Hoe tsjechie zijn zigeuners loost

Het probleem van de zigeuners is de lakmoesproef voor een fatsoenlijke samenleving, liet Vaclav Havel eind vorig jaar weten. Maar in plaats van plannen te ontwikkelen om de roma in Tsjechie te integreren of wat dan ook om hun maatschappelijke positie te verbeteren, hebben de Tsjechische bestuurders een wet bedacht waardoor een derde van de zigeunerbevolking sinds vorige week als buitenlander wordt afgeschreven. Bepaald is dat (1) iedereen die veertig jaar of jonger is en (2) uit Slowakije afkomstige ouders heeft, (3) twee jaar lang geen vaste woon- en verblijfplaats in de Tsjechische Republiek heeft gehad en (4) de laatste vijf jaar een misdaad of misdrijf heeft begaan over de grens met Slowakije kan worden gezet. Naar schatting 100.000 roma zijn de dupe van deze maatregel. En ze hebben nauwelijks verweer.

Het zigeunerlot is vanouds penibel. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd negentig procent van de roma uit de Tsjechische gebieden weggevoerd en vermoord. De rest zocht toevlucht bij volksgenoten in Slowakije, waar ze met rust werden gelaten zolang ze ‘onzichtbaar’ bleven in hun nederzettingen in de bergen en de bossen. Na de oorlog keerden velen terug, vaak gedwongen. Vanaf de jaren zestig dirigeerden de communisten tienduizenden roma van Slowakije naar de industriele randgebieden van Bohemen en Moravie, die bij de 'autochtone’ arbeidersklasse niet erg in trek waren.
Tijdens de Praagse Lente ontkiemde een federaal republikeins ideaal, dat in 1969 uitmondde in een wet die bepaalde dat naast het voor iedereen geldende Tsjechoslowaaks staatsburgerschap ook nog de Tsjechische of Slowaakse nationaliteit te verkrijgen was. Ieder die voor 1953 op Tsjechisch grondgebied was geboren, werd Tsjech. In de praktijk stelde dit weinig voor, men was voor alles Tsjechoslowaak. Tot 1 januari 1993, toen de Federale Republiek uiteenviel. Vanaf dat moment moest men aantonen dat men voor 1953 op Tsjechisch grondgebied was geboren om zich na 1 juli 1994 nog Tsjech te mogen noemen.
Niet alleen tienduizenden door de communisten vanuit Slowakije getransporteerde roma, maar ook hun kinderen en de duizenden die na de omwenteling van 1989 naar de Tsjechische deelstaat verhuisden, dreigen nu statenloos te worden. Want de verwachting is gering dat ze met open armen zullen worden ontvangen in Slowakije, met zijn smeulende Hongaarse minderheidsprobleem, met zijn politieke instabiliteit, met zijn sombere economische vooruitzichten. Waarheen dan?
De Tsjechische samenleving schijnt het weinig uit te maken, als ze maar oprotten. Volgens opinieonderzoeken koestert zo'n negentig procent van de bevolking negatieve, zo niet 'vijandige’ gevoelens jegens de roma, en heeft dertig procent begrip voor gewelddadige acties van skinheads tegen de cigan. Ze zouden verantwoordelijk zijn voor de toegenomen misdaad en prostitutie, ze zouden amokmakende dronkaards en een gevaar voor de volksgezondheid zijn. De volksvertegenwoordigers wisten zich dus gesteund door hun achterban. Het lakmoespapiertje dat Vaclav Havel in het Tsjechische roma-beleid heeft gedoopt, is er rood gekleurd uitgekomen. Rood, als de kaart op het voetbalveld, door het giftige zuur van een onfatsoenlijke samenleving.