Hoe te leven van taboes

Jack Kahane en zijn zoon, de ‘beminnelijke schurk’ Maurice, hebben als uitgevers van zinnenprikkelende en andere gewaagde boeken de Engelstalige literatuur helpen bevrijden van veel van haar remmingen.

NEIL PEARSON
A HISTORY OF JACK KAHANE AND THE OBELISK PRESS
Liverpool University Press, 494 blz., ca. € 30,-

PATRICK KEARNEY
THE PARIS OLYMPIA PRESS
Liverpool University Press, 400 blz., ca. € 30,-

Jack Kahane, een man die op de bres stond voor het vrije woord óók als dit slechts bedoeld was om de zinnen te prikkelen, roemrucht uitgever die in Parijs werken publiceerde van James Joyce, Anaïs Nin en Lawrence Durrell, de man ook die Henry Miller ‘ontdekte’, begon zijn loopbaan als textielhandelaar in zijn geboortestad Manchester. Maar de jeugdige Kahane moet toen al bezield zijn geweest door de wens zich een reputatie als kunstminnend francofiel te verwerven. Zijn aanpak hield in dat hij eerst een brief naar de Manchester Guardian zond met een snijdend protest tegen de Duitse dirigent van het Hallé Orkest en diens verwaarlozing van de nieuwe Franse componisten. Daarna stuurde hij onder pseudoniem een brief waarin de repertoirekeuze van die dirigent juist werd verdedigd. Ten slotte werd in een derde stuk, nu weer onder eigen naam, triomfantelijk de kachel aangemaakt met de argumentatie uit de vorige bijdrage.
Nadien, als uitgever van Engelstalige boeken in Frankrijk, schrok Kahane er evenmin voor terug zich te bedienen van slinkse methoden. Verzamelaars van uitgaven van zijn Obelisk Press doen er verstandig aan weinig betekenis te hechten aan de beweringen voor in zo’n publicatie. Zijn bio- en bibliograaf Neil Pearson noemt het ‘ongebruikelijk’ dat in een Obelisk-titel het afgedrukte moment van verschijning klopt. Ook kan een ‘achtste druk’ in werkelijkheid pas de tweede zijn. Wel mag men geloof hechten aan op het stofomslag afgedrukte woorden als ‘SEIZED BY THE LONDON POLICE’. En voor vooroorlogse kopers heeft de volzin ‘MUST NOT BE IMPORTED INTO GREAT BRITAIN OR U.S.A.’ zeker een authentieke waarschuwing ingehouden.
Kahane stierf aan een hartverlamming toen in 1939 de oorlog uitbrak. Zijn zoon Maurice, zich bewust van de risico’s die kleefden aan een joodse naam, koos voor zijn persoonsbewijs de achternaam van zijn moeder en behield die zijn leven lang, maar de aard van zijn carrière weerspiegelt die van vader Jack. Maurice Girodias gaf met zijn Olympia Press in Parijs óók gewaagde Engelstalige teksten uit: Donleavy, Apollinaire en Nabokov naast allerlei pure pornografen (in wier teksten vaak wel een speciale sardonische humor valt aan te treffen). Om publiciteit voor hun voortbrengselen te genereren, namen de Olympia-auteurs soms hun toevlucht tot listigheden die Kahane, de aartsvader van hun métier, niet had kunnen verbeteren.
Tot de schrijvers die Girodias voorzagen van gepeperde teksten behoorde de in Glasgow geboren Alexander Trocchi. Als ‘Frances Lengel’ (bij de Olympia Press hadden mannen vaak vrouwennamen als pseudoniem en andersom) was hij verantwoordelijk voor titels als School for Sin en White Thighs. Trocchi’s ambachtelijke flexibiliteit verdient bewondering. Nadat Girodias bij hem met enige aandrang een exotisch romannetje had besteld om een aanbieding te completeren, paste de auteur bereidwillig een ‘gewone’ roman die hij bezig was te schrijven over achterbuurten in Glasgow tijdens de Eerste Wereldoorlog even aan. Het al gecreëerde materiaal over de achterbuurten werd tot flashbacks omgewerkt, de actie naar Spanje verplaatst, het tijdsbeeld naar dat van de jaren twintig. Het eindresultaat heette Thongs. De titel suggereert een sadomasochistisch element, dat mag gelden als een specialiteit van Olympia’s erotica. Thongs heette te zijn geschreven door ‘Carmencita de las Lunas’.
De veelzijdige Trocchi, die nog eens opzien zou baren door zich live voor de Engelse televisie heroïne in te spuiten, is ook de auteur van een artikel waarin namens de Olympia Press vreugde over het feit dat Joyce’s Ulysses geen juridische beletselen meer in de weg werd gelegd voorbarig werd genoemd: ‘Het door de wettelijke toelating van Ulysses tot stand gebrachte uitgangspunt blijkt gevaarlijk te zijn. Ieder boek dat van moed getuigt en dat niet duister is, schijnt automatisch als obsceen te worden gebrandmerkt zonder de rechtvaardiging van literaire waarde te zijn. (…) De boekverbranders zijn nog altijd onder ons.’
De Amerikaan Austryn Wainhouse, als Olympia-auteur en -vertaler ook wel ‘Pieralessandro Casavini’, uitte bij een andere gelegenheid moralistisch getoonzette kritiek op de beschikbaarstelling van werken van Markies de Sade in paperbacks: Justine, Philosophie dans le boudoir, Les 120 journées de Sodom: allemaal verschenen bij de Olympia Press en vertaald door… hemzelf.
Het was een grap in de traditie van Kahane, maar één die tegelijkertijd uiting gaf aan een principe waarvan het bestaan zich steeds duidelijker moet hebben opgedrongen aan Girodias en zijn medewerkers: zij dankten hun eten en drinken aan taboes, dus die moesten wel in stand blijven. In de Parijse jaren van Olympia hielden de bedoelde taboes in het Engelstalige deel van de wereld nog wel hun kracht. Toch ging het Girodias niet altijd voor de wind. Zelfs los van de overvallen en inbeslagneming van zijn uitgaven door de Parijse zedenpolitie (de zogeheten ‘brigade mondaine’) was zijn positie dikwijls precair. Hij veerde heen en weer tussen miljonairschap en faillissement, zat een enkele keer in de cel, ging twaalf keer failliet, maar wist op de een of andere manier altijd weer overeind te krabbelen. In 1967 vestigde hij zijn hoofdkwartier in New York, maar het vroegere succes was hem, bij de aanvang van het ‘permissive society’-tijdperk, ontglipt. Mede door zijn toedoen was de markt voor zijn soort erotica ingestort.
De boeken van respectievelijk Neil Pearson over Kahane’s Obelisk Press en Patrick Kearney over de Olympia Press van Girodias zijn allebei eerst en vooral: bibliografieën. Kearney geeft, na een tijdtafel en een inleiding, nauwelijks meer dan een gedetailleerd overzicht van alle publicaties, samengesteld met gewetensvolle zorg, dat wel. Waarschijnlijk heeft hij gemeend zich hiertoe te kunnen beperken omdat leven en werken van de in 1990 overleden Girodias al eerder in boeken zijn neergelegd, onder meer in twee delen memoires van de uitgever zelf. De bibliografie van Obelisk-titels is eveneens voorbeeldig, maar Pearson heeft een biografische schets van Kahane toegevoegd en puntige, laconiek geschreven levensberichten over diens auteurs. Zo vernemen we over een werk van Cyril Connolly: ‘The Rock Pool was door twee Londense uitgevers geweigerd omdat het obsceen was, en werd door Kahane bijna geweigerd omdat het dit niet was.’ (In het Engeland van 1935 kon Connolly’s roman, proza waarin vrouwen dansten met vrouwen en ongehuwde stellen samen ontwaakten, niet door de beugel.)
Kahane was door de Eerste Wereldoorlog naar het land van zijn voorkeur gevoerd. Hij trouwde een Franse vrouw en bleef na zijn demobilisatie in Frankrijk. Toen Laugh and Grow Rich, een door hem naar Frans model geschreven lichte roman met hier en daar de suggestie van buitenechtelijke seks, uit Engelse leesbibliotheken werd geweerd, trok hij zich dit aanvankelijk aan. Dat veranderde toen zijn uitgever Grant Richard adverteerde met de uitsluitingen en zowaar een herdruk nodig werd. Een openbaring! Als ‘Cecil Barr’ werd Kahane de schrijver van méér van dat soort werk. Zijn Daffodil werd een van de eerste Obelisk-uitgaven. De allereerste titel die zijn uitgeverij (toen nog met een vennoot) publiceerde, is eveneens tot stand gekomen doordat de slimme Kahane een kans zag en die onmiddellijk greep.
In Engeland had de politie zo veel mogelijk exemplaren van de roman Sleeveless Errand van Norah James op de dag van verschijnen in beslag genomen. Het boek gold als obsceen en godslasterlijk, want de schrijfster had het aangedurfd haar personages termen als ‘bloody hell’, ‘balls’, ‘homos’, ‘whores’, ‘for Christ’s sake’, ‘like hell’ en ‘bitch’ in de mond te leggen. Binnen een maand lag de Obelisk-editie van het werk in de Parijse boekhandels. Door advertenties in de Britse pers verklaarde Kahane zich bereid elk boek van literaire waarde in Parijs met dezelfde snelheid te publiceren.
De uitgever werd zeker niet gedreven door het profijt dat hij kon trekken van Engelse preutsheid en hypocrisie. Zijn onderneming bestond integendeel om werken van literaire betekenis te publiceren, maar hij financierde die met ‘db’s’, oftewel wat in zijn tijd doorging voor ‘dirty books’. Zo kon van James Joyce Haveth Childers Everywhere verschijnen, het eerste in boekvorm gepubliceerde fragment van het ‘work in progress’ dat later Finnegans Wake zou blijken te heten. De titel van Joyce’s Pomes Penyeach, in september 1932 uitgekomen in een oplaag van 31 exemplaren, moet de roep van een straatventer evoceren, maar Kahane adverteerde een volle vier jaar later nog steeds met zijn uitgave. De editie was zo precieus vormgegeven dat de douane in Dover tien exemplaren had opgehouden en betaling verlangde van een belasting op luxe goederen.
In 1934 was het Kahane’s Obelisk Press die met de publicatie van Tropic of Cancer Henry Miller aan de wereld voorstelde. Gerard Reve noemde deze Amerikaan ooit een ‘oude bosneuker’. Pejoratief bedoeld, maar geen slechte karakteristiek. Het erotische element in Millers werken wortelt organisch in het explosieve mengsel van vitaliteit en scheppingsdrift dat die werken geboren deed worden. Hier een stukje uit Tropic of Cancer zoals vertaald door John Vandenbergh:
‘O Tania, waar is nu die warme kut van je, die dikke zware kousebanden, die weke, ronde dijen? Mijn stijve jongeheer is vijftien centimeter lang. Met mijn ruimnaald wordt ieder plooitje in je kut gladgestreken, jij Tania die vol zaad zit. (…) Warme stralen schiet ik in je, Tania, je eierstokken maak ik gloeiend. (…) Ik heb de stutten wat wijder uit elkaar gezet en de plooitjes gladgestreken. Na mij kun je best hengsten, stieren, rammen, woerden en sint-bernhards hebben. Je kunt padden, vleermuizen en hagedissen in je endeldarm proppen. Je kunt arpeggio’s schijten als je dat wilt, of de snaren van een citer over je navel halen.’ Dat is andere koek dan de ‘bloody hells’ en ‘balls’ bij Norah James.
Na de oorlog zette Maurice Girodias het werk van zijn vader voort met herdrukken van Millers werken. De belangrijkste nieuwe ‘ontdekkingen’ van zijn Olympia Press zijn Vladimir Nabokovs Lolita en The Ginger Man van de Amerikaanse Ier J.P. Donleavy. Beide romans verschenen zomer 1955 en werden onderwerp van hevige en langdurige conflicten, soms uitgevochten voor de rechter, over royalty’s, betalingen, contracten, rechten, inbeslagnemingen, overnames. Zowel Nabokov als Donleavy heeft nadien bittere woorden geuit over zijn associatie met Girodias. Toch verklaarde de eerste zich in 1957 ‘dankbaar’ jegens de uitgever dat die zich had willen ontfermen over Lolita. Volgens de Sunday Express was de roman over de relatie van Humbert Humbert, man van middelbare leeftijd, met zijn twaalfjarige stiefdochter ‘het schunnigste boek’ dat de scribent van dat blad ooit had gelezen. Veel andere reacties waren navenant. In feite wordt Humberts geschiedenis overheerst door een dubbelgangermotief en worden de lezers vanzelf in een positie gebracht om met hem, de verteller, te sympathiseren.
Wat Donleavy’s boek betreft, ook dit was vele malen door uitgevers geweigerd voordat Girodias het accepteerde. En waarachtig, ook Donleavy’s dronken rondwaggelende of anders wel copulerende (anti)held Sebastian Dangerfield is het personage waarmee lezers van The Ginger Man zich onmiddellijk identificeren. Allicht mag Maurice Girodias, wiens persoon een geloofwaardige vertolking van het begrip ‘beminnelijke schurk’ laat zien, aanspraak maken op de erkenning de ideale uitgever te zijn geweest van de relazen over de lotgevallen van de heren Humbert en Dangerfield. In ieder geval kun je moeilijk heen om de vaststelling dat hij en zijn vader in de vorige eeuw de Engelstalige literatuur hebben helpen bevrijden van veel van haar remmingen.