Wie zijn de ware vijanden van de planeet?

Hoe rijker, hoe viezer

Nee, ‘wij mensen’ zijn niet allemaal even verantwoordelijk voor de opwarming van de aarde of het uitsterven van diersoorten. Bewuste burgers verkleinen hun ecologische voetafdruk, maar de fossiele industrie lobbyt om klimaatbeleid te blokkeren.

Malibu, Californië, november. Een uil is uitgeweken naar het strand als de Woolsey brand nadert. © Los Angeles Times via Getty Images, Wally Skalij

Vorig jaar liet de beruchte bioloog Paul R. Ehrlich weer eens van zich horen. Het was bijna een halve eeuw na de publicatie van het boek waarmee hij zijn omstreden reputatie vestigde: The Population Bomb. In die pamflettistische tekst had hij beschreven wat een ellende ons te wachten staat als we de groei van de wereldbevolking niet rap aan banden leggen. Massale hongerdood. Oorlog. Epidemieën. Complete chaos, kortom. Destijds vonden zijn doemscenario’s gretig aftrek: hij verkocht miljoenen boeken, mocht regelmatig aanschuiven bij talkshows op de Amerikaanse televisie en overal ter wereld werden clubs opgericht om de bevolkingsbom te ontmantelen. Toen bleek dat zijn apocalyptische prognoses niet uitkwamen, doofde zijn ster gestaag, tot op het punt dat Ehrlich vooral nog werd aangehaald als een voorbeeld waarom we luidruchtige doemdenkers niet serieus moeten nemen.

Zelf is Ehrlich bepaald niet tot inkeer gekomen, zo bleek vorige zomer. Decennialang werd hij bespot en verketterd, maar nu krijgt hij alsnog gelijk, vindt hij zelf. De voorspelde hongersnood is misschien uitgebleven, er brak geen gemuteerd virus uit of een allesvernietigende wereldoorlog, maar de populatiebom staat volgens Ehrlich nog altijd op barsten. Kijk alleen al naar de ontwrichting van het klimaat en het massale uitsterven van diersoorten. Je hoeft geen wetenschapper te zijn om te begrijpen wie daarvoor verantwoordelijk is, schreef hij in een opiniestuk in The Guardian. Dat zijn wij, de mens. ‘Hoe meer mensen er zijn, hoe meer broeikasgassen de atmosfeer in gaan en hoe groter de impact op dieren die afhankelijk zijn van specifieke temperaturen.’

De aanleiding om opnieuw de alarmklok te luiden was een wetenschappelijk artikel dat hij samen met twee collega’s had geschreven. We zitten midden in een ‘zesde massauitstervingsgolf’, concluderen ze daarin, een ‘biologische vernietiging’ op enorme schaal. In het verleden zijn er vijf van dat soort uitstervingsgolven geweest, waarbij het leven op aarde in één klap drastisch werd opgeschud. De laatste was 65 miljoen jaar geleden, nadat een gigantische asteroïde neerstortte in wat nu Mexico is. Het betekende het einde van de dinosauriërs. Het unieke aan de huidige uitstervingsgolf is dat ze niet wordt veroorzaakt door externe natuurkrachten zoals vulkaanuitbarstingen of meteorietinslagen, maar het gevolg is van de collectieve activiteit van zeven miljard mensen. Of zoals journalist Elizabeth Kolbert het verwoordde: ‘Wij zijn de meteoriet.’

Vandaar dat Kolbert in haar boek The Sixth Extinction regelmatig schrijft over ‘the Anthropocene’. Officieel leven we nog steeds in het Holoceen, het tijdvak dat zo’n twaalfduizend jaar geleden begon en wordt gekenmerkt door stabiele klimatologische omstandigheden, waardoor de menselijke beschaving tot bloei kon komen. Maar inmiddels dreigt de menselijke soort aan haar eigen ‘succes’ ten onder te gaan. Volgens een groeiend aantal wetenschappers hebben we zelfs eigenhandig een nieuw geologisch tijdperk ingeluid: het Antropoceen, het tijdperk van de mens.

De term lijkt impliciet een antwoord te geven op de schuldvraag. ‘Wij mensen’ zijn de reden dat dieren massaal het loodje leggen en temperaturen stijgen. Wij walsen oerbossen plat, vullen oceanen met plastic, pompen broeikasgassen in de atmosfeer en besproeien akkers met giftige chemicaliën. Vandaar dat veel natuurbeschermers er ronduit misantropische opvattingen op nahouden: de mensheid is een destructieve kracht, een soort rupsje-nooit-genoeg dat de planeet kaalvreet en zo al het leven op aarde in gevaar brengt. Om dat gevaar af te wenden is er volgens Ehrlich dan ook maar één logische oplossing: minder mensen.

Nu kijkt Ehrlich met de blik van een bioloog: voordat hij zijn alarmistische bestseller schreef, bestudeerde hij vlinders. Daar zag hij hoe de natuur werkt: als een bepaalde soort te dominant wordt, klapt een ecosysteem in elkaar. Maar de mens is geen insect. Vlinders richten geen multinationals op, ze gaan niet in gele hesjes de straat op, brengen geen wetenschappers voort die het gedrag van hun soort kritisch onder de loep nemen. Je hoeft geen socioloog te zijn om te begrijpen dat de mens zich niet laat reduceren tot zijn biologische eigenschappen. Door het denken in termen van ‘de-mens-als-soort’, zonder oog te hebben voor de sociaal-economische machtsverhoudingen, blijven de ware schuldigen buiten schot.

Want we zijn niet allemaal even verantwoordelijk voor de almaar groeiende ecologische crisis. De helft van de wereldwijde CO2-emissies is afkomstig van de rijkste tien procent. In Nederland stoten tien bedrijven drie keer zo veel uit als alle huishoudens bij elkaar. De oplossing van Ehrlich is dus op z’n zachtst gezegd nogal simplistisch, want er bestaat geen eenduidig causaal verband tussen de groei van de wereldbevolking en de ontwrichting van het klimaat. Tussen 1820 en 2010 groeide de uitstoot van broeikasgassen met een factor 654,8, terwijl de wereldbevolking ‘slechts’ toenam met een factor 6,6. Sterker nog: in de landen waar de bevolking het hardst groeit stoot de gemiddelde burger de minste broeikasgassen uit. Zo groeide de bevolking van China tussen 1980 en 2005 jaarlijks met 1,1 procent, terwijl de CO2-uitstoot toenam met 5,9 procent. In Tsjaad, een land met een snelle bevolkingsgroei, dáálden de emissies zelfs. Noord-Amerika omvat slechts vijf procent van de wereldbevolking, maar is door haar excessieve consumptiegedrag wel goed voor bijna een vijfde van de totale wereldwijde emissies. Over het algemeen lijkt eerder te gelden: hoe rijker, hoe viezer.

In de eerste week van augustus stond er één enkel verhaal in de weekendbijlage van The New York Times. Het telde meer dan dertigduizend woorden en was het langste artikel dat de krant ooit had gepubliceerd. Journalist Nathaniel Rich had zich twee jaar lang verdiept in de manier waarop er in de jaren tachtig werd gepraat en gedacht over de opwarming van de aarde. Dat was het decennium waarin we er, volgens de auteur, ‘bijna in waren geslaagd om klimaatverandering een halt toe te roepen’. In principe stonden alle seinen op groen: wetenschappers hadden voldoende bewijs voor alarmerende prognoses, zowel Republikeinen als Democraten waren overtuigd van de ernst, zelfs de industrie had de hakken nog niet in het zand gezet. En tóch lukte het niet. Hoe is dat mogelijk? Rich sprak met talloze wetenschappers, politici en ambtenaren en kwam uiteindelijk tot de volgende verklaring: het is de menselijke natuur.

Noord-Amerika is door haar excessieve consumptie goed voor bijna een vijfde van de wereldwijde emissies

Hij is bij lange na niet de enige die tot zo’n conclusie komt. Er zijn boeken volgeschreven over de vraag waarom wij psychologisch of evolutionair niet zijn toegerust om zo’n complex probleem als klimaatverandering het hoofd te bieden. De homo sapiens zou nu eenmaal steevast voorrang geven aan kortetermijnwinst boven langetermijnrisico’s. Net zoals kikkers zich zouden laten dood koken in een pan water die langzaam opwarmt, zo zou de mens zichzelf gestaag in de richting van de afgrond voeren. Zelfs nu we door krijgen dat we te pletter dreigen te slaan, zijn we niet in staat om onze collectieve koers te verleggen. Integendeel: hoe verontrustender de waarschuwingen van klimaatwetenschappers, hoe meer CO2 we de atmosfeer in pompen.

Meestal eindigt dat soort sombere analyses toch nog op een positieve noot. Zo ook bij Rich, die zijn magazine vullende artikel als volgt eindigt: ‘De menselijke natuur heeft ons in deze situatie gebracht; misschien dat de menselijke natuur ons ooit een uitweg zal bieden. Rationele argumenten hebben hopeloos gefaald. Nu is het de beurt aan irrationeel optimisme. Want het ligt tenslotte ook in de menselijke natuur om te hopen.’ Het klinkt als een nogal krachteloze poging om tegen beter weten in te blijven geloven in een happy end. Als onze vernietigingsdrang echt een ingebakken karaktertrek is, is er weinig hoop, zou je denken. Dan zijn we gewoon gedoemd.

Maar wat nu als de ware oorzaak van de klimaatcrisis helemaal niet in het dna van onze soort ligt, maar in de manier waarop we onze samenleving en economie hebben ingericht? Een economie die draait op fossiele brandstoffen en een samenleving waarin de bedrijven die profiteren van onze fossiele verslaving een ondemocratische invloed uitoefenen op politieke besluitvorming.

In het boek Fossil Capital gaat politiek-ecoloog Andreas Malm op zoek naar de wortels van de fossiele economie. Zijn gedetailleerde ontstaansgeschiedenis begint bij de industriële revolutie in Groot-Brittannië, waar kolen werden ontdekt als de ideale brandstof om de macht van ‘het kapitaal’ te vergroten. De overgang van watermolens naar stoommachines werd niet zozeer ingegeven door de vraag naar ‘goedkope’ energie, als wel door de behoefte van fabriekseigenaren om minder afhankelijk te zijn van menselijke arbeiders, concludeert Malm. Met als onvoorzien gevolg dat de uitstoot van broeikasgassen drastisch toenam.

Dat is ook de reden dat Paul Crutzen, de Nederlandse meteoroloog die de term ‘Antropoceen’ muntte, de industriële revolutie aanwijst als het begin van het ‘tijdperk van de mens’. Uit analyses van luchtbellen uit het poolijs blijkt immers dat de concentratie CO2 in de atmosfeer vanaf eind achttiende eeuw snel begint te stijgen. ‘Dat valt toevallig samen met James Watts ontwerp van de stoommachine in 1784’, schreef Crutzen in een artikel in Nature. In het tijdsbestek van twee eeuwen zorgde de mens voor een geologische ‘breuk’.

Anders dan Crutzen is Malm bepaald geen fan van de term ‘Antropoceen’. Het is een misleidend narratief, vindt hij, dat de ‘anthropos’ als geheel verantwoordelijk houdt voor iets dat in werkelijkheid te wijten is aan een selecte groep ‘eigenaren van productiemiddelen’ die de overgang naar stoomkracht promootten voor hun eigen gewin. Het waren de ‘kapitalisten in een klein hoekje van de westerse wereld’ die de basis hebben gelegd voor onze verslaving aan ‘vieze’ brandstoffen. Historisch gezien ligt daar de oorsprong van de ontwrichting van het klimaat.

Malm heeft genoeg cijfers om die stelling te onderbouwen. De geïndustrialiseerde samenlevingen in het Westen zijn verantwoordelijk voor 77,1 procent van de totale CO2-uitstoot tussen 1850 en 2000, terwijl ze minder dan een vijfde van de wereldbevolking omvatten. Nog altijd stoot de gemiddelde Amerikaan meer dan vijfhonderd keer zo veel uit als een inwoner van Ethiopië.

Natuurlijk kun je de industriebaronnen uit de achttiende en negentiende eeuw niet zomaar verantwoordelijk houden voor de klimaatcrisis waarmee we nu geconfronteerd worden. Zij hadden geen benul van het broeikaseffect, laat staan dat ze konden bevroeden dat het verstoken van kolen zou zorgen voor de verzuring van oceanen en het smelten van de ijskappen. Maar voor hun hedendaagse erfgenamen gaat dat excuus niet langer op. De huidige generatie oliemagnaten weet donders goed hoe schadelijk hun bedrijfsmodel is, al blijven ze hun uiterste best doen om dat te bagatelliseren.

Shell wilde voorkomen dat de overheid een stokje stak voor schadelijke, maar lucratieve projecten

Begin vorig jaar toverde De Correspondent een film boven tafel waarin Shell ondubbelzinnig waarschuwt voor de gevaren van klimaatverandering. Het jaar van productie? 1991. Maar de film Climate of Concern verdween in een kluis toen men in de board room doorkreeg hoe funest de conclusies waren voor het verdienmodel: de multinational is tot op haar vezels ingericht op het winnen van fossiele brandstoffen. Dus besloot men de ongemakkelijke waarheid onder het tapijt te vegen.

Dat niet alleen: Shell nam in Amerika deel aan een coalitie die actief twijfel zaaide over klimaatwetenschap. Zo probeerde het concern te voorkomen dat de overheid een stokje zou steken voor schadelijke, maar lucratieve projecten zoals de winning van teerzanden of het boren op de Noordpool. ExxonMobil maakte het zo mogelijk nog bonter. Het Amerikaanse olieconcern wist al meer dan veertig jaar van het bestaan van klimaatverandering, zo onthulde een journalistiek onderzoek van InsideClimate News in 2015. Maar in plaats van actie te ondernemen of het publiek te informeren, startte Exxon een campagne om desinformatie te verspreiden.

Hoe dat precies in zijn werk ging beschrijven Naomi Oreskes en Erik M. Conway in het boek Merchants of Doubt. De fossiele giganten hebben het kunstje afgekeken van de tabaksindustrie. Ze financierden denktanks die pseudo-wetenschappelijke rapporten publiceerden om de consensus te ondermijnen, huurden gewiekste pr-bureaus in om hun imago op te vijzelen en lobbyden onophoudelijk om strenger klimaatbeleid te blokkeren. Helaas niet zonder succes. De Verenigde Staten trokken zich terug uit het Kyoto-protocol en eind 2009, vlak voor de cruciale klimaattop in Kopenhagen, was er het ‘Climategate-schandaal’, waarbij e-mails van het Climatic Research Unit op straat kwamen te liggen. Volgens sceptici zouden die aantonen dat onwelgevallige geluiden de kop in werden gedrukt en dat de klimaatwetenschap daarom niet te vertrouwen was.

Toen later bleek dat het een georchestreerde hack was om de publieke opinie te beïnvloeden en dat er geen enkele reden was om aan klimaatonderzoek te twijfelen, was het kwaad al geschied. In Denemarken ging de discussie niet over maatregelen die nodig zijn om de opwarming van de aarde een halt toe te roepen, maar over de deugdelijkheid van de achterliggende wetenschap. De conferentie in Kopenhagen ging dan ook de boeken in als een pijnlijke gemiste kans.

‘Klimaatcriminelen’, zo noemde een actievoerder van de lobbywaakhond Corporate Europe Observatory de fossiele belangengroepen. Tijdens de klimaattop in 2015 organiseerden zij een ‘lobbytour’ door de straten van Parijs. De eerste halte was het kantoor van een officiële sponsor van de conferentie: edf, een energiebedrijf dat een van de grootste uitstoters van Europa was. Even later stopte de gids voor een glazen gevel van een pr-firma die regelmatig onderonsjes organiseerde tussen ‘belanghebbenden uit de gasindustrie en beleidsmakers van de EU’. Kijk, daar gaat het mis, zei hij. ‘We moeten deze klimaatcriminelen zo ver mogelijk bij onze politici vandaan houden.’

Vooralsnog komt daar weinig van terecht. In Parijs waren vertegenwoordigers van energiebedrijven, de auto-industrie en de luchtvaartsector alomtegenwoordig en dat zal de afgelopen weken in Polen niet veel anders zijn geweest. In ons polderland mogen de meest vervuilende bedrijven zelfs meepraten over een nieuw klimaatakkoord. Dat zorgt niet alleen bij radicale activisten voor scheve blikken – ook Klaas van Egmond, oud-kroonlid van de Sociaal-Economische Raad, een polderinstituut par excellence, vindt het een vreemde bedoening: ‘Je laat de kalkoen toch ook niet meebeslissen over het kerstdiner?’ zei hij tegen de Volkskrant.

Maar anders dan een hulpeloze kalkoen zullen de machtige vervuilers zich niet gewillig naar de slachtbank laten leiden. Her en der doen ze verwoede pogingen om te verduurzamen, maar voorzover het geen ordinaire greenwashing is, blijft het vaak een doekje voor het bloeden. Bedrijven als Shell en klm begrijpen heel goed wat er op het spel staat: als politici serieus werk gaan maken van klimaatbeleid dreigt er een einde te komen aan hun lucratieve zaken. En omdat hun directeuren nu eenmaal verantwoording afleggen aan de aandeelhouders en niet aan toekomstige generaties zullen ze dat koste wat kost proberen te vermijden.

Wat dat betreft is het hoopgevend om te zien dat de ware schuldigen steeds vaker in het beklaagdenbankje belanden. In de Verenigde Staten wordt een rechtszaak voorbereid tegen ExxonMobil, omdat het decennialang bewust het publiek heeft misleid, zodat het zijn schadelijke activiteiten voort kon zetten. In Nederland kondigde Milieudefensie aan dat ze Shell voor het gerecht wil dagen, omdat we de klimaatcrisis niet gaan oplossen zolang het bedrijf doorgaat met het oppompen van olie en gas. Een groeiend deel van de klimaatbeweging deinst er niet voor terug om de fossiele industrie aan te wijzen als ‘vijand van de planeet’. Ze sporen pensioenfondsen, overheden, universiteiten, musea en institutionele beleggers aan om de banden met de fossiele industrie te verbreken. Als ze uit ethische overwegingen niet in wapenhandel of de tabaksindustrie investeren, waarom zou het financieren van kolenbedrijven dan wél acceptabel zijn?

Dat soort bedrijven verdient het verdomhoekje, geen plekje aan de onderhandelingstafel. Terwijl bewuste burgers braaf hun best doen om hun ecologische voetafdruk te verkleinen, doen de leiders van de vervuilende industrie hun best om de verduurzaming te bemoeilijken. Dát is de reden dat we maar niet in staat zijn om het roer om te gooien – niet een of andere inherente eigenschap van ‘de mens’. Zo’n diagnose helpt ons ook te ontsnappen aan fatalisme, want hoewel het geen geringe opgave is, is het makkelijker om een politiek-economisch systeem te veranderen dan de menselijke natuur.