DE OPPOSITIE OVER DE CRISIS

Hoe nu verder?

Alle seinen staan op rood: er komt een recessie. Welke vraagstukken komen daarmee op de politiek af? Drie financieel woordvoerders van drie oppositiepartijen kijken alvast vooruit.

NEE, DE GESCHIEDENIS herhaalt zich niet. Deze financiële crisis is anders dan die van 1929. Experts kunnen dat haarfijn uitleggen. Maar sommige overeenkomsten zijn te frappant, misschien zelfs te leuk – ware het niet dat dit in deze tijden een opgepast woord lijkt – om onvermeld te laten.
Tijdens het beurstumult op Wall Street zo’n kleine tachtig jaar geleden verscheen plotseling een verklaring van John D. Rockefeller, in de negentiende eeuw puissant rijk geworden in de oliehandel, maar op het moment van de beurskrach al jaren teruggetrokken levend. Rockefeller liet weten dat hij samen met zijn zoon in die sombere oktobermaand van 1929 Amerikaanse aandelen aan het kopen was. Waarom deed Rockefeller dat?
Om dezelfde reden als waarom de schatrijke Amerikaan Warren Buffett eind vorige week in een opiniestuk in The New York Times liet weten dat hij Amerikaanse aandelen aan het kopen is. En daar openlijk het advies aan toevoegde dat andere landgenoten dat ook moeten doen. Net als Rockefeller destijds wil Buffett de crisis keren, erger voorkomen, een diepe recessie proberen af te wenden.
Het kabinet is op dit moment nog druk doende de financiële crisis in de klauwen te krijgen. Of zoals GroenLinks-Kamerlid Kees Vendrik dat noemt: de brand te blussen. Maar als die brand onder controle komt, zal het werk niet gedaan zijn. Want dan is er nog altijd de recessie.
Ierland en Denemarken zijn ons daarin al voorgegaan. In de Verenigde Staten heeft een hoge medewerker van de nationale toezichthouder, de Fed, vorige week laten weten dat er in het derde kwartaal geen economische groei was en dat hij verwachtte dat de economie in het vierde kwartaal zal krimpen. De tweede man van De Nederlandsche Bank, Henk Brouwer, voorspelde eind vorige week voor volgend jaar in Nederland een economische groei van nul en misschien zelfs krimp.
Kees Vendrik, financieel woordvoerder van GroenLinks, denkt dat pas over een maand duidelijk is hoe groot de financiële problemen van de banken daadwerkelijk zijn en daarmee hoe ver de kredietkraan van de banken richting het bedrijfsleven open zal blijven staan. Dat laatste is volgens hem bepalend voor de vraag of de Nederlandse economie in een recessie terechtkomt en hoe groot die recessie dan zal zijn: ‘Zolang we niet weten hoeveel de banken precies moeten afwaarderen op de financiële producten waar het nu allemaal om draait, staat het gaslek als het ware nog open en helpt het blussen van de brand niet. We moeten weten hoe groot de klappen zijn en welke banken er in Nederland nog meer door worden geraakt.’
Maar wat te doen als het zo ver is? Waar zal de politiek tegenaan lopen als Nederland de economische groei tot het nulpunt of nog verder weg ziet zakken? Moet er dan worden bezuinigd? Moet er worden ingegrepen in de arbeidsmarkt?
Over de acute hulp die het kabinet nu in het oog van de financiële orkaan verleent, is de politiek het van links tot rechts in grote lijnen eens. Maar straks, als een recessie bestreden moet worden, zal blijken dat slechte tijden de principiële verschillen in opvatting tussen politieke partijen naar voren halen. Hier vast als voorproefje de waarschuwingen van SP en GroenLinks, oppositiepartijen ter linkerzijde van het kabinet-Balkenende IV, en de VVD, die op de rechterflank oppositie voert.

Neem bijvoorbeeld de eigen begroting van de rijksoverheid. GroenLinks-Kamerlid Vendrik vindt dat het kabinet de onvermijdelijke belastingtegenvallers die het gevolg zullen zijn van een recessie ‘niet in paniek moet gaan lopen wegbezuinigen’. Dat zou het alleen maar erger maken. SP-Kamerlid Ewout Irrgang is het met Vendrik eens: ‘Bezuinigen is het domste wat je kunt doen in een recessie.’
Maar de liberaal Frans Weekers denkt daar fundamenteel anders over. Het VVD-Kamerlid vindt dat het kabinet juist wel naar de eigen uitgaven moet kijken en, zoals dat eufemistisch heet, de uitgavenkaders moet bijstellen, lees: moet bezuinigen.
Als rechtgeaard liberaal wil Weekers dat het kabinet tijdens een recessie ‘financieel lucht’ geeft aan bedrijven en burgers, om te kunnen investeren en consumeren. Alleen voor harde infrastructuur, zoals wegen of spoorlijnen, maakt hij een uitzondering: daarin zal het kabinet wel extra moeten investeren.
SP’er Irrgang bepleit op dit punt juist weer behoedzaamheid: ‘Meestal weet je pas dat je in een recessie zit als die voorbij is. En mocht je er al bijtijds bij zijn, dan nog zijn investeringsmaatregelen pas later effectief, als de recessie al weer voorbij is.’ Volgens Irrgang hebben extra overheidsinvesteringen ook niet zo veel zin als Nederland dat alleen zou doen: ‘We hebben een heel open economie. Dat geld zou weglekken naar het buitenland. Investeren helpt alleen als het in Europees verband gebeurt.’

Begin jaren tachtig kampte Nederland ook met een recessie, met 1981 als slechtste jaar. Groot verschil tussen toen en nu is de arbeidsmarkt. Destijds kwam het laatste staartje van de babyboomgeneratie de arbeidsmarkt op en werd massaal werkloos. Nu is er juist een tekort aan arbeidskrachten. Hoeven we daarom niet bang te zijn voor werkloosheid?
Vendrik vindt dat te optimistisch: ‘We hebben in Nederland een waardeloze traditie als het gaat om goed arbeidsmarktbeleid. We zijn er goed in om in meer of mindere mate een hele generatie verloren te laten gaan voor de arbeidsmarkt. Ook nu zal er in het bedrijfsleven geherstructureerd worden, er zullen diensten verdwijnen en je weet nu al dat de klappen zullen vallen bij de mensen met een lage opleiding, bij ouderen, herintredende vrouwen, schoolverlaters. We moeten voorkomen dat die duurzaam afdrijven.’ Als maatregel daartegen denkt Vendrik onder meer aan loonkostensubsidies.
Een verschil tussen nu en een kleine dertig jaar geleden is ook de samenwerking in de polder. Destijds duurde het tot 1982 voordat werkgevers en werknemers tot een afspraak konden komen over loonmatiging, het beroemde Akkoord van Wassenaar. Nu is die afspraak begin oktober tijdens het Najaarsoverleg al gemaakt, dus vóórdat er daadwerkelijk sprake is van een recessie.
Maar Vendrik denkt dat dit niet voldoende is. Hij wil weten wat er met de belofte van dit kabinet is gebeurd om tweehonderdduizend werklozen aan een baan te helpen: ‘Dat project is in de gracht gegooid. Dat zal ons nog duur komen te staan.’ Hij vindt dat het kabinet wel wat terug had mogen vragen van de werkgevers in ruil voor de lage werkloosheidspremie. Dat is gebracht als een koopkrachtmaatregel voor de burger, maar in de ogen van Vendrik is het vooral ook een lastenverlichting voor de werkgever, omdat deze die premie betaalt.
VVD-Kamerlid Weekers benadert de problemen die zullen ontstaan als het bedrijfsleven klappen krijgt heel anders. Hij voorziet dat politiek gevoelige onderwerpen die dit kabinet vanwege onderlinge onenigheid in de kantlijn heeft geparkeerd weer op de actuele agenda zullen terugkeren: het flexibeler ontslagrecht, de kortere duur van de werkloosheidsuitkering en het langer doorwerken. Het zijn niet geheel onverwacht de onderwerpen die bij de werkgevers tot vlak voor het uitbreken van de crisis boven aan het verlanglijstje stonden.
De grap is snel gemaakt dat ouderen, gezien de verliezen van de pensioenfondsen, nu vanzelf tot na hun 65ste zullen willen doorwerken om zichzelf zo een hoger pensioen te garanderen en CDA-minister Piet Hein Donner daarmee alsnog zijn zin te geven. Ewout Irrgang hoopt dat dit niet nodig zal zijn: ‘Want de meeste mensen stoppen met werken omdat ze fysiek op zijn.’
De huidige crisis en de verliezen bij de pensioenfondsen zijn voor hem wel aanleiding het pensioenstelsel eens grondig tegen het licht te houden. ‘Pensioenen werken procyclisch; ze versterken de groei in tijden dat het goed gaat en verslechteren de conjunctuur als het toch al slecht gaat. We moeten eens goed kijken of dat wel de bedoeling is.’ Ook Vendrik wil hier aandacht voor.
Vendrik en Irrgang zien, onafhankelijk van elkaar, ook een lichtpuntje in deze crisis. Dat lichtje brandt op de huizenmarkt, waar de prijzen nu minder stijgen dan voorheen. Dat maakt het voor jongeren op den duur makkelijker een eigen huis te kopen. ‘Maar de huizenprijzen moeten niet gaan inzakken’, waarschuwt Irrgang. ‘Een prijsstijging op de huizenmarkt tussen de nul en één procent zou mooi zijn’, vindt hij, ‘want dat betekent gezien de inflatie een reële daling van de prijs. Daar profiteren jongeren van zonder dat de huidige huizenbezitters erdoor in de problemen komen.’
Vendrik hoopt hetzelfde. Hij ziet de gevolgen van de crisis voor de huizenmarkt als een bijdrage aan het vergrijzingsprobleem. ‘De vermogensverdeling tussen ouderen en jongeren is nu ongelijk; de kosten van de vergrijzing dreigen daardoor vooral bij jongeren terecht te komen. Een lagere prijsstijging op de huizenmarkt draagt bij aan een eerlijker verdeling.’ In dat geval zou de crisis de politiek dus een handje kunnen helpen.
De oproep van Rockefeller om Amerikaanse aandelen te kopen heeft destijds niet gewerkt. Het duurde nog tot in de jaren dertig voordat Wall Street zijn laagste beurskoers had bereikt alvorens weer te gaan stijgen. De geschiedenis herhaalt zich niet, dus dit zegt niks over de recente oproep van Buffett. Maar dat de politiek op niet al te lange termijn op het scherp van de snede zal moeten debatteren, lijkt onafwendbaar.