Hoe schrijvers en hun critici belangrijk worden

Met zijn bundel over literatuurkritiek heeft hoogleraar letterkunde Jos Joosten ‘niet wat de criticus moet, maar wat hij doet’ voor ogen. En wat doet Joosten zelf? Makkelijke koppen van jut uitzoeken.

Jos Joosten, Staande receptie

Na afloop van het laatste Boekenbal, 13 maart, kregen de feestgangers bij het verlaten van de schouwburg een zogeheten vooruitboekje in handen gedrukt. Een promotiestunt van uitgeverij Prometheus die hiermee de aandacht wilde vestigen op het te verschijnen debuut van oud_-Propria Cures-redacteur Stephan ter Borg (1985), Orang-oetans drijven niet. Een opvallende stunt, omdat één schrijver hiermee onverhoeds in de spotlights wordt gezet op een plek waar concurrenten/collega’s, critici en verkopers elkaar verdringen. Niet risicoloos om die reden, want potentieel stemmend tot irritatie en/of wantrouwen in een kleiner dan klein wereldje. Een maand later, twee dagen voordat het boek feestelijk ten doop zou worden gehouden, werd de roman vernietigend besproken door Arjan Peters in de Volkskrant, in een relatief ‘grote’ recensie. Onder de kop _Soepstengel vertelt veegt hij op spottende toon de vloer aan met Ter Borgs ‘onhandige, zogenaamd literaire stijl’. Conclusie: ‘In Orang-oetans drijven niet probeert een beginnend schrijver ons aan het lachen te maken met de schamele belevenissen van een jeugdige lamzak.’ In de ene ster die het boek van Peters krijgt, wordt nog eens alle hoon samengebald.

Arme debutant, denk je als recensent onwillekeurig, maar ook als gewone lezer. En: waarom bespreekt Peters, die nauwelijks meer over actuele Nederlandse literatuur schrijft maar voornamelijk nog stukjes over afleveringen van literaire tijdschriften afscheidt en Scandinavische schrijfsters interviewt, uitgerekend dit debuut? Omdat er, zoals hij halverwege zijn bespreking schrijft, redenen waren om ernaar uit te kijken, en er eenmaal lezende blijkbaar geen weg meer terug was?

Waar het Peters ook om te doen was, zijn recensie zette een reactie in gang, al dan niet aangezwengeld door een bel- en of mailoffensief van de promotieafdeling van Ter Borgs uitgever. Twee weken later schreef Arjen Fortuin een welwillend stuk over Orang-oetans drijven niet in de boekenbijlage van NRC Handelsblad. Welwillend is het beste woord in deze, want onverdeeld enthousiast is Fortuin niet te noemen. Wel heeft hij oog voor Ter Borgs kwaliteiten, waarmee deze kabbelende, genuanceerde bespreking in de kwaliteitskrant een redelijk eerherstel vormt voor debutant Ter Borg.

Definitief op de sokkel wordt hij nog weer eens twee weken later gehesen door Jeroen Vullings in Vrij Nederland. Om meer redenen een opmerkelijk stuk. Allereerst de plek en de omvang. Het leeuwendeel van de boeken­bijlage van VN wordt in beslag genomen door stukjes van zo’n 150 woorden, overwegend van de hand van ene Marjolijn Pouw, waarin pas verschenen romans in telkens dezelfde clichématige bewoordingen worden afgeserveerd. Vullings schrijft de grotere openingsstukken over het ‘belangrijke’ boek, van ofwel een buitenlandse of een Nederlandse schrijver. Als hij al een debutant bespreekt, doet hij dat met drie of vier tegelijk. Maar nu dus alle ruimte voor de Orang-oetans van de jonge Ter Borg, zij het dat ongeveer de helft van de bespreking heen gaat met bespiegelingen over hoe lastig het voor een uitgeverij moet zijn een debutant onder de aandacht te brengen, met welk geschut de uitgeverij in dit geval werkt (blurbs van Brusselmans en Vuijsje) en hoe riskant het is om iemand bij voorbaat tot ‘de literaire belofte van 2012’ uit te roepen. Maar, geeft Vullings toe, hij moest ook ‘gniffelen’ om Prometheus’ ‘schurkenstreekje’ en – het allerbelangrijkste – het sorteerde effect. ‘Ik pikte Ter Borgs roman daardoor uit de wekelijks aanzwellende stapel debuten en las het. Ten gunste van zijn boek is direct te zeggen dat alle bovenstaande overwegingen van niet-literair-intrinsieke aard geen enkele rol meer speelden na een paar bladzijden.’ Vullings is zijn recensie lang buitengewoon lovend, concludeert dat Ter Borg een tragikomedie heeft geschreven met schrijnende kantjes, en deelt vier sterren uit.

In Staande receptie heeft Jos Joosten, hoogleraar Nederlandse letterkunde in Nijmegen, een aantal teksten verzameld die hij schreef over literatuurkritiek, receptie en engagement. In zijn inleiding schrijft hij hiermee de balans te willen opmaken van de bestaande manieren om kritieken te analyseren en een voorzet te geven om een nieuw perspectief op analyse te openen. Interessant. Het zou mooi zijn om een casus als bovenstaande te kunnen doorzien, zonder te vervallen in cultuurvermoeidheid over een literair klimaat waar machtswellust, angst en vergelding bepalender factoren lijken dan nieuwsgierigheid naar schrijvers en interesse in literatuur. Joosten komt op de proppen met een literatuurwetenschappelijk model van twee Duitsers, Renate von Heydebrand en Simone Winko. Kerngedachte is dat literatuur geen intrinsieke waarde heeft, maar een waarde krijgt toegekend. Literaire kritieken hebben een functie in het literaire proces en kunnen dus niet als statische objecten worden opgevat. Critici zijn behept met algemene waardeoordelen, op basis waarvan ze concrete waarde-eigenschappen toekennen aan ‘een object’. En dat dan weer binnen de context waarin hun kritieken worden gepubliceerd. De termen die Joosten gebruikt zijn attributief, axiologisch en het kennelijk onvertaalbare Zuordnungsvoraussetzungen.

Niets zo makkelijk als om de spot te drijven met een academisch discours, misschien nog wel makkelijker dan met een poging tot tragikomedie van een debuterend schrijver. Vandaar hier slechts de constatering dat moeilijke woorden nog tot daaraan toe zijn, maar dat een onderzoeker van literaire kritiek niet de link weet te leggen met de actuele praktijk is op z’n minst teleurstellend. Weliswaar haalt Joosten twee totaal uiteenlopende kritieken op een roman van Arthur Japin aan om het fenomeen van dissensus (het tegenovergestelde van consensus) onder de loep te nemen, maar een andere verklaring dan dat critici beoordelen vanuit hun eigen waardenstelsel komt er niet. Het is het soort constatering waarvan je bijna zou zeggen: dat haalt je de koekoek.

Wat betreft die waardenstelsels was het dan ook geen gekke kwestie die schrijfster Renate Dorrestein aansneed tijdens een symposium georganiseerd door de Jan Campert-­stichting over engagement en literatuur in 2009. Althans: ik, als een van de deelnemers destijds, heb een andere kwestie onthouden dan Joosten weergeeft in zijn opvallende aanval op haar betoog over de afwezigheid van buitenwereld in de meeste recensies. Opvallend vooral vanwege de plotsklaps niet-academische bewoordingen die hij kiest om Dorresteins aanklacht jegens de vaderlandse kritiek in een verdacht licht te zetten. Bladzijden gaan heen met pogingen haar in diskrediet te brengen. Ze is te tevreden met zichzelf, citeert verkeerd et cetera. Zo wezenloos, want zo komt Joosten er niet aan toe inhoudelijk te reageren op het punt dat ze maakt, namelijk dat Nederlandse critici aan smetvrees lijden. Dorrestein constateerde dat de toonaangevende critici van het moment allemaal van dezelfde school en generatie zijn: Universiteit van Amsterdam jaren tachtig. Allemaal een tik van de tekstimmanente molen meegekregen, allemaal de nadruk leggend op vorm en stijl ten koste van inhoud en buitenwereld. Op mij maakte het indruk, omdat ik besefte: verrek, daar kom ik ook vandaan. Wat dat betreft vraag je je ook af, vraag ik me ook af, of de doorwerking van de werkimmanente literatuurbenadering in gang gezet door Merlyn wel echt ‘zo goed als verdwenen’ lijkt, zoals Joosten zich aan het eind van zijn hoofdstuk over dit literaire tijdschrift en voorman Kees Fens hardop afvraagt. Waarom heeft hij dit niet gewoon onderzocht, in plaats van te stoppen bij die vraag?

Iets dergelijks geldt voor Joostens aanval op de bijdrage van Connie Palmen aan de reeks ‘Over de roman’. Zoveel woorden om iemand in een hoek te zetten. Waarom niet ófwel een inhoudelijke discussie aangaan, over de verschuiving van hoge en lage literatuur in navolging van Palmen bijvoorbeeld, óf de pijlen richten op vakgenoten, critici? Al moet gezegd dat zo gauw Joosten een pijl afvuurt richting een criticus, Elsbeth Etty in dit geval, het ook mis gaat. Zijn schimpscheuten en verdachtmakingen jegens haar, toegespitst op de gelegenheidsuitgave ABC van de literaire kritiek, zijn buiten proportie. En wederom een gemiste kans. Was inhoudelijk ingegaan op de recensiepraktijk van een van de machtigste critici van Nederland, tevens een van de weinigen die geen last lijkt te hebben van metaalmoeheid, had het model van Von Heydebrand en Winko op haar kritieken losgelaten en was desondanks tot verbluffende inzichten gekomen.

Wat zo vreemd, en onbevredigend, aan deze studie over literatuurkritiek is, is dat het uiteindelijk niet concreet over de literatuurkritiek van nu gaat. Aan een vorm van smetvrees lijkt de hoogleraar zelf te lijden als hij in zijn verhandeling over de receptie van de Nederlandse letterkunde in het buitenland de overbekende casus van Cees Nooteboom van stal haalt, in plaats van iets nieuws te schrijven, over The Twin bijvoorbeeld van Gerbrand Bakker, of de receptie van Grunberg in diverse buitenlanden. En in zijn verhandeling over de ontvangst van Grass’ Kreeftegang – in Nederland ten opzichte van de rest van Europa kennelijk volkomen autistisch oftewel werkimmanent onthaald – komt hij niet toe aan de beantwoording van het waarom.

Ontwapenend klinkt het in het slothoofdstuk: de literatuurwetenschapper moet op afstand blijven. ‘Niet wat de criticus moet, maar wat hij doet’ is de perfecte samenvatting van zijn object en doel, aldus Joosten. Des te gekker dat hij zelf uiteindelijk amper idee geeft van wat die criticus dan doet. En dat hij voorzover hij zich laat kennen, bijvoorbeeld in zijn makkelijke koppen van jut, zich zo ontzettend kind van zijn tijd betoont. Ondertussen zijn we weinig wijzer geworden over hoe literaire reputaties gecreëerd en gebroken worden, in de kiem gesmoord of zorgvuldig opgekweekt. En dat terwijl er zoveel over te zeggen valt en het materiaal voor het opscheppen ligt.