Aristoteles als ideale vriend van de moderne dichter

Hoe te leven

De combinatie van denklust, maatschappelijke betrokkenheid
en literaire analyse maakt Aristoteles tot de ideale vriend van de moderne dichter.

De tweede vraag die een dichter zich dagelijks stelt, is: hoe moet ik schrijven? De dichter kan kiezen voor universele of specifieke, voor algemene of persoonlijke onderwerpen. Hij kan moeilijk of gemakkelijk schrijven, hij kan met een vooropgezet plan aan het werk gaan of zich laten meevoeren op de stroom van zijn associaties of inspiratie. Hij hanteert een strakke of vrije vorm, één stijl register of juist een lappendeken van stijlen, verwijst naar voorgangers of probeert oorspronkelijk te zijn. Omdat het aantal mogelijkheden enorm is, zal de dichter – bewust of onbewust – criteria moeten hebben waarmee hij kan bepalen welke keuze de juiste is. Die criteria komen niet uit de lucht vallen, maar worden bepaald door de persoonlijkheid van de dichter, door de wijze waarop hij in het leven staat. Vandaar dat aan die tweede vraag altijd een eerste voorafgaat: hoe moet ik leven?

Dat literatuur en het leven iets met elkaar te maken hebben, zal niemand ontkennen. Vele theoretici hebben in de afgelopen eeuw be toogd dat iedere keuze die men in het leven, en dus ook in de literatuur maakt, een politieke is. Marxisten, structuralisten, feministen, poststructuralisten, aanhangers van Foucault, Lacan en Derrida, vertegenwoordigers van de meest exotische takken van de zogeheten Cultural Studies: allemaal gaan ze ervan uit dat wat je zegt cultureel bepaald is en de cultuur in stand houdt of ondermijnt. Een dichter die beweert dat hij niets anders nastreeft dan het maken van iets moois of authentieks is naïef of doet alsof hij dat is. Elk gedicht is, of we dat nu leuk vinden of niet, een politiek statement.

In zijn scherpe, hier en daar zelfs hilarische boek After Theory (2003) heeft Terry Eagleton, hoogleraar cultural theory te Manchester, getracht op een rij te zetten wat alle theorie van de laatste decennia ons nu eigenlijk heeft opgeleverd. Zijn we niet terechtgekomen in een postmoderne aporie die het ons onmogelijk maakt nog een vuist te maken tegen wat we wetenschappelijk, moreel en esthetisch als onaanvaardbaar beschouwen? Heeft de theorie ons niet zo murw geslagen dat we niet meer durven te zeggen dat veel filosofen onzin uitkramen en een heleboel kunst gewoon slecht is? Het is verrassend dat Eagleton, die de verworvenheden van de theorie beslist au sérieux neemt, uiteindelijk vaststelt dat we nog het beste te raden kunnen gaan bij Aristoteles, en bij Marx, die hij als een moderne Aristoteles beschouwt.

Hoezo Aristoteles? Er zijn verschillende redenen om hem te blijven lezen. In de eerste plaats staat hij aan het begin van de westerse wetenschappelijke traditie en is hij op alle terreinen die hij bestrijkt onthutsend grondig, en – althans waar de tekstoverleve ring geen roet in het eten gooit – ook ongehoord helder. In de tweede plaats hanteert hij een methode die, zoals L.M. de Rijk elders in dit nummer laat zien, het vermogen heeft zichzelf ter discussie te stellen. In de derde plaats zijn Aristoteles’ theorieën altijd impliciet of expliciet ingebed in een maatschappelijke context. Aristoteles realiseert zich dat filosofie, wetenschap en literatuur een politieke omgeving veronderstellen. Dat hijzelf bepaalde blinde vlekken heeft, is onvermijdelijk, al kunnen we ons erover verbazen dat hij, als Noord-Griekse allochtoon, de Atheense situatie vaak als maatgevend lijkt te beschouwen.

Het loont de moeite te onderzoeken of het werk van Aristoteles kan helpen bij de beantwoording van de hierboven gestelde vragen: hoe moet ik leven? en: hoe moet ik schrijven? Dit artikel is geen overzicht van Aristoteles’ literatuuropvattingen, maar een poging mijn vermoedens op dat terrein te laten bevruchten door zijn ideeën. Aristoteles’ werk kan aangewend worden als heuristisch instrument, als instantie die controleert of de essentiële vragen wel zijn gesteld. Dat mijn antwoorden soms andere zijn dan die van Aristoteles is niet erg.

In een beroemde passage uit het eerste boek van de Ethika Nikomacheia zegt Aristoteles dat de mens van nature een gemeenschapswezen is, een zôion politikon. Het einddoel van al het menselijk handelen is eudaimonia, een woord dat meestal vertaald wordt als «geluk», maar eerder iets als «succesvol leven» betekent. In geld verdienen is Aristoteles niet geïnteresseerd en handwerk beschouwt hij als iets minderwaardigs, vandaar dat hij bij het streven naar geluk drie benaderingen onderscheidt die geen van alle economisch van aard zijn. De meeste mensen willen in hun leven zo veel mogelijk genieten; een tweede, politiek georiënteerde, groep is uit op aanzien; en de derde levensvorm is gewijd aan studie. Filosoof als hij is, geeft Aristoteles de voorkeur aan de derde benadering, maar zonder genot en aanzien te verketteren. Ook van het filosoferen kan men immers genieten, terwijl een verstandig mens altijd ook politiek actief is en geen bezwaar heeft tegen een goede reputatie. Aristoteles benadrukt dat geluk niet een toestand of eigenschap is, maar een activiteit. Hetzelfde geldt voor inzicht en wijsheid: denken is een handeling. Wijsheid heeft geen zin als je er niets mee doet.

«Alle mensen streven van nature naar kennis», aldus de openingszin van de Metafysica. Omdat de mens zich van het dier onderscheidt door zijn denkvermogen, en omdat er in de wetenschappen een hiërarchie bestaat waarin de meest abstracte onderwerpen het hoogst worden aangeslagen, is de mens die zich bezighoudt met de meest theoretische kennis degene die zich het beste ontplooit. Een arts staat in deze rangorde hoger dan een verpleger, een theoreticus van de geneeskunde hoger dan een arts, en een wetenschapsfilosoof hoger dan die theoreticus. «Beschouwelijke activiteit is de hoogste activiteit»: ze is het meest bestendig, het meest eerzaam en levert het meeste genot op.

Betekent dat nu ook dat de filosoof een weltfremde asceet is, die zich terugtrekt om nog slechts aandacht te besteden aan wiskunde, logica en ontologie? Dat is niet het geval. De denker heeft zijn positie te danken aan de samenleving waarvan hij deel uitmaakt, en alleen wie zich actief inzet voor het bestuur van zijn polis maakt terecht aanspraak op het predikaat staatsburger. Een effectief en rechtvaardig bestuur kan de omstandigheden schep pen waardoor zo veel mogelijk mensen zich kunnen wijden aan de filosofie. Daarom moet de filosoof niet alleen streven naar sophia – theoretische kennis van het hoogste niveau – maar ook naar phronêsis, de praktische kennis die hem ertoe in staat stelt een succesvol maatschappelijk leven te leiden. Deze phronêsis veronderstelt ook moreel besef.

Nu is literatuur niet hetzelfde als filosofie, maken we tegenwoordig niet meer het rigide onderscheid tussen lichaam en ziel, laat staan dat we daarin een hiërarchie aanbrengen, en zijn er sinds Nietzsche, Freud en de moderne neurologie nogal wat gaten geschoten in ons geloof in de rede en het bewustzijn. Toch geloof ik dat Aristoteles gelijk heeft als hij zegt dat het een voorrecht is je leven te mogen wijden aan reflectie, en dat je als tegenprestatie de verplichting hebt de samenleving die jou daartoe in staat stelt te dienen. Dat betekent niet automatisch dat je politieke ambten moet bekleden, wel dat je je bewust bent van de maatschappelijke consequenties van je werk. Een intellectueel, of hij nu wetenschapsman, journalist of dichter is, heeft tot taak het maatschappelijk debat te voeden.

Daarmee is tot op zekere hoogte de vraag beantwoord hoe ik als dichter moet leven.

Hoe moet ik schrijven? Plato, die met enige overdrijving de grondlegger van de totalitaire staat genoemd mag worden, zag geen heil in literatuur. Aristoteles, kennelijk een liefhebber van Homeros en de Atheense tragedies, schreef, misschien als reactie op de standpunten van zijn leermeester, het korte en onvoltooide boek Over literatuur, veelal vertaald onder de titel Poëtica. Aristoteles’ analyse van epos en tragedie wordt ingeleid met een beschouwing over het wezen van literatuur en een theorie over genres. Duidelijk is dat zijn literaire voorkeur uitgaat naar de tragedies van Sophokles en Euripides.

Bij het beoordelen van de vraag of een bepaalde tekst tot de literatuur gerekend moet worden, doet het er weinig toe of hij een metrum heeft. Belangrijker is het om na te gaan of de tekst een vorm van uitbeelding (mimêsis) behelst. Het onderscheid tussen proza en poëzie is minder relevant dan de mate van fictionaliteit. Aangezien epos en tragedie handelingen van mensen uitbeelden, horen ze tot de poëzie, terwijl het leerdicht eerder een wetenschappelijke tekst genoemd moet worden. Het is niet de taak van de dichter te spreken van gebeurtenissen die hebben plaats gevonden, «maar van dingen die zodanig zijn dat ze zouden kunnen gebeuren, ik bedoel: van wat mogelijk is volgens de waarschijnlijkheid of noodzakelijkheid. (…) Daarom is poëzie ook filosofischer en serieuzer dan geschied schrijving, want de poëzie heeft veeleer het algemene tot onderwerp, de geschiedschrijver het bijzondere.» Uitgaande van de gedachte dat lyrische dichters reageren op wat hun persoonlijk is overkomen, kan Aristoteles de lyriek niet tot de literatuur rekenen: ze zou niet fictioneel zijn.

Aristoteles’ genretheorie is tijdgebonden. Tegenwoordig gaan we ervan uit dat zelfs de meest individuele expressie van de meest individuele emotie fictioneel is, omdat geen dichter kan instaan voor de authenticiteit van zijn uitingen. Bovendien maken we niet meer zo’n scherp onderscheid tussen geschiedschrijving, wetenschap en literaire fictie. Dat betekent echter niet dat Aristoteles’ letterkundige inzichten onbruikbaar zijn.

Het begrip mimêsis is nog steeds een vruchtbaar uitgangspunt bij het denken over literatuur. Of je nu een roman, een toneelstuk, een essay of een gedicht schrijft, je construeert altijd – bewust of onbewust – een spreker, een persona. Op zijn beurt probeert de lezer naar de stem van de auteur te luisteren en vormt hij zich een beeld van de spreker. Daarom kun je zeggen dat niet alleen een roman of een tragedie zich van karakters bedient, maar ook ieder gedicht. Volgens Aristoteles beleven mensen van nature plezier aan uitbeelden, dat ook een pedagogische functie heeft.

De ziel van de tragedie is de plot (mythos), zegt Aristoteles, dat wil zeggen dat het verhaal kop en staart heeft en consistent in elkaar zit. Het handelingsverloop moet zodanig zijn dat de toeschouwer betrokken raakt bij de personages en bij het zien van hun lot vrees en medelijden voelt. Ook deze begrippen kunnen toegepast worden op gedichten. Ieder gedicht heeft een structuur die bepalend is voor onze perceptie van de inhoud: dat is de mythos. En als het goed is voelt de lezer zich betrokken bij de spreker, wiens wederwaardigheden hem met vrees en medelijden vervullen. Op poëticaal niveau kan de lezer meeleven met ’s dichters pogingen het gedicht niet te laten mislukken, en verdriet hebben als dat toch gebeurd is – en moet niet elk gedicht in zekere zin als mislukt beschouwd worden?

Als de uitgangspunten van Aristoteles op politiek, moreel en poëticaal gebied valide zijn, kunnen ze ook gebruikt worden om na te gaan of een gedicht geslaagd is. Ik wil dat proberen aan de hand van een gedicht uit de Gedichtendag-bundel van Gerrit Kouwenaar, het bezit van een ruïne. Het luidt zo:

Als er geen oorlog is is men geborgen, huizen

zijn woonachtiger dan greppels sluiers asters, wit

eet alleen, alleen het zwart moet men vasten

men tafelt oneven in zomers als deze, doden

ontleven in andere oorden, eten in woorden

sneeuwt hongerwinters zolang men vlees moet lezen

men kan de telefoon alarmeren, in pillen uittreden

men kan oneindig zijn om zich te verkleinen

buiten op pleinen dreigt vallende stilte, binnen

steeds zachter haarstrelen, nergens is onweer –

Het is geen eenvoudig gedicht, toch is het mogelijk er iets over te zeggen. Het gedicht ziet er regelmatig uit en is cyclisch opgebouwd. De mythos begint immers met een mededeling over geborgenheid in tijden van vrede, terwijl ook de laatste strofe zich expliciet binnenshuis afspeelt op een moment van geringe turbulentie. De cyclische structuur wordt ook gemarkeerd door de overeenkomst tussen de adjectieven «oneven» in de eerste regel van de tweede strofe, en «oneindig» in de laatste regel van de derde. Kouwenaar houdt dus rekening met onze behoefte aan orde in de chaos van het bestaan. Dat blijkt ook uit klankherhalingen, zoals in «oneindig», «verkleinen» en «pleinen», die een associatief verband aangaan en daardoor een indruk van coherentie wekken.

De spreker is een oudere man of vrouw, die kennelijk de hongerwinter heeft meegemaakt en zich in een vredige stad druk maakt om oorlog in andere delen van de wereld. Dat maakt hem of haar (voor de handigheid: hem) sympathiek, te meer daar het herhaalde gebruik van «men» suggereert dat hij zich betrokken voelt bij de rest van de mensheid. Al even sympathiek is de wrange humor waarmee hij het leed van de oorlogsslachtoffers contrasteert met de bijna absurde verworvenheden van de welvaartsstaat: bij ons kan een bejaarde op elk uur van de dag een alarmnummer bellen, en aan het eind kan hij om euthanasie vragen (regel 7). Kortom, zijn woorden doen ons vrezen voor en medelijden hebben met hen «die ontleven in andere oorden», maar laten ons ook meeleven met de oude man die in zijn eentje zit te eten.

Daarmee heb ik het gedicht nog lang niet volledig geïnterpreteerd, maar ik stel wel vast dat de mythos in een aantal opzichten consistent is en dat de karakters voldoen aan de eis dat ze de betrokkenheid van de lezer activeren. Bovendien kwijt de dichter zich van zijn politieke taak door een complex van actuele problemen aan de orde te stellen. Ten slotte appelleert het gedicht, juist doordat het raadselachtig is en de inventiviteit van de lezer prikkelt, aan zijn intellectuele vermogens. Denken is prettig en bevredigend, zelfs als er uiteindelijk geen volledige oplossing komt. «Mensen zijn voor het eerst begonnen met filosoferen omdat ze zich verwonderden. (…) Wie zich verwondert en vragen stelt is van mening dat hij onwetend is – daarom is ook iemand die van mythen houdt in zekere zin een filosoof, want mythen bestaan uit wonderlijke voorvallen. Als mensen dus met filosoferen begonnen om aan hun onwetendheid te ontsnappen, streefden ze klaarblijkelijk naar kennis om het weten, niet om er gebruik van te maken.» Het is de combinatie van denklust, maatschappelijke betrokkenheid en literaire analyse die Aristoteles tot de ideale vriend van de moderne dichter maakt.