoorbeeld hoofdstuk Vijf, waar Steven door gaatjes in zijn oogdoppen de kleuren en vormen in het landschap terug ziet keren. Hoe minder hij zag, hoe meer hij hoorde. Blader naar pagina 126 en 127 om te lezen wat dat inhoudt.
Door de blikvernauwing krijgt hij echter ook beter de spiraalsgewijze paden naar de hoge stad in het oog, en ziet hij zelfs tussen de hoge torens een glinsterende stroom van zeepbellen. Op de volgende pagina zien we – wij lezers – Felix in een tuinstoel bezig zijn blinkende bellen te blazen, ook in steeds nieuwe spiralen. Wat een pracht, bovendien brengt het spel hem dicht bij de oplossing van het grote raadsel: ‘Uit een flesje van een paar dagen eerder blaast hij er nog een aantal zuiver ovale, twaalfhoekige en kegelvormige bellen tussendoor en de mengeling van weerkaatsing, herhaling, wenteling en uitbreiding levert een zo begoochelend schouwspel op dat het hem vreemd te moede wordt, als zou hij ook zelf in die fonkelende, tollende reeks willen opgaan, verdwijnen…’ Zo ziet Felix het, de voormalige figurant in een film; zo zien de hoge stad en het landschap er voor de lezer uit; en zo oogt ook de roman, die inderdaad om verandering draait én om de momenten van stilstaan – in dit geval bij een in het bellen blazen opgaande romanpersoon.
Er worden in Nederland veel romans geschreven en waarschijnlijk zijn daar meer betere boeken bij dan in de zogenaamde gouden tijd van de roman, maar geef mij toch liever een boek zoals dit, dat een mengeling is van weerkaatsing, herhaling, wenteling en uitbreiding, een roman die, kortom, een wonderbaarlijke verhaalvermenigvuldiging te zien geeft: een begoochelend schouwspel – wat wil een lezer meer?