Tema con variazione

Hoe spreekt Zarathustra

Het was te absurd voor woorden. Ik zat op een tamelijk paradijselijk eiland met uitzicht op de hemelsblauwe zee. Daar kwam de Lykomides aangedobberd, vernoemd naar de moordenaar van Theseus. Geen moraliserend gezeur, alstublieft, het is inmiddels meer dan drieduizend jaar geleden en Theseus, op zijn beurt de moor denaar van Periphetes en Prokoustes, was ook zo lekker niet. De Lykomides maakte aanstalten om in het haventje aan te meren. Plotseling schalde, blijkbaar als welkomstgroet, Richard Strauss’ symfonische gedicht Also sprach Zarathustra over het water, in de interpretatie van het Berliner Philharmoniker onder leiding van Herbert von Karajan, die eveneens tamelijk fout in de oorlog is geweest.

Friedrich Nietzsche schreef zijn Also sprach Zarathustra in 1887, Strauss componeerde het gelijknamige orkestwerk in 1896. Zij waren langs elkaar schuivende planeten. In 1887 was de filosoof op het toppunt van zijn creatieve kunnen, op een moment waarop de musicus in München de bescheiden positie van derde kapelmeester bekleedde. En in 1896, toen het spektakelstuk van Strauss in première ging, ging de filosoof allang, duistere formuleringen mompelende, als een zombie door het leven.

Richard Strauss heeft in het leven van Fried rich Nietzsche geen enkele rol gespeeld. De (een halve eeuw jongere) Strauss daarentegen is het wereldwijde belang van de Filosoof met de Hamer niet ontgaan. De componist was een kind van zijn tijd, op het breukvlak van de negen tiende en twintigste eeuw, toen het gebruikelijker was dan thans om filosofen te lezen. Dat waren dus primair Arthur Schopen hauer en Max Stirner — en Friedrich Nietz sche, die in zijn «geistige Uebernachtung» niet heeft geweten dat hij inmiddels wereldberoemd was geworden.

Een slechte lezer is Strauss niet geweest, getuige de brief die hij aan Cosima Wagner schreef, na Nietzsches Jenseits von Gut und Böse te hebben bestudeerd. Hij noemde het boek «een fantastische combinatie van gekte en absurditeiten benevens een gedachtegoed dat ik als het belangrijkste beschouw dat ooit in een menselijk brein is uitgedacht. Het hoofdstuk over de vrouw, bijvoorbeeld, is hoogst scherpzinnig en getuigt van visie. Ook is mij de antidemocratische ondertoon van het geschrevene zeer sympathiek. Al met al heb ik aan het boek een flinke hoofdpijn overgehouden.»

Het was interessant geweest als Nietzsche op die dag in 1896 bij de eerste uitvoering van Strauss’ symfonische gedicht aanwezig was geweest. Uebermenschen onder elkaar, broe derlijk vereend in de parterre. Also sprach Zarathus tra, schreef W.F. Hermans, is een van Nietz sches aardigste werken, voor diens doen zelfs vrij samenhangend.

De rond de eeuwwisseling gevormde school van Nietzsche-fanaten maakt bij de première van de compositie een stampij die vandaag de dag, ruim een eeuw later, vrij komiek aandoet. Zij spraken over een mislukte poging om met muzikale middelen méér uit te drukken dan de filosofie bij machte is. Helemaal onzin is deze bewering niet. Muziek beschikt ongetwijfeld over een zekere expressiviteit, maar tot denken is zij niet in staat, zij faalt zelfs als het om eenvoudige verhaaltjesvertellerij gaat. Wel eens de Moldau gehoord? Oók een symfonisch gedicht, dat als je het mij vraagt net zo goed over de Nieuwe Prinsengracht had kunnen gaan, ware de componist niet in Leitomischl, maar in Amsterdam geboren. Richard Wagner, enige tijd Nietzsches vaderlijke vriend, heeft over de programmatische toepasbaarheid van muziek een paar verstandige dingen gezegd. Zeker, constateerde hij, soms steunt de muziek op tekst. Dit hulpmiddel moet echter sterk worden gerelativeerd. Neem een beroemd voorbeeld: het slotdeel uit Beethovens Negende symfonie. De artistieke troefkaart die hierin wordt uitgespeeld, is van orkestrale aard, geïntroduceerd door welluidend grommende cello’s en contrabassen. De even later luidkeels voorgedragen tekst nemen wij, luisteraars, op de koop toe. «Freude, schöner Götterfunken, Tochter aus Elysium, wir betreten feuertrunken, Himmlische, dein Heiligtum. Küsse gab sie uns und Reben, einen Freund, geprüft im Tod, Wollust war dem Wurm gegeben, und der Cherub steht vor Gott!» Het is poëzie met een extreem hoog ulevellengehalte en het kan ons, luiste raars, niets schelen. De muziek triomfeert. Zij blijkt andermaal zonder concurrentie de clair voyante onder de muzen te zijn. «Een muziekstuk behoudt zijn eigen karakter», schreef Wagner, «om het even op welke tekst het is gebaseerd.»

Dat geldt dus ook voor Strauss’ Also sprach Zara thustra, een partituur waarop, als ik mij goed herinner, zelfs eens reclame voor een bepaald wasmiddel is gemaakt. «Het is niet Also sprach Zarathustra, maar Also sprach Richard Strauss», zei de scherpzinnige Alphons Diepenbrock. Er is, behalve de opzwepende titel, geen enkele aantoonbare dwarsverbinding tussen de compositie en het wijsgerige traktaat. Nietzsches boek gaat over God, niet meer en niet minder. «God is dood! God blijft dood! En wij hebben hem gedood! Hoe moeten wij ons troosten, wij moordenaars aller moordenaars?» Níet met de partituur van de jonge Nietzsche-fan Richard Strauss, een partituur die zeker niet onverdienstelijk is, maar in plaats van de dood van God voor hetzelfde geld de schurkenstreken van Don Juan of de schelmenstreken van Tijl Uilenspiegel had kunnen beschrijven.

Programmamuziek is een misverstand. Het is nutteloos een programma te zoeken in muziek die altijd, vrijwel altijd, een abstract karakter heeft. Maar het misverstand lijkt moeilijk uit de weg te ruimen. Matthijs Vermeulen, die toch niet de eerste de beste was, beluisterde in Mozarts Symfonie in Es «het gevleugelde spel van vlugge elfen en welgezinde kabouters», zoals hij het trio van de Jupitersymfonie zag als een muzikale vertaling van «een spel van twee geliefden die zich vermaken met een schalks kiekeboe». Ik spot natuurlijk niet met Vermeu len, die een interessante componist en een origineel muziekcriticus was. Niettemin stel ik vast dat het een particuliere impressie betreft, zonder enige verifieerbare bewijskracht, wat gelukkig ook niet nood zakelijk is, want muziek is iets anders dan de quantummechanica of de toegepaste meetkunde.

In feite ken ik maar één muziekstuk waarin alle voorgaande theorieën worden onderuitgehaald. Het is een compositie waarin wel degelijk het gedartel van elfen en kabouters te beluisteren valt. Ik doel op de ouverture tot Shakespea res Midzomernachtsdroom, de onnavolgbare, in zijn prille genialiteit onbegrijpelijke, partituur van de zeventienjarige Felix Mendelssohn.