Over monumenten van het kapitaal 1 april 1972

Hoe vuile handen blijkbaar toch schoon kunnen bouwen

In de publikatie De Elite, een analyse door opstandige studenten van de afdeling bouwkunde te Delft, uitgegeven in 1970, worden heel wat interessante vraagstukken aan de orde gesteld. Op blz. 111 gaat het o.m. over ‘Delft en het nieuwe bouwen’. Daarin lezen we over de functie van de opleiding (‘van de dominante kunstenaar-architect’) in Delft o.m. het volgende:
‘Representatie van de macht (conspicious consumption). De investeringen van bedrijven (en overheid) in kantoorgebouwen e.d. gaan uit boven het strikt noodzakelijke: de architect werkt mee aan de kapitaalvernietiging.’

Het is wat grappig, en ook veelbetekenend, dat nog de woord-combinatie ‘kunstenaar-architect’ wordt gebezigd. Wat de uitdrukking ‘dominante kunstenaar-architect’ inhoudt, zal de lezer zelf maar moeten bepalen.

Nog altijd blijkt de positie van de architect tussen de wal en het schip te vallen. Enerzijds de bestaande maatschappijvorm, anderzijds de dominerende eigenwijze architect die door zijn persoonlijke opvattingen over vormgeving wil domineren. Het wordt ons in bovengenoemde publikatie méér dan duidelijk gemaakt dat architecten, die in hun praktijk medewerken aan de totstandkoming van bankgebouwen e.d. zich schuldig maken aan het krijgen van ‘vuile handen’; alleen ter meerder eigen gewin en persoonlijke roem. Zij spelen handjeplak met het verfoeide kapitalisme. De enig mogelijke oplossing zou zijn een totale structuurverandering. De architecten zouden in hun ‘sociale geëngageerdheid’ moeten weigeren bankgebouwen en kostbare overheidsgebouwen te ontwerpen. Immers in dit opzicht bekleden zij eigenlijk sleutelposities. Weiger dergelijke opdrachten en de maatschappij zal in radeloosheid uit elkaar vallen; de architectenhanden zullen voortaan ‘schoon’ blijven, hun ‘kunstenaarschap’ ongeschonden…

In weer een ander papieren bedenksel wordt ons voorgehouden dat in de toekomst de architect volstrekt overbodig zal zijn, een soort kunstzinnige uitwas, waar we ons beter vandaag dan morgen van kunnen ontdoen; zó orakelt b.v. de Franse architect en illusionistische stedebouwer Yonea Friedman.

Laten eventuele driftkikkers mij nu niet aanvliegen met de opmerking dat ik alleen al door het schrijven van dit artikel over de verbouwing en uitbreiding van het hoofdkantoor van de AMRO-bank in Amsterdam zeer vuile handen heb gemaakt! Ik behoorde, à priori, de architecten die zich voor dit bouwwerk ‘leenden’ te verdoemen; en dat doe ik nou eens lekker niet! Trouwens, waarvoor zou men in het bijzonder architecten van de bok willen trekken en niet de bouwvakkers die dagelijks hun zware, en dikwijls gevaarlijke lasten gewillig aanvoeren? Omdat architecten in de gehele bouwerij ‘sleutelposities’ zouden innemen? Kom nou: die sleutelposities liggen heel ergens anders! Wie het kapitalistisch systeem ziet als een zware, bijna niet te tillen steen die op de samenleving rust, moge bedenken dat een ‘omwenteling’ van een dergelijke, soms uiterlijk fraaie steen, meestal slechts pissebedden en ander onsmakelijk gedierte te zien geeft.

SPEELS SILHOUET

Dat de werkelijke architect, als vormgever, in de verre toekomst volstrekt overbodig zou worden, wordt nergens beter weersproken dan door deze nieuw- en herbouw van de AMRO-bank aan het Amsterdamse Rembrandtplein. Ongetwijfeld, voor de dagelijkse voorbijganger zal er misschien uiterlijk nauwelijks iets veranderd zijn; het blijft de altijd aanwezige ‘geldvesting’, als hoofdzetel van het ‘kapitaal’. Mogelijk heeft die voorbijganger ook al jaren de ongewone, luchtig geconstrueerde ‘opbouwen’ gezien, die noodzakelijk waren door het nijpend ruimtegebrek. Die hebben bovendien de bedoeling het bouwwerk, uit 1926, een wat speelser silhouet te geven, waarmee de dikke ‘monumentaliteit’ in het stadsbeeld wat milder kon worden. Uit een vluchtige schets van wijlen architect Merkelbach kan overtuigend blijken dat men reeds in een veel vroeger stadium naar een dergelijk luchtige opbouw heeft gezocht, waarna deze later in volle consequentie werd doorgevoerd.

‘Monumentenzorg en de bank stelden het op prijs dat op deze plaats een overgangsmonument kwam.’ Er is, zo lezen we, ‘lang over gedubd’… Dat is zonder meer aan te nemen.

Er was de bank zeer veel aan gelegen om dit hoofdkantoor, ondanks bijna onvoorstelbare problemen van constructie en vormgeving, binnen de oude stad te houden. Het zou veel eenvoudiger en zeker goedkoper zijn geweest om deze gehele handel maar ergens aan de buitenkant van de stad neer te zetten. Wie aan dit probleem raakt, treft blijkbaar de hypergevoelige zenuw van het kapitalistische geldsysteem en zijn betekenis daarvan voor het Europese geldwezen. Men raakt hier inderdaad aan een ‘sleutelpositie’ van de hoofdstad van Nederland, die ons doorgaans volstrekt onduidelijk is, maar niet minder een feit.

NOODZAAK GOEDE VORMGEVERS

Moet een ‘geëngageerde’ architect bedanken voor de eer of moet hij zijn handen zeer bewust ‘vuil maken’. De architecten prof. ir. H.T. Zwiers en ir. E.M. Fontein, benevens architect H. Salomonson hebben blijkbaar met volle overtuiging ingestemd met deze opdracht, die voor hen een van vele andere was. Zij hebben uitgaande van het technisch-zakelijk gegeven, hun taak op buitengewoon knappe en dikwijls zelfs emotioneel boeiende wijze vervuld. Wat nu, vooral bij de interieurs, van deze nieuw- en herbouw treft is de absoluut onmisbare noodzaak van goede vormgevers om een eenheid tot stand te brengen tussen duizend en één technisch-economische problemen. Men moet er in deze samenleving in berusten dat moderne kantoorgebouwen over vrijwel de gehele wereld een zekere ‘vormgevingsnoemer’ gemeen hebben. Vooral hier echter komt men onder de indruk dat bij deze vormgevingsnoemer niet de technocraat, de civiel- of werkbouwkundig ingenieur, het hoogste woord had. Er is in de afgelopen veertig jaar een ontwikkeling ontstaan die van dit gebouw een volkomen technisch monstrum had kunnen maken; dat is gelukkig niet gebeurd. Want wat hier aan techniek, organisatie e.d. geëist werd (we denken b.v. aan de moderne communicatiemiddelen) grenst aan het volstrekt onvoorstelbare. Het wemelt er van de computers, T.V.-ontvangers e.d., maar men ziet ze in werkelijkheid nauwelijks.

Natuurlijk is dit gebouw in velerlei opzichten zeer rijk uitgevoerd, met duurzame, dus kostbare materialen. Maar, dat is dan nergens op een ‘poenig rijke’ manier gebeurd. Wie zal overigens precies uitmaken waar het ‘strikt noodzakelijke’, zoals De Elite het formuleert ophoudt en ‘kapitaalvernietiging’ begint? Ook het begrip ‘bank’ schijnt bij het publiek een duidelijke verandering te hebben ondergaan; van drempelvrees blijkt nauwelijks meer sprake te zijn. Het hoofdgebouw is trouwens een geheel open bedoening: men kan er rustig aan twee kanten (vanaf de Herengracht en van de Amstelstraat) doorheen lopen. Er is ook rijkelijk aandacht geschonken aan een zo gunstig mogelijke werksfeer voor het personeel. Er is nog geen sprake van een volledig doorgevoerde ‘kantoortuin’, als laatste mode in de kantoorbouw, maar de aanzetten daartoe zijn toch reeds duidelijk zichtbaar en dus niet aan de aandacht van de architecten ontsnapt.

INTERIEURKUNST

Wat betreft de interieurruimten moet in het bijzonder melding worden gemaakt van het werk van architect Salomonson (in samenwerking met Fontein). Hier is interieurkunst van het allerhoogste niveau te beleven, ook weer zonder enige ‘poenigheid’. De ‘omwentelaars’ zullen mij wel toeroepen: een kunst als er tóch poen genoeg was. Voorts dat voor dergelijke interieurs een aantal Amsterdamse woningen verbeterd had kunnen worden; (wat waar is; maar dan een zeer klein aantal). Het is echter wèl degelijk een kunst om, bewust van een zeer ruime beurs daarvan geen misbruik te maken om zich persoonlijk uit te leven. De architecten hadden hier, zo min als elders in het gebouw, een op zijn retour zijnde Karel Appel, of een andere algemeen beroemd kunstenaar nodig om te imponeren.

PROVINCIEHUIS DEN BOSCH

Echt vuile handen krijgt een architect door met hart en ziel achter een gezagsminnende opdrachtgever te gaan staan, zoals b.v. Maaskant deed met zijn provinciehuis in Den Bosch. En dan te bedenken dat diens naam ooit in één adem werd genoemd met de sociaal denkende functionalist van het eerste uur ir. W. van Tijen! In Den Bosch werd niet alleen aan de verstrekte bouweisen voldaan, maar als het ware (‘plus royalist que le Roi’) óók aan de machtssymboliek van de huidige commissaris der Koningin in Noord-Brabant, die zich overigens in dit opzicht nog weer kon beroepen op oud-minister De Quai. Deze had in een zeer veel vroeger stadium de opdracht verstrekt. Hier komen de wortels bloot van de monumentaliteitsmanie die voor openbare gebouwen ten grondslag lag aan de architectuur der Delftse School. Wortels kunnen soms zeer diep liggen, zich vèr buiten de stam uitstrekken en daarmee verborgen blijven voor de argeloze voorbijganger. Als een figuur als Maaskant (blijkens een interview) gezegd heeft: ‘Het kan me niet schelen wàt ze over mijn gebouwen schrijven, als er maar over geschreven wordt’, moet het dan maar zo gezegd worden. In het Provinciehuis stroomt dan evenwel de rijke poenigheid ramen en dikke deuren uit; hier zijn inderdaad zeer vuile handen gemaakt met ons aller geldmiddelen: een soort architectonische oplichterij om de goegemeente te overbluffen, mede door toevoeging van kunstwerken.

Daarin verschilt dit bouwwerk zeer wezenlijk met dat van het hoofdkantoor van de Amsterdamse Bank, waar het geld zogenaamd voor het oprapen lag. Zo kun je met vuile handen, zowel een vuil als een schoon bouwwerk tot stand brengen. •