Hoe strijd te voeren om een betere universiteit

Willem Schinkel gaf recentelijk een incorrect beeld van WOinActie, schrijven Ido de Haan en Ingrid Robeyns. Zijn stuk zat vol minachting en gemakzucht. ‘Schinkels opstelling is door en door cynisch.’

De voorbije week voerde WOinActie, een platform van studenten en wetenschappers, met de steun van een aantal bestuurders, actie aan de universiteiten. Op ludieke wijze werd geprotesteerd tegen de ontoereikende financiering voor wetenschappelijk onderwijs (WO), en meer specifiek tegen twee bezuinigingen die het WO op korte termijn te wachten staan.

© Bob bob

Willem Schinkel vond het nodig om vlak voor deze actieweek een ‘brief aan mijn vrienden van WOinActie’ te schrijven. Die brief is behoorlijk slecht gevallen onder wetenschappers (zie de discussies op Twitter of bijvoorbeeld deze column), en er is dan ook veel op aan te merken, niet alleen op de toon en de retoriek van de brief, maar ook op de argumenten.

Schinkel slaat in drie opzichten de plank mis. Ten eerste, zijn analyse van de problemen in het WO is onvolledig en deels onjuist, en daarom snapt hij niet dat meer geld voor het WO een noodzakelijke voorwaarde is voor hervormingen. Ten tweede, het beeld van WOinActie dat neergezet wordt is incorrect, schadelijk, en een vriend onwaardig. En ten derde, de brief toont een groot gebrek aan inzicht over hoe succesvol actie te voeren en ondermijnt de politieke strijd van WOinActie, die noodzakelijk is voor een betere universiteit.

De universiteiten lijden onder een neoliberaal bewind, waarin vaste budgetten steeds verder worden ingekrompen, en de geflexibiliseerde financiering ingebed is in een keurslijf van regels, controles en geïnstitutionaliseerd wantrouwen. Sinds 2000 is het aantal studenten met 68 procent toegenomen, maar de overheidsbekostiging per student met 25 procent afgenomen. Het gevolg is dat de werkdruk enorm is toegenomen: zelfs collega’s die niet te boek staan als activisten of radicalo’s zeggen dat ze over de decennia de werkdruk hebben zien toenemen en niet meer weten of ze, indien ze nu eind twintig zouden zijn, nog dezelfde keuze zouden maken voor een loopbaan in de wetenschap.

Ook de werknemerstevredenheidsonderzoeken aan universiteiten en onderzoek van de FNV en de VAWO laten zien dat meer dan zeventig procent van de wetenschappelijke docenten de werkdruk ‘hoog’ of ‘veel te hoog’ vindt. Het Rathenau Instituut berekende dat wetenschappelijke docenten, afhankelijk van hun functieniveau, tussen de 29 en 45 procent meer werken dan hun contractuele uren. Vele collega’s werken elke avond door en werken in de meeste weekends.

Het is eigenlijk erg simpel: om de universitaire kerntaken van goed onderzoek en goed onderwijs aan deze groeiende groep studenten te vervullen, krijgen de universiteiten te weinig betaald. De prestaties blijven van niveau, omdat de beroepseer van de wetenschappers zo groot is dat ze meegaan in de roofbouw die op hen gepleegd wordt. Het is voor de meeste wetenschappers onmogelijk om het onderwijs te geven in de tijd die ze ervoor krijgen, dus gebruiken ze hun onderzoekstijd en vrije tijd voor hun onderwijstaken – omdat ze studenten niet de dupe willen laten zijn. Onderzoek doen wetenschappers dan in hun vrije tijd, niet alleen omdat wetenschappelijke belangstelling het fundament van de universitaire gemeenschap vormt en de essentie van het universitaire onderwijs ligt in de verbinding met onderzoek, maar ook omdat wie geen onderzoek meer doet zijn of haar eigen kansen in de wetenschap snel zal zien afnemen.

Maar daarnaast heeft de overheid bedacht dat onze sector beter zou gaan presteren indien een groter gedeelte van dat geld ook nog eens geoormerkt wordt, en via competitie gealloceerd. Er zijn de roemruchte honderd miljoen die voormalig minister Plasterk van de eerste geldstroom (ongeoormerkt geld dat rechtstreeks naar de universiteiten gaat) naar de tweede geldstroom (NWO) overhevelde, waardoor er minder geld was om universitaire docenten aan te stellen, en meer mensen geprikkeld werden om aanvragen te schrijven voor onderzoeksprojecten, waarmee dan vooral promovendi en postdocs aangesteld werden. Dit zijn middelen die de werkdruk verhogen, omdat heel veel mensen zich inspannen om die gelden te verwerven, maar slechts een klein percentage (vaak slechts zo’n vijf à tien procent) daarin slaagt.

Bovendien wordt de eerste geldstroom niet berekend op basis van de kosten van wetenschappelijk onderwijs en onderzoek, maar wordt er een vast bedrag vastgesteld, dat verdeeld wordt op basis van het marktaandeel van aantallen studenten, diploma’s en promoties. Zo speelt het ministerie universiteiten tegen elkaar uit en gaat iedereen steeds harder rennen om geen marktaandeel te verspelen. De werkdruk en fysieke uitputting waar een toenemend aantal medewerkers onder gebukt gaat, zijn dus een gevolg van perverse prikkels, in stand gehouden door een structureel en doelbewust tekortschietende financiering van de kerntaken van de universiteit.

Dus ja, met Schinkel zijn we het eens dat er iets moet veranderen, maar hij begrijpt niet dat die verandering begint bij de financiering van universitaire kerntaken. Het universitaire systeem moet op de schop omdat het tot te veel concurrentie en andere negatieve dynamieken leidt. Maar daaronder ligt een set regels van dat systeem die in vele gevallen alleen door Den Haag veranderd kunnen worden.

En dit is waar WOinActie ten tonele verschijnt. WOinActie ontstond naar aanleiding van een petitie die Rens Bod organiseerde in het najaar van 2017, toen de regering-Rutte III aankondigde dat er een bezuiniging op het WO zou doorgevoerd worden – de zogenaamde ‘doelmatigheidskorting’ (de term alleen al toont aan dat Den Haag totaal het contact verloren is met wat er op de werkvloer gebeurt, waar iedereen aangeeft dat er absoluut niet nóg doelmatiger gewerkt kan worden). De petitie eiste dat de doelmatigheidskorting van tafel ging, en er geld zou komen zodat er vierduizend nieuwe docenten aangesteld kunnen worden. Die petitie werd in een maand tijd door meer dan vijfduizend studenten en wetenschappers ondertekend (waaronder volgens Erasmus Magazine ook Willem Schinkel).

Allerlei mensen die zich de afgelopen maanden ingezet hebben voor WOinActie hebben de voorbije jaren al via andere netwerken en initiatieven kritiek geleverd op de universiteiten – het internet, de kranten, en discussies op sociale media staan vol met kritieken op het rendementsdenken, het Mattheuseffect in de wetenschap, het absurde circus bij NWO, de excellentie-retoriek, de enorme verspilling van tijd die aan alle geoormerkte gelden wordt besteed, enzovoort. Een eerdere protestbeweging, Rethink, richtte daarbij haar pijlen op de universitaire besturen, maar stootte, net als de leden van De Jonge Akademie die met bestuurders gingen praten, op het punt dat de universiteiten onder de huidige spelregels, en met de huidige financiering die uit Den Haag komt, niet zo heel veel kan doen. De regels van het spel worden in grote mate in Den Haag bepaald, en niet op Campus Woudestein of de Utrechtse Uithof, zoals Schinkel ten onrechte beweert.

Anders gezegd, Schinkel zit nog in de fase waar Rethink zich drie jaar geleden bevond: druk uitoefenen op onze bestuurders om iets te doen aan de symptomen – om vervolgens met een kluitje in het riet gestuurd te worden, omdat onze problemen niet lokaal maar alleen in Den Haag opgelost kunnen worden. Dat betekent niet dat er in het beleid van de bestuurders niets moet veranderen (en een aantal van hen is daar ook mee bezig; wat dat betreft wordt er vaak een karikatuur neergezet van de bestuurders).

Maar het fundamentele punt is dat de financiering ten behoeve van de wetenschap ontoereikend is voor de primaire taak van de universiteit: het geven van wetenschappelijk onderwijs aan iedereen die dat kan en wil, in samenhang met inspirerend, relevant en waardevol onderzoek. En ja, natuurlijk kun je van mening verschillen over betekenis en waarde van die doelstellingen, maar het probleem op dit moment is dat het belang ervan met de mond wordt beleden, maar niet met de benodigde middelen wordt ondersteund.

Schinkel hecht daar geen geloof aan, omdat hij meent dat ‘de logica van de universiteit die van het kapitaal is: meerwaardeproductie’ – anders gezegd: meer geld leidt slechts tot meer output. Daar slaat hij tweemaal de plank mis. Ten eerste gaat zelfs in het bedrijfsleven deze logica niet op, omdat daar werknemers succesvol hebben gestreden voor betere arbeidsvoorwaarden. En ten tweede is de universiteit geen bedrijf, maar een publieke instelling, waarin taken worden verricht die op grond van democratische besluitvorming van essentieel belang worden geacht. Als goede wetenschap een publiek belang is, moet daar ook toereikende publieke financiering voor zijn.

Schinkels opstelling is uiteindelijk door en door cynisch, in zijn minachting voor de arbeidsomstandigheden van universitaire medewerkers, in zijn gemakzuchtige veronderstelling dat wij talloze studenten voor nutteloze vakken opleiden, in zijn gratuite bekentenis dat hij net als vrijwel iedereen houdt van de universiteit en het tegelijk haat daar te zijn.

Ten slotte nog iets over strategie en tactiek van het actievoeren. WOinActie probeert wetenschappers en studenten te mobiliseren om iets structureels te veranderen aan het neoliberale beleid. Dat is nog niet eenvoudig: wetenschappers hebben het, hoe ironisch, veelal te druk met hun eigen werk om nog toe te komen aan het werken aan de universitaire gemeenschap. Studenten staan langzamerhand zo onder druk om snel af te studeren (en in hun eigen levensonderhoud te voorzien) dat ook zij geen tijd hebben om in actie te komen, maar bovendien verblijven zij te kort op de universiteit om door te krijgen wat daar eigenlijk aan de hand is. Velen van hen weten niet beter dan dat ze in grote groepen zitten, waar docenten geen tijd meer hebben voor persoonlijke aandacht.

Kortom: alle hulp is welkom om de universitaire gemeenschap in beweging te krijgen. Dan helpt het niet als Schinkel ‘zijn vrienden van WOinActie’ (een welbekende retorische truc) een dolk in de rug steekt, door ze als een ‘onfris’ en reactionair gezelschap weg te zetten, omdat er coalities worden aangegaan met ‘universitaire normalo’s, de bureaucraten, de papertjestellers, de academische stopdrasmannetjes en de bestuurders’.

Evenmin behulpzaam zijn de wijsheden die Schinkel debiteert over een effectief activisme door ‘collaboratieve compositie’, waarbij hij vergeet dat een effectieve strijd gebaat is bij een overzichtelijk aantal concrete eisen. Zoals onze collega Geert Buelens uitlegde in zijn protestcollege voor WOinActie op het Utrechtse Domplein: het gaat er nu even om waar we het over eens kunnen worden voor de komma, niet om de fijne verschillen tot in het derde en vierde getal achter de komma. Daarom is gekozen voor de eis dat de bezuinigingen van tafel moeten, en dat de financiering op orde moet.

Iedereen in de sector is het ermee eens dat dit noodzakelijke voorwaarden zijn voor een goede universiteit, omdat aan een goede universiteit de medewerkers een normaal leven kunnen leiden – waarbij ze niet structureel moeten overwerken en waarbij het werk het leven niet totaal domineert. Die coalitie is nodig als we niet alleen wat willen roepen van de zijlijn als tandeloze tijgers, maar ook echte veranderingen beogen. Zoals Josef Früchtl al terecht opmerkte: ‘Politiek handelen heet afscheid nemen van purisme en absolutisme.’

Ronduit schadelijk is Schinkels stuk, omdat het een cadeautje is voor de ambtenaren bij OCW en de politici in Den Haag die argumenten zoeken om alleen maar maatregelen te nemen in het WO die geen geld kosten. Want dat is op dit moment de teneur: de minister en het ministerie erkennen dat de werkdruk en andere arbeidsomstandigheden (zoals de schandalige contracten die sommige tijdelijke medewerkers hebben) beleidsmaatregelen vereisen, maar zien het gegeven de huidige politieke machtsverhoudingen (lees: het feit dat de VVD de grootste coalitiepartner is) als ‘niet politiek haalbaar’ dat er meer geld naar het WO gaat.

Dus de Haagse politici en bureaucraten lachen zich in het vuistje: als de meest radicale der radicalo’s zegt dat er helemaal geen extra geld nodig is voor het WO, waarom zouden we dan aandacht besteden aan de eisen van WOinActie? Laten we gewoon even geduld uitoefenen, hun acties waaien wel weer over want gegeven hun hoge werkdruk houden ze dit activisme toch niet erg lang vol.

Dit effect is Schinkel aan te rekenen, want het was volledig voorspelbaar. Schinkel had zijn machtspositie in de publieke sfeer ook anders kunnen aanwenden, maar heeft ervoor gekozen dat niet te doen. Dus als je nog eens iets over WOinActie wil schrijven, Willem, kom dan eerst eens langs om met ons, in plaats van over ons te praten en ons uit te leggen hoe jij denkt dat WOinActie in elkaar zit en wat haar politieke strategie is. Gegeven je ideologische positie over wat goede wetenschap is – ‘het vormgeven van publieke relaties, het opgaan in publieken, het gezamenlijk componeren van werelden in plaats van het uitleggen hoe de wereld eruitziet aan ‘het publiek”’ – ben je dat niet alleen aan je ideologische zelf verschuldigd, maar ook aan WOinActie.


Ido de Haan is hoogleraar politieke geschiedenis, Universiteit Utrecht; Ingrid Robeyns is hoogleraar ethiek van instituties, Universiteit Utrecht