Jonathan Franzen

Hoe te manoeuvreren in het bestaan

De personages in Vrijheid van Jonathan Franzen moeten opofferen, inschikken, inleveren. Pure vrijheid is een illusie.

Jonathan Franzen, Freedom . € 12,50
Jonathan Franzen, Vrijheid. € 19,95

Medium 9780374532574

De beginzinnen van Jonathan Franzens bestseller De correcties (2001) kondigden het onheil al aan, dankzij een verontrustende weersvoorspelling. ‘Je kon het voelen: er ging iets verschrikkelijks gebeuren.’ Waarna de lezer hard moet werken om te weten te komen wat dat 'verschrikkelijks’ precies inhoudt. Er ontrolt zich een gecompliceerd familiedrama - inclusief oerscène waarin de jonge hoofdfiguur urenlang voor zijn bord met eten zit dat hij maar niet naar binnen krijgt - dat raakvlakken krijgt met de terreur van multinationals in allerlei gedaanten.

Het is een beproefd verhaalprocedé - de lang uitgestelde informatie - waarop Franzen negen jaar later in zijn vierde roman Vrijheid varieert. In een vogelvluchtintroductie, met de ironische titel 'Goede buren’, stelt een onbetrouwbare roddelachtige verteller ons Walter en Patty Berglund uit St. Paul, Minnesota voor, die vlak na 9/11 naar Washington verhuizen, als zoon Joey en dochter Jessica al uit huis zijn. De oude buren lezen in The New York Times dat die aardige en milieubewuste jurist Walter ('groener dan Greenpeace’) in zee is gegaan met de natuur verpestende steenkoolindustrie. Ook nu weer blijkt pas na honderden bladzijden hoe dat zo gekomen is. Ik zal het ook niet meteen uitleggen, als ik dat al wil. Franzen weet de familiale desintegratie met dickensiaans vertelvernuft (microkosmos wordt macrokosmos en andersom) aannemelijk te maken. A-chronologische versnellingen en vertragingen én commentaar op het vertellen zelf (waarom juist deze wijdlopigheid, waarom juist nu kort en bondig en oppervlakkig?) houden de spanning erin. Sterker nog, een paar opmerkelijke inhoudelijke wendingen en perspectiefwisselingen zorgen ervoor dat de lezer scherp blijft en zijn hoofd en hart erbij houdt.

Jonathan Franzen staat in een zo langzamerhand opmerkelijke Amerikaanse traditie van schrijvers die zich toeleggen op familiekronieken, al dan niet autobiografisch: Philip Roth, Rick Moody, Richard Powers, Dave Eggers, Donald Antrim, David Foster Wallace: zij allen onderzochten de familie als last en lust, maar tegelijkertijd schreven en schrijven zij over de desintegratie van de samenleving. De vraag die ze daarbij stellen: is de zieke samenleving - vol fortuinmakers die falen, natuurvernielers, bancaire zwendelaars en oorlogszuchtigen die doodleuk vrijheid en vrede prediken - nog wel te corrigeren, zo niet in het groot dan wel in het klein? In wezen houden al deze schrijvers een pleidooi voor betrokkenheid, zich bewust van het feit dat veel mensen niet toekomen aan het lezen van dikke romans. En er is nog een paradoxaal probleem, dat Franzen al in een interview uit de vorige eeuw verwoordde: 'Waar haal je de energie vandaan om je in te kunnen laten met een cultuur in een crisissituatie als die crisis er nu juist uit bestaat dat je je onmogelijk met die cultuur kunt inlaten?’ Toch blijft Franzen romans schrijven, zonder tot naturalisme of sociaal-realisme te vervallen. Zijn familieromans zijn ook indirecte cultuurkritische overpeinzingen rond de eeuwige vraag 'hoe beter en zuiverder te leven en te overleven?’ Het persoonlijke blijft politiek, de liefde raakt verkleurd door samenzweringen en stiekemigheid. Maar er zijn legio vertelmanieren die de goedwillende lezer alert houden, zodat hij de hoofdfiguren met al hun tegenstrijdige gedachten en acties kan blijven volgen.

Het weekblad Time had op 23 augustus een omslagverhaal over de 'Great American Novelist’ Franzen. Dat verhaal ging over van alles maar nauwelijks over zijn roman. Het is beter de voorkant van het blad te beschrijven, omdat die iets zegt over Franzens literaire obsessies. We zien een ernstig kijkende, licht grijzende, zwart bebrilde en van een kappersbaard voorziene Franzen wegkijken van de camera. Boven zijn hoofd staan tekstjes geprojecteerd, wereldnieuws dat verwijst naar artikelen in deze Time: over een schandaal in Japans nationale sport sumo, over de hoofdstad van Brazilië, over hoe het Midden-Oosten politiek minder belangrijk kan worden en over de overstromingen in Pakistan. Dat nieuws heeft alles te maken met Franzens Vrijheid, omdat zijn roman niet alleen breed uitwaaiert over verschillende landen (Irak, Polen, Paraguay) en steden (St. Paul, Washington, New York) maar ook ingaat op natuurrampen als gevolg van steenkoolontginning en bergtopmijnbouw, sport (basketbal) en duizend andere thema’s (onder meer rockmuziek als pseudo-subversieve bijdrage aan de commercie en het consumentisme). Maar het boek is geen meningencircus. Het is Franzen te doen om de bron van al die meningen, om de figuurlijke projecties, om de mening - welke dan ook - als vorm van wraak, jaloezie of wedijver. De destructiedrift binnen de familie Berglund heeft daarmee te maken. Daarachter schemert weer de zachte woede van de auteur, die als amateurvogelaar beseft dat de vogels steeds minder natuur tot hun beschikking hebben. In zijn verhelderende essaybundel The Discomfort Zone: A Personal History (2006) schrijft hij over 'my bird problem’. Als hartstochtelijke kijker naar vogels voelt hij iets wat verder gaat dan liefde: identificatie. Het gepiep en de kreetjes van met uitsterven bedreigde vogeltjes (bijvoorbeeld de azuurvogel in Vrijheid) doen Franzen herinneren 'aan de mensen van wie hij het innigst houdt - degenen die onaangepast zijn’. De vogels zijn 'my outcast friends’.

Het behoeft geen betoog dat Vrijheid vol buitenbeentjes, marginalen en randfiguren van allerlei pluimage zit, vrouwen en mannen die moeite hebben erbij te horen, die niet makkelijk meedraaien in het maatschappelijke meningencircus, die last hebben van een opvoeding of van ouders die hun zelfbewustzijn hebben ondermijnd: Patty Berglund is in haar jeugd verkracht, maar de dader ontkwam aan zijn straf omdat Patty’s rijke ouders bevriend waren met de ouders van de verkrachter; Walter Berglund heeft zijn jeugd opgeofferd aan zijn alcoholistische vader, die een motel runde. De muzikant met wisselend succes Richard Katz (ja, Vrijheid gaat ook over een ingewikkelde driehoeksverhouding) heeft ook een verleden dat hem 'stuurloos’ maakt, al is hij degene die een geboren overlever is. De opvoeding als schipbreuk, vroeger of later. Ze zitten alle drie in een 'discomfort zone’. De woede die Walter en Patty ontwikkelen over hun afkomst en over hun levenswijze komt onherroepelijk tot uitbarsting: hun huwelijk ontploft, al komt er nooit een echtscheiding. De directe reden is een tekst: Richard is zo wraakzuchtig dat hij de niets en niemand verhullende therapeutische tekst die Patty over haar eigen leven heeft geschreven aan Walter geeft: die schopt vervolgens zijn vrouw de deur uit. Hij voelt zich bedrogen en zoekt tijdelijk troost bij een Lolita.

De titel van Franzens roman lijkt eenvoudig, maar blijkt al lezend een buitengewoon gecompliceerd fenomeen te zijn: de vrijheid van de kat gaat ten koste van die van de vogel, en de grenzeloze vrijheid van de ene mens gaat meteen ten koste van die van een ander: binnen een relatie, binnen een gezin, op school, in welk (sport)team dan ook. Opoffering, toegeven, inschikken, compromissen sluiten, tactisch opereren, inleveren; het zijn allemaal houdingen die haaks staan op de pure vrijheid, die in wezen onbestaanbaar is. Hoe te manoeuvreren in het bestaan? Dat is de vraag in Vrijheid. Op relationeel en op maatschappelijk niveau levert dat veel wisselende antwoorden op. Het hangt van de situatie, de geestes- en gemoedstoestand af. Want eenduidigheid past niet in Franzens wereld vol betrokkenen én onverschilligen, onverdraagzame Democraten én vrijgevige Republikeinen.

Misschien is de hele roman - die loopt vanaf de Club van Rome in 1973 tot het Obama-tijdperk van 2010 - wel het meest effectief te vatten door een metafoor en door een treffend woord. Het beeld dat aan alle verhalen en zijvertakkingen raakt is dat van een trouwring, die zoon Joey op een onbewaakt ogenblik inslikt en een paar dagen later, bij een mislukte poging om vreemd te gaan, weer in de wc terugvindt, wat een catharsis is. Die ring betekent verbonden en gebonden zijn. Tegenspoed dien je te verteren. De gevolgen van fouten moet je onder ogen zien. Geen gemakzuchtig escapisme. Je mag je niet afwenden van alle ellende en stank die ook bij de huwelijkse staat hoort. Joey’s ouders leggen in hun huwelijk een vergelijkbare weg af.

De twee trefwoorden in de roman zijn sekte en woede. Een sekte is een gesloten gemeenschap, een in zichzelf gekeerd team. En een team kan een echtpaar, een klas, een studiejaar, een basketbalploeg of een vriendenclub zijn. Patty kan in haar studentenjaren aan topsport doen (basketbal) door een zekere leeghoofdigheid te ontwikkelen en zich af te sluiten voor de veeleisende buitenwereld. Zo ontstaat eenrichtingsverkeer, fanatisme en blindheid voor de ander. Er is geen echte wisselwerking meer. Daarom ontgaat haar een reeks alarmerende signalen en wordt ze keer op keer bedonderd. Haar therapeutische tekst 'Er zijn fouten gemaakt’ is een poging tot analyse van haar eigen sektegedrag, liefdesperikelen en bedriegerijen. In de roman fungeert Patty’s verhaal als tijdbom onder haar huwelijk. En in een goede roman gaat zo'n tijdbom op het juiste moment af. 'Nu ze erop terugkijkt, ziet de autobiografe haar jongere zelf als zo'n wrokkige adolescente die zo boos was op haar ouders dat ze naar een sekte verlangde, waarbinnen ze de vriendelijkheid, vlotheid en meegaandheid zou kunnen opbrengen waartoe ze zich thuis niet meer kon zetten.’ Zo schrijft Patty haar verhaal: vanuit de derde persoon en met een vertelster die commentaar levert op een personage dat ze zelf is. Het levert komisch-wrange fragmenten op waarin Patty diep in haar eigen vlees snijdt en dodelijk eerlijk blijft.

De woede die Walter Berglund koestert is meer van de wereld en de politiek. Hij is zo boos als milieuactivist en vogelliefhebber dat hij heult met de vijand, de steenkoolindustrie, om een natuurreservaat te kunnen scheppen voor bedreigde vogelsoorten. Het is louche handel, handel waarin zijn zoon ook verzeild raakt. Maar Walter loopt veel te ver voor de troepen uit, raakt verstrikt in kronkelredeneringen en komt klem te zitten tussen de botsende belangen. Franzen weet schitterend het kat-en-muis-spel tussen milieuactivisten en mijnbouwmaatschappijen in slapstickachtige scènes te beschrijven. Walter Berglund rekt als zetbaas van de steenkoolindustrie de taal en de waarheid zo ver op dat hij zelf de richting kwijtraakt. Zijn actie Free Space voor geboortebeperking in Amerika loopt uit op een flop omdat de jonge activisten meer geïnteresseerd zijn in Pinkpop- of Lowlandsgedoe dan in het taaie politieke handwerk. Hij hervindt zich als kleinschalige natuur- en vogelliefhebber met enigszins sektarische trekjes in het familiehuis bij een naamloos meer in Minnesota. Maar zijn vrouw, weggestuurd en zes jaar later teruggekeerd, weet hem te ontsluiten voor de wereld.

Nee, Vrijheid kent geen happy end. Het slot is eerder sardonisch. De grondtoon van de roman is boosheid, gestileerde woede over de grenzeloze vernielzucht van het moorddadige beest dat mens heet. Fragmentatie en versplintering zijn de grote vijanden. De mensen hebben geen anker meer. 'Want het is overal hetzelfde. Het is net als internet: er is geen centrum, geen gemeenschappelijke basis, niets dan ontelbare snippertjes niksigheid. Er valt geen gesprek te voeren om blijvende uitgangspunten te bepalen, het is een en al hapsnapwerk en goedkope rommel. Alles wat echt is, al het authentieke, waarachtige en eerlijke sterft af. Intellectueel en cultureel vliegen we door elkaar heen als miljoenen flipperkastballen, reagerend op de laatste willekeurige prikkels.’ Ziehier Franzens credo in een roman die strijdt tegen vluchtigheid, oppervlakkigheid en instant-behoeftebevrediging.

Jonathan Franzen vereenzelvigt zich, als schrijver en als vogelaar, met zijn gevederde vrienden, waaronder het bedreigde azuurvogeltje. De mooiste beschrijving levert hij van de roerdomp, niet de makke maar de schuwe, die zijn kop en snavel uitstrekt naar de hemel en zo één lijkt te worden met het eender gekleurde riet waarachter hij zich onzichtbaar wil maken voor het roofdier mens. Franzen is die roerdomp. Vanachter het riet kijkt hij met bozige verbazing naar al die menselijke vernietigingsdrift waaronder Moeder Aarde lijdt. Franzens Vrijheid is welhaast een literair wanhoopsoffensief om de lezer alsnog een geweten te schoppen.

JONATHAN FRANZEN

VRIJHEID

Vertaald door Peter Abelsen,

Prometheus, 589 blz., € 26,50 (verschijnt 3 september)