Shell wil volledig Brits worden en verplaatst onder andere het hoofdkantoor van het concern naar het Verenigd Koninkrijk © ANP / Hollandse Hoogte / Jeffrey Groeneweg

Een dag na de Nederlandse draai over het verbod op publieke subsidie voor buitenlandse olie-, kool- en gasprojecten dat in Glasgow was overeengekomen, volgde de mededeling van de raad van bestuur van Shell dat het verplaatsing van de juridische vestiging van Nederland naar het Verenigd Koninkrijk overweegt en dat begin december aan de aandeelhouders wil voorleggen.

Het kabinet reageerde bij monde van minister Blok gekwetst: ‘We zijn hierdoor onaangenaam verrast. Het kabinet betreurt dit voornemen ten zeerste. We zijn in gesprek met Shell over de gevolgen van dit voornemen voor banen, cruciale investeringsbeslissingen en duurzaamheid. Die zijn enorm belangrijk. Shell heeft ons verzekerd dat de personele gevolgen van dit besluit beperkt blijven tot de verplaatsing van een aantal executive-board-posities van Nederland naar het Verenigd Koninkrijk.’

Dat het besluit van Shell het kabinet heeft verrast, is weinig aannemelijk. Shell is immers een van de machtigste spelers in het Nederlandse politieke landschap en beschikt over uitstekende ingangen bij politiek, ambtenarij en koningshuis. Een besluit als dit zal dan ook niet genomen zijn zonder uitvoerig overleg met ambtenaren van de ministeries van Financiën, Economische Zaken en Algemene Zaken. Waarschijnlijk bedoelde Blok te zeggen dat het moment waarop het kabinet ‘formeel’ verwittigd werd verraste, maar dat het ‘informeel’ allang op de hoogte was. Het is een formulering die voor het front van de demos de illusie hoog moet houden dat er in Nederland formeel sprake is van een strikte scheiding van staat en multinational.

In de media circuleerden vervolgens de wildste speculaties over motieven en gevolgen. Milieuactivisten zagen er een poging in om onder de rechterlijke uitspraak uit te komen dat Shell haar klimaatinspanningen moet vergroten. Liberalen vreesden voor werkgelegenheidsverlies en een gat in de schatkist. Socialisten vreesden voor uitholling van de Nederlandse zeggenschap. Nationalisten zagen het economische tafelzilver teloorgaan. Terwijl royalisten het einde van het predicaat ‘Koninklijke’ betreurden. Het is typerend voor de immense en democratisch levensgevaarlijke onwetendheid bij politiek, pers en burgers over hoe multinationals in het grensoverschrijdende kapitalisme van vandaag de dag feitelijk opereren.

Dat begint met het inzicht dat een multinational niet één bedrijf is maar een conglomeraat van bedrijven, dat bestaat uit honderden juridische entiteiten die over verschillende staten zijn verspreid, en die allemaal samenkomen onder de paraplu van een holding waar de uiteindelijke rechten en plichten rusten en waar de geconsolideerde jaarrekening uitrolt.
De verspreiding van die entiteiten over staten is niet toevallig tot stand gekomen maar is de uitkomst van een complexe, precies gekalibreerde afweging van verschillende soorten kosten: transportkosten, informatiekosten, belastingdrukkosten, grondstofprijskosten, logistieke kosten, arbeidskosten, milieukosten et cetera. Het doel is minimalisering van de kosten en maximalisering van de winst om aandeelhouders via een zo hoog mogelijke dividenduitkering tevreden te stellen. Staten proberen daar vervolgens op in te spelen door via wet- en regelgeving sommige van die kosten te verlagen teneinde delen van deze multinationale conglomeraten naar zich toe te trekken of te behouden. Uiteraard vaak op influistering door de lobbyisten van multinationals zelf.

Shell is daarop geen uitzondering. Sterker, multinationale oliemaatschappijen als Shell, BP en Exxon hebben historisch gezien aan de wieg gestaan van slimme uitzonderingen in wet- en regelgeving die verlaging van de belastingdruk mogelijk hebben gemaakt en die als belastingontwijking in toenemende mate onder een internationaal vergrootglas zijn komen te liggen.

Zoals bekend is het Nederlandse ministerie van Financiën een grote, belangrijke en blokkerende (!) speler in dit spel. De Frans-Amerikaanse onderzoeker Gabriel Zucman heeft laten zien dat Amerikaanse multinationals een substantieel deel van hun buitengaatse winsten aanhouden in Nederlandse brievenbusmaatschappijen om er nauwelijks winstbelasting over te hoeven betalen. En ook dat is geen toeval maar het gevolg van een uitgekiend stelsel van bilaterale belastingverdragen die mede zijn geplooid rond de internationale activiteiten van Shell, waar andere multinationals sindsdien dankbaar gebruik van hebben gemaakt en via hun belangenbehartigers bij Ernst & Young, PWC, Deloitte en KPMG verder hebben verfijnd. De Missing Profits database leert dat Nederland op die manier ruim 109 miljard euro aan buitengaatse winsten weet aan te trekken, die vervolgens tegen het extreem lage tarief van acht procent worden belast, daarmee grote gaten slaand in de schatkisten van ons omringende landen.

Tegen deze achtergrond moet de aankondiging van Shell worden gezien. Het gaat primair om de nationaliteit van de holding: die wordt Brits in plaats van gecombineerd Nederlands-Brits, zoals het nu is. Wat dat betreft is het grotendeels een papieren exercitie, zonder gevolgen voor de werkgelegenheid, de milieuverplichtingen en de belastingverplichtingen van de onderliggende, Nederlandse werkmaatschappijen van Shell. En is het gescherm met baanverlies, groeiverlies en belastingverlies dus driewerf flauwekul. Wat Shell in het persbericht ook gewoon keurig toegeeft: het vertrek zal geen werkgelegenheidsgevolgen hebben.

Bedroevend aan deze hele affaire is niet het verlies aan werkgelegenheid, zeggenschap, macht of economische groei – dat is er niet

De reden voor Shell om dit nu te doen is dat oliemaatschappijen door het toenemende milieubewustzijn van grote internationale beleggers onder een vergrootglas liggen. Iedere ondoorzichtige afwijking wordt dan door beleggers afgestraft met een lagere aandelenkoers. Ondernemingen met een duale nationale structuur, zoals Unilever en Shell, worden dan geconfronteerd met een concurrentienadeel ten opzichte van hun uninationale collega’s.

Het is een fraai staaltje van Anglo-Amerikaanse hegemonie. Alles wat afwijkt van die norm wordt niet begrepen en als complex en ondoorzichtig afgestraft. Het is een proces dat al jaren gaande is en in Nederland heeft geleid tot afschaffing van het structuurregime, vergroting van de rechten van aandeelhouders, meer bescherming voor minderheidsaandeelhouders en, meer in het algemeen, aanpassing van het corporate governance-regime – het modieuze Engels is evenmin toeval – aan het Anglo-Amerikaanse model. Wat de Brit niet kent, dat vreet hij niet.

De belasting die Nederland heft op de dividenden die bedrijven aan aandeelhouders uitkeren en die een jaar of vier geleden tot heftige publieke en politieke discussies leidde, speelt daarin ook een rol. Hoewel vrijwel de hele wereld dividendbelasting heft, doen het Verenigd Koninkrijk en een aantal bekende belastingparadijzen dat niet. Volgens Rutte III kostte de dividendbelasting Nederland banen, winst, belastingopbrengsten en reputatie. Wilde Nederland een aantrekkelijke vestigingslocatie voor internationale bedrijven blijven, dan zou de dividendbelasting moeten worden afgeschaft. Het waren inzichten die uit de koker van de American Chamber of Commerce en VNO-NCW kwamen. De verzamelde oppositie van GroenLinks, PvdA, PvdD en SP trapte er niet in. En de afschaffing van de dividendbelasting van twee miljard euro per jaar was daardoor van de baan.

Sindsdien is gebleken dat de wens tot afschaffing vooral was ingefluisterd door twee duaal-nationale grootbedrijven: Unilever en Shell. Beide worstelden met hun uitleg aan internationale beleggers, wilden over naar een uninationale holdingstructuur, waren bereid zich exclusief onder Nederlands recht te vestigen maar wilden dan hun Britse aandeelhouders tegemoet komen door hen geen dividendbelasting te hoeven rekenen. Vandaar dat Rutte in 2017 plotseling met het voorstel kwam om de dividendbelasting af te schaffen. Toen dat niet doorging was vestiging onder Brits recht de enige overgebleven optie, en was na de overgang van Unilever in juni 2020 het wachten op de aankondiging van dat andere Nederlands-Engelse bedrijf.

Daarbij moet overigens wel worden aangetekend dat volgens het onovertroffen uitpluiswerk van een van de weinige deugende hoogleraren fiscaal recht, de Leidse hoogleraar Jan van der Streek, geen internationale belegger in Shell ooit dividendbelasting heeft hoeven betalen. Het olieconcern had van de Nederlandse staat toestemming gekregen om voor buitenlanders net te doen alsof het een Brits bedrijf was door de dividenden uit te keren via een brievenbusmaatschappij in Jersey, een van de Kanaaleilanden.

Een tweede reden om naar het Verenigd Koninkrijk te verhuizen is dat Shell als oliemaatschappij meer moet doen om aandeelhouders tevreden te stellen dan bedrijven in andere sectoren. Alleen dividenden uitkeren is niet genoeg. Ook via andere kanalen moeten aandeelhouders geapaiseerd worden. Uit Anglo-Amerika is het gebruik komen overwaaien om dat via aandelenterugkoop te doen. Dat wil zoveel zeggen dat ondernemingen hun winst gebruiken om hun eigen aandelen in te kopen, daarmee het totaal aan uitstaande aandelen verminderend, waardoor bij gelijkblijvende vraag naar aandelen de koers zal stijgen.

Ook Shell – een onderneming die staat voor een kolossale transitieopgave en daar alle middelen voor gebruiken kan die het tot haar beschikking heeft – heeft de afgelopen jaren voor miljarden euro’s aan aandelen ingekocht. Maar liefst 53 miljard euro, aldus onderzoeker Rodrigo Fernandez. In het Verenigd Koninkrijk bestaat echter een plafond aan het percentage aandelen dat een onderneming jaarlijks mag inkopen. De aandelen van de Nederlandse tak van het concern tellen nu voor de Britse toezichthouder niet mee, waardoor dat plafond relatief snel bereikt is. Door er een uninationaal concern van te maken is de poel aan aandelen ineens twee keer zo groot geworden en kan Shell dus meer van dat kostbare en schaarse transitievermogen aan aandeelhouders uitkeren.

Bedroevend aan deze hele affaire is niet het verlies aan werkgelegenheid, zeggenschap, macht of economische groei – dat is er niet. Nee, bedroevend is de grote onwetendheid die uit de commentaren van intelligente, onderlegde en belezen burgers, politici en commentatoren spreekt over de juridische structuur van multinationals. Kennelijk doen ons onderwijs en onze media niet wat ze zouden moeten doen: burgers onderrichten over de wijze waarop grote machtsconcentraties zoals multinationals opereren. Toezichthouders en onze koningin hebben de mond vol van het belang van financiële geletterdheid. En daaronder verstaat men dat burgers de adviezen van de hypotheekadviseur net genoeg moeten begrijpen om er het beste aanbod uit te halen maar weer niet zo goed dat ze besluiten de bank de deur te wijzen en dat huis maar niet te kopen. Nooit heeft men het echter over het veel grotere belang om burgers kapitalistisch geletterd te maken. Weten hoe multinationals opereren, waar zij gevestigd zijn, waarom zij daar gevestigd zijn, hoe hun holdingstructuur eruitziet, het is van cruciaal belang om een geïnformeerd politiek debat te kunnen voeren over de handel en wandel van entiteiten die ons vaak meer schaden dan baten.

In het duister van de onwetendheid tieren drogredeneringen en halve leugens namelijk welig. Het is in deze duisternis dat minister Blok het kan bestaan om opnieuw het politieke debat te openen over het afschaffen van de dividendbelasting, een dag nadat de laatste onderneming waarvoor dat eventueel een vestigingsbelemmering zou kunnen zijn geweest, heeft aangekondigd te vertrekken.