Hoe of wat

Indachtig filosofen als Socrates en Hannah Arendt zou Den Haag meer moeten nadenken over wát het wil en minder over hoe. Maar Socrates en Arendt waren geen politici.

De Denker des Vaderlands, filosoof Daan Roovers, hield onlangs in De Tussenruimte in Den Haag een verhaal over de vraag wat politiek is. Ze haalde onder meer Socrates aan die de vraag stelde wat een rechtvaardige samenleving is. Een antwoord daarop kunnen wij volgens deze Griekse filosoof allemaal geven, dat is niet het exclusieve terrein van politici. Ook de filosoof Hannah Arendt vond dat politiek moet gaan over het wat, over de vraag wat voor samenleving we willen. Politiek gaat volgens Arendt niet over het hoe. Dat is uitwerking, dat laat je over aan deskundigen, dat is geen politiek.

Het klinkt mooi. Idealistisch. Vooral als iedereen meepraat over die politieke wat-vraag, gewoon aan de eigen eettafel, en niet alleen gekozen politici daar een antwoord op geven. Maar ook in de politieke arena op het Binnenhof gaat het er meestal niet zo aan toe. Bij de Algemene Politieke Beschouwingen willen fractievoorzitters nog wel eens de tijd nemen om hun ideaal van een toekomstige samenleving te schetsen. Maar ook die twee lange vergaderdagen eindigen uiteindelijk heel concreet met moties over bijvoorbeeld extra geld dat volgens een of meerdere politieke partijen nodig is om een volgens hen nastrevenswaardig doel te bereiken.

Ik denk dat veel mensen de vraag of ze vrede willen met een hartgrondig ja zullen beantwoorden. Een flauw voorbeeld? Bedenk dan dat Nederland de vrede ging bevorderen in onder meer Afghanistan en Irak, met trainingen in democratie en met bommen. Onlangs werd bekend dat een Nederlandse bom in Irak vele onschuldige burgers heeft gedood. Als je vindt dat de politiek over dit soort risico’s vooraf duidelijker moet zijn, gaat het dus al over hoe je die vrede wilt gaan bevorderen. Tenzij je dat aan diplomaten en militairen wilt overlaten.

Een voorbeeld dichter bij huis. Een politieke meerderheid besloot alweer enige jaren geleden rijksoverheidstaken over te hevelen naar de gemeenten. Het ideaalbeeld dat de landelijke politici voor ogen hadden, was dat gemeenten dichter bij de burger staan en daardoor beter zicht hebben op wat er nodig is aan inkomensbijstand, zorg voor ouderen of voor jongeren met problemen. En dat zou dan ook nog eens minder geld kosten, reden waarom er ook meteen werd bezuinigd.

Inmiddels zucht menige jeugdzorginstelling onder de afknijptarieven die gemeenten voor het werk overhebben én onder de vele regels die er vanuit de gemeenten bij zijn gekomen. Ook is er ongelijkheid tussen burgers ontstaan, omdat in de ene gemeente de inwoners anders worden behandeld dan in de andere. Dat is uitvoering, zou je kunnen volhouden. Maar dan wel uitvoering die gevolgen heeft voor de politieke wat-vraag, die behelsde immers betere zorg voor jongeren met problemen.

Het blijkt telkens weer een onhaalbaar streven: op hoofdlijnen discussiëren

Over het belang van goed onderwijs, voor het individu en voor de kans op een samenleving met meer gelijkheid, zullen velen het aan de eettafel eens zijn. Zo ook de politici in Den Haag. Maar ook hier wringt het bij het hoe, bij de uitvoering. Die ook hier gevolgen heeft voor de politieke wat-vraag.

Volgende week woensdag staken de docenten voor meer salaris. Stel dat dit er komt, boven op het extra geld dat het kabinet al voor onderwijs heeft uitgetrokken. Als de politiek zich dan verder niet bemoeit met de vraag hoe dit geld wordt verdeeld, heb je kans dat alle docenten er gelijkelijk op vooruitgaan. Klinkt goed?

Nee, want het gevolg kan zijn dat docenten op de huidige krappe arbeidsmarkt dan vooral kiezen voor banen op scholen met kinderen van hoger opgeleide ouders, met ook hogere inkomens. Juist de scholen in wijken met veel probleemgezinnen zullen dan nog steeds leerkrachten tekortkomen en daardoor mogelijk zelfs klassen af en toe naar huis moeten sturen. Waar blijft dan het breed gedeelde politieke ideaal dat onderwijs gelijke kansen moet creëren?

Zou je van bovenstaande voorbeelden nog kunnen zeggen dat de uitvoering onbedoelde gevolgen heeft gehad voor het ideaal dat voor ogen stond, het Programma Aanpak Stikstof (pas) laat zien dat hier het effect van de uitvoering geen toeval was. Het pas beoogde om de voor de natuur schadelijke stikstof terug te dringen. Afgesproken werd dat bij de bouw van woningen, stallen, bedrijven of wegen rekening kon worden gehouden met fictieve, toekomstige reducties in de stikstofuitstoot. Dan weet je al dat het met de mond beleden politieke ideaal van minder stikstof ten behoeve van een betere natuur niet in zicht zal komen. De Raad van State haalde het pas dit voorjaar dan ook onderuit. De problemen die dat nu tot gevolg heeft, zijn ontstaan omdat in het pas de politieke onenigheid over wat het doel moest zijn, bewust was weggemoffeld.

Dit zijn slechts een paar voorbeelden, de lijst kan nog heel veel langer. Het ideaal dat Socrates en Arendt voor ogen hadden, een politiek die zich concentreert op de wat-vraag, is kortom ver te zoeken. Toch zijn er telkens weer politici die willen dat in Den Haag meer op hoofdlijnen wordt gediscussieerd, niet op de details van de uitvoering. Onlangs nog pleitte GroenLinks-leider Jesse Klaver hiervoor.

Telkens weer blijkt het een onhaalbaar streven. Steeds weer zit het venijn in de staart, daar waar burgers direct met concrete maatregelen te maken krijgen. Zouden Socrates en Arendt te veel theoreticus zijn geweest? Zij hoefden immers niet op zoek naar compromissen tussen verschillende politieke idealen en naar oplossingen voor praktische problemen. Zij hoefden geen politiek te bedrijven.