Over het taalgebruik van de tien

Hoe praatten ze?

Over het taalgebruik van de tien «Grootste Nederlanders»

Stel dat Willem van Oranje (1533-1584) gekozen wordt als de Grootste Nederlander, dan gaat de eerste prijs naar een persoon die nauwelijks Nederlands sprak, en die er daarom ook maar van afzag toen hij in 1584 de geest gaf. Dit waren, naar verluidt, zijn laatste woorden: «Mon Dieu, mon Dieu, ayez pitié de moi et de ce pauvre peuple», met ’t gevolg dat dat arme volk hem ook toen niet verstond. Alle andere genomineerde «Grootste Nederlanders» spraken wel Nederlands, dat wil zeggen vier ervan ABN, de overige een Nederlands dialect.

Dat Willem van Oranje nauwelijks een woord Nederlands sprak, heeft alles te maken met zijn herkomst en zijn opvoeding. Hij is geboren in het Duitse Dillenburg, maar zijn opvoeding kreeg hij in Brussel. De cursus Nederlands als tweede taal die hij daar genoot, is kennelijk niet met succes bekroond. Het enige wat Oranje met een paar andere genomineerden op het punt van taal gemeen heeft, is dat hij geen h kon zeggen; hij omdat het Frans die consonant niet kent, en de anderen, De Ruyter, Rembrandt en Erasmus, omdat die h in hun moedertaal ook niet meer voorkwam.

De Ruyter (1607-1676), een geboren en getogen Zeeuw, heeft zijn hele leven Zeeuws gesproken. Zijn moeder was Zeeuwse, dat zegt al genoeg, maar ook zijn drie vrouwen waren dat. Over het taalgebruik van De Ruyter bestaan allerlei anekdotes, bijvoorbeeld over die van de slag bij Plymouth (1653), toen hij volgens zegslieden «dapper Zeeuwse taal» sprak, wat niet zo gek is: in het vuur van welke strijd ook spreekt iedereen zijn moedertaal. Over hoe dat spreken van De Ruyter heeft geklonken zijn we dankzij zijn geschriften redelijk geïnformeerd. Nu is schrijftaal nog lang geen spreektaal maar in het geval van De Ruyter, die geen geletterd man was, is uit zijn brieven en journaals veel over zijn manier van praten op te maken. Bijvoorbeeld wat betreft de «h». De Ruyter kon die niet uitspreken, dat blijkt uit het grote aantal verkeerde h’s dat hij schrijft. Het zijn de hypercorrecte h’s van iemand die zich op dit punt onzeker voelt en bang is een h weg te laten waar dat niet mag. Die neemt het zekere voor het onzekere en strooit kwistig h’s in ’t rond: «Voor hanker gaan, ten hoorlog trekken, de Hooranje vlag hijsen», en verder sprak hij zoals Zeeuwen nog altijd doen: «ons bluven zunig». We kunnen er dus vanuit gaan dat elke ij bij de Ruyter «ie» was of «uu»: «diek, kieken, bluven, pupe» en dat elke ui als «uu» geklonken heeft. Water was «waeter» en later «laeter».

Dat Erasmus (1466?-1536) als hij zijn moedertaal sprak waarschijnlijk geen h gezegd heeft, ligt bij hem aan de grootmoeder van moeders kant, door wie hij tot zijn vijfde jaar opgevoed is. Zijn moeder, Margaretha Rutgers, en ook de grootmoeder waren afkomstig uit Zevenbergen en spraken dus West- Brabants, een dialect zonder h. Erasmus is dus de tweede grote Nederlander die aan dat heuvel leed. Dat Erasmus, ook al schreef hij uitsluitend in het Latijn, Brabantser was dan wel eens wordt aangenomen, is af te leiden uit allerlei levensfeiten. Zo was hij meermalen in een buitenverblijf te Halsteren bij Bergen op Zoom, waar onder meer het beroemde Liber antibarbarorum geschreven is. Dan is er de befaamde verzuchting in een van zijn laatste brieven, hier vertaald: «Wat Bazel betreft, hoewel ik hier bij zeer goede vrienden ben, zoals ik ze te Freiburg niet had, toch zou ik, wegens de godsdienstige geschillen, liever ergens anders mijn leven willen eindigen. Och, dat Brabant dichterbij ware!»

Maar ook zijn zelfgekozen schrij vers naam is alleen te begrijpen vanuit een Brabantse achtergrond. Hij heette namelijk niet op z’n Hollands Gerrit Gerrits, maar op z’n Brabants Geert Geerts. Deze namen bracht hij zelf – overigens ten onrechte – in verband met het werkwoord begeren (wat bij Gerrit natuurlijk niet had gekund) en zo vertaalde hij zijn twee namen in respectievelijk Latijn Desiderius (van het werkwoord desidere, begeren) en Grieks Erasmus (van eraoo, begeren): Desiderius Erasmus is dus Geert Geerts.

Het West-Brabants zoals Erasmus dat gesproken heeft, verschilde op een paar belangrijke punten van het tegenwoordige, in het bijzonder in de uitspraak van de ui en de ij. Op het eind van de vijftiende eeuw werden die in West-Brabant, net als in Zeeland en elders, nog als «uu» en «ie» uitgesproken dus: «buut» (buiten) en «uze kieken» (huizen kijken), maar water is «waoter» en later «laoter». Zijn laatste woorden sprak Erasmus in zijn moedertaal: «Lieve God.» Hij wel.

De vader van Rembrandt van Rijn (1606-1669) was molenaar in Leiden, zijn moeder was de dochter van een bakker. Ze behoorden dus tot de burgerij en dat doet vermoeden welk soort Nederlands Rembrandt gesproken zal hebben. Hij en ook Van Leeuwenhoeck en De Ruyter waren zeventiende- eeuwers. Ze leefden in een tijd dat er nog geen algemene uniforme spreektaal bestond. Er werd wel aan gewerkt maar niet-intellectuelen als deze grote drie spraken de taal van hun geboortestad. Bij Rembrandt was dat het Leids, dat in zijn tijd veel meer eigen kenmerken bezat dan het tegenwoordige dialect. Het zou mooi geweest zijn als we Rembrandt zijn eigen naam hadden kunnen horen zeggen. Dat moet zo geklonken hebben: «ßembrant fan ßaain», met die typisch Leidse ß, die erg lijkt op de Amerikaanse r. Het Leids had en heeft ten dele nog de «aai» voor de ei die veel Hollandse dialecten toen al kenden. Een zinnetje als het volgende zou Rembrandt gezegd kunnen hebben: «ik eb wat te veul laainolie baai de vurf gedaan», al het is deze opmerking er kunsthistorisch bekeken misschien wel helemaal naast. Naar alle waarschijnlijkheid sprak ook Rembrandt de h niet uit, vandaar «ik eb». Die h-loosheid van het oude Leidse dialect wordt wel geweten aan de enorme toestroom van vluchtelingen op het eind van de zestiende eeuw, vanuit West-Vlaanderen, vanouds een gebied zonder h.

«En deselvige (de zwavel – js) scheen als olij bij den anderen te leggen» schreef Van Leeuwenhoeck (1632-1723) in 1675. Aan dat leggen is al te zien dat Leeuwenhoeck een Hollands dialect sprak, waarin geen onderscheid gemaakt wordt tussen «liggen» en «leggen». Zijn taalgebruik is bewaard gebleven in de vele brieven die hij schreef aan Oldenburgh, die ze weer in het Engels vertaalde ten behoeve van de Royal Society. Deze omweg was nodig omdat, aldus Leeuwenhoeck, «ick geen talen kan», met hier dat Hollandse «kan» voor ken. Andere Hollandse kenmerken in z’n brieven zijn verder de a in «scharp», «hartshoorn» en «starckte» en de o in «gevolt» en «connen».

Over het opvallendste verschijnsel in de Hollandse dialecten, de veranderingen van ei in «aai» lichten de brieven ons niet in. Van Leeuwenhoeck volgt de toen gangbare spelling en maakt onderscheid in spelling tussen ij en eij. Dat kan een aanwijzing zijn dat er verschil in uitspraak geweest is. Aangezien de ij toen al als «ei» werd uitgesproken, heeft Leeuwenhoeck heel waarschijnlijk «klaain», «kaai» (kei), «schaaide» (scheidde) en «aaieren» gezegd.

Vier van de tien Grootste Nederlanders spraken ABN: Vincent van Gogh, Anne Frank, Pim Fortuyn en Willem Drees, in de eerste plaats natuurlijk omdat in hun tijd dat ABN gemeengoed geworden was en vervolgens omdat ze uit een milieu komen waarin ’t spreken van ABN normaal was of belangrijk gevonden werd. Vincent van Gogh (1853-1890) is geboren in het West-Brabantse Zundert en heeft daarna enkele jaren doorgebracht in Nuenen, dat bij Eindhoven ligt. In zijn geval betekent dat overigens niet dat hij Brabants gesproken heeft. Van Gogh is de zoon van een Hollandse dominee, Theo dorus van Gogh, geboren te Benschop bij Haarlem, zijn moeder kwam uit Den Haag. Toen de moeder vele jaren later in Nuenen weduwe geworden was, keerde ze naar Den Haag terug. Ze had blijkbaar geen band met Brabant. Aansluiting met zijn dorps genoten heeft de jonge Van Gogh ook niet gevonden. Zijn ouders hebben hem van de Zun dertse school vandaan gehaald (die was «te boers») en naar de protestantse school in Zevenbergen gestuurd. Daar werd beslist geen dialect gesproken. De protestantse kinderen op die school hadden ouders die uit Holland afkomstig waren. Het was een internaat, dus er was volop contact met Hollandse leeftijdgenoten. Van Gogh voelde zich in geen enkel opzicht Brabander. Als hij Nederland bedoelt schrijft hij «Holland», wat geen Brabander zal doen.

Uit zijn brieven valt weinig over zijn spreektaal af te leiden. Om te beginnen zijn de meeste brieven geschreven in andere talen, vooral in het Frans. De Nederlandse brieven zijn in Algemeen Nederlands geschreven en verraden geen bijzondere spreektaalkenmerken. Met uitzondering misschien van dit «wezen» in «waar ’t altijd herfst zou wezen», dat zo gebruikt eerder Hollands dan Brabants is. Opvallend is dat Van Gogh het onderschikkende voegwoord «dat» steeds weglaat: «Je kunt denken ik ’t heerlijk vind met Anna samen hier te zijn. Vertel de H.T. de schilderijen in goede orde zijn aangekomen.» Maar of hij dat bij het spreken ook deed, betwijfel ik.

Toen Anne Frank (1929-1945) in februari 1934 in Amsterdam kwam wonen, was ze bijna vijf jaar. Dat betekent vanuit taalkundig gezichtspunt dat ze, net als alle kinderen van die leeftijd, haar moedertaal perfect beheerste. Die moedertaal was het Duits. Al na een paar maanden was haar vader erin geslaagd een plaatsje voor Anne te vinden op de Montessorikleuterschool, in Amsterdam-Zuid. De familie Frank woonde daar in een appartement aan het Merwedeplein. Het spreekt vanzelf dat het Nederlands de voertaal was op die school.

Voor kinderen van de leeftijd van Anne is het leren spreken van een tweede taal geen enkel probleem. We mogen dus gerust aannemen dat ze binnen de kortste keren ook goed Nederlands heeft leren spreken. Daarvoor zijn genoeg aanwijzingen in haar dagboek te vinden. Het Nederlands dat ze daar schrijft is onberispelijk en opvallend voldragen. Dat zegt ook iets over het niveau van haar spreken. Bovendien schrijft ze dat ze van het Nederlands houdt en dan bedoelt ze natuurlijk het Nederlands dat ze schrijft en spreekt. Anne had nog een persoonlijk motief om haar best te doen om goed Nederlands te spreken: ze wilde voor geen goud meer Duits spreken, de taal van de verfoeide Moffen; dat deed ze zelfs niet meer met haar Duitse vrienden.

Amsterdam-Zuid is de bakermat van de Gooise r. Die is daar vóór de Tweede Wereldoorlog al gesignaleerd onder de gegoede burgerij. Tien tegen één dat Anne ook die r sprak, modebewust en alert als ze was, en dat ze gezegd heeft «zekeJ» en «kameJ» met dezelfde r als die de spraak van Sacha de Boer (NOS Journaal) zo opvallend maakt.

Er is geen Nederlander van wie zo veel spreektaal op internet te beluisteren is als Pim Fortuyn (1948-2002). Hij is in elk geval de meest geïnterviewde Nederlander. Fortuyn sprak ABN, met een duidelijk homonale inslag: be weeglijke gevarieerde zinsmelodieën en zorgvuldig gearticuleerde medeklinkers, met iets gemaniëreerds erin. Fortuyn is geboren in Velsen, ging in Haarlem naar de middelbare school en studeerde aan de Vrije Universiteit van Amsterdam, allemaal locaties die het spreken van ABN bevorderen. Maar Fortuyn had die behoefte ook van zichzelf. Zoals hij in uiterlijk en kleding een verzorgde indruk maakte, zo deed hij dat ook in zijn manier van spreken.

Ook van Willem Drees (1886-1988) zijn veel opnamen van toespraken en causerieën bewaard gebleven. Opvallend in zijn spraak zijn het rustige tempo en de verzorgde uitspraak, die tegelijk en vergeleken met die van Fortuyn nu een ouderwetse indruk maakt. Ook aan de norm van het ABN is in de loop van de tijd blijkbaar wel wat veranderd.

De enige levende Grootste Nederlander van de tien, Johan Cruijff (1947), spreekt geen ABN, de vier in tijd aan hem voorafgaande Nederlanders spraken het juist wél. Het kan de Nederlanders blijkbaar weinig schelen hoe Cruijff praat, integendeel, cruijffiaans Nederlands wordt grappig en interessant gevonden. In elk geval was het geen belemmering om hem zo hoog op de lijst van Grootste Nederlanders te brengen. Het zegt ook iets over de tolerantie van de Nederlanders tegenover taalgebruik in het algemeen en over de status die het ABN tegenwoordig nog heeft: iedereen weet wat het is, maar steeds meer Nederlanders willen zo niet meer praten.

Er wordt wel gedacht dat het Voetbalnederlands van Johan Cruijff het Algemeen Beschaafde Nederlands van de toekomst wordt en dat iedereen, van hoog tot laag, zal gaan zeggen: «Je hebt kansen, maar hun ook. Wie of de bal heb die kan scoren. Ik kon ’m al langer.» Ik verwacht dat niet zo gauw. Daarvoor is het nu juist te grappig en wordt er te vaak kritisch over gesproken. Spraakveranderingen hebben doorgaans een verborgen prestige en worden ongemerkt overgenomen. «Hun hebben» valt te veel op en wordt daardoor tegengehouden, terwijl «hij heb», doordat het zo’n onopvallende plaats in de zin heeft, al veel meer voorkomt.

Wie de Grootste Nederlander wordt weten we nog niet, maar 6 tegen 4 dat hij «groter als» zei.