Hoe waar is een koe?

‘Mensen: zakken vol met mening’, aldus Timon van Phlius, die leefde van ongeveer 320 tot 230 voor Christus en dus niet eens hedendaagse orakels als Felix Rottenberg, Jort Kelder of Hugo Borst heeft hoeven aanhoren. Timon was een leerling van Pyrrho van Elis, die vaak wordt gezien als de grondlegger van het scepticisme en wiens denken we alleen kennen uit de fragmentarische geschriften die van Timon bewaard zijn gebleven. In zijn heldere en goed geschreven geschiedenis van het sceptische denken laat Henri Oosthout zien dat zich reeds anderhalve eeuw voor Pyrrho een sceptische houding begon af te tekenen, toen er voor het eerst werd nagedacht over de grenzen van het kenbare en de bedrieglijkheid van onze zintuigen. Op allerlei boude beweringen van filosofen werd gereageerd met tegenargumenten en lastige vragen, net zo lang tot geen enkele zekere uitspraak meer mogelijk leek.
Plato en Aristoteles trachtten een uitweg uit deze onbevredigende situatie te vinden, maar slaagden daar volgens tal van denkers niet in. Uit de door Plato gestichte Academie ontstond zelfs een beweging van sceptici die ervan overtuigd was dat er geen criterium bestond om uit te maken wat waar was en wat niet. Volgens Pyrrho en zijn volgelingen waren dat echter geen echte sceptici, aangezien men immers niet zeker kan weten of een dergelijk criterium niet bestaat. In hun ogen waren de eersten dus dogmatici, omdat ze meenden het antwoord gevonden te hebben, terwijl zij zelf bleven zoeken.
Tegenwoordig wordt de scepticus vaak gezien als iemand die niets wil aannemen, die overal iets achter zoekt en ten diepste wantrouwend is. De christelijke commentator die beweert dat de evolutietheorie absoluut niet bewezen is, of de complotdenker die nog altijd zoekt naar bewijzen dat de Amerikaanse regering zelf de aanslagen van 9/11 heeft georganiseerd, is echter geen scepticus maar gewoon een zak met een mening. De filosofische scepsis daarentegen is een vorm van methodische twijfel, van het opschorten van een oordeel. Dat wil echter niet zeggen dat die opschorting definitief is, aangezien de bewering dat er nimmer sprake kan zijn van een oordeel, weer een vorm van dogmatisme is. Of zoals Oosthout het formuleert: 'Milde scepsis is het smeermiddel van de rede. Extreme scepsis is dolgedraaide rede die eerst haar biologische functie - het voortbestaan van individu en menselijke soort - en dan zichzelf verloochent.’
Het ligt voor de hand dat door de gehele geschiedenis heen sceptici geen goede naam hebben gehad. Henry de Montherlant had het immers bij het rechte eind toen hij schreef: 'Mensen hebben geen behoefte aan waarheid, maar aan “zekerheden” en aan verklaringen.’ De uiterste consequentie van het scepticisme is namelijk wat Kant het 'schandaal van de filosofie’ noemde: de constatering dat wij op goed geloof moeten aannemen en niet strikt kunnen bewijzen dat er buiten ons denken een materiële wereld en andere denkende wezens zoals wij bestaan. Vandaar dat het 'pyrrhonisme’ door vroege christelijke leiders werd omschreven als 'een gevaarlijke en chronische ziekte’, die het geloof en vooral de geïnstitutionaliseerde kerk aantastte. Maar ook de weer tot het heidendom bekeerde keizer Julianus de Afvallige zag de sceptici als een groot gevaar, omdat ze alle vormen van gezag ondermijnen.
Pas gedurende de Renaissance werd de scepsis voor sommige denkers weer een gids en wegwijzer, al werden de opvattingen van de antieke sceptici niet klakkeloos overgenomen. Bij iemand als Erasmus bijvoorbeeld fungeerde de scepsis als remedie tegen ongefundeerd dogmatisme en het hersenloos nablaten van gevestigde opvattingen, waardoor hij ondanks alle kritiek op de katholieke kerk ook afstand bleef bewaren tegenover de niet minder dogmatische Luther.
Als de ultieme scepticus wordt meestal Montaigne genoemd, die in zijn bibliotheek onder meer een bordje had hangen met de tekst: 'Ik schort op.’ Terecht laat Oosthout echter zien dat Montaigne’s scepticisme sterk verschilde van de onverschilligheid van Pyrrho en niet steriel was. Uitgebreid gaat hij voorts in op de rol van de scepsis in het denken van Descartes, Hume, Kant, Hegel en Kierkegaard, terwijl hij tevens benadrukt dat Nietzsche ondanks zijn felle aanvallen op het scepticisme zelf ook sceptische trekjes had.
'Wat men nooit in twijfel heeft getrokken, is niet bewezen. Wat men niet zonder vooringenomenheid heeft onderzocht, is nooit goed onderzocht.’ Deze woorden van Diderot geven heel duidelijk aan waar het de echte scepticus om gaat. Het doel is niet het ontkennen van de waarheid, maar het voorkomen dat allerlei vermeende waarheden klakkeloos worden aanvaard. Vaak hebben sceptici het verwijt gekregen dat deze houding resulteert in een uitzichtloze twijfel, waardoor het denken volkomen stagneert en elke vorm van moraal wordt ondermijnd.
Volgens Oosthout is deze kritiek onterecht: 'Antidogmatische scepsis is een noodzakelijk weermiddel tegen ideologie en de arrogantie van de rede. Niet kenniskritiek maar slaafse hang naar autoriteit blokkeert de wetenschap. Niet morele scepsis maar morele zelfoverschatting leidt tot machtswellust en immoraliteit.’ Volgens hem geniet de ware scepticus één groot voorrecht, namelijk dat hij oprecht kan zijn zonder zichzelf serieus te nemen. Moraalridders en dogmatische waarheidzoekers zal dit als een vloek in de oren klinken, maar een open en levende cultuur is zonder meer gebaat bij de aanwezigheid van dergelijke dwarse geesten, die een noodzakelijk tegenwicht vormen tegen de zakken met meningen.

HENRI OOSTHOUT
HET SCHANDAAL
VAN DE FILOSOFIE:
HOOFDLIJNEN VAN HET SCEPTISCHE DENKEN VAN DE OUDHEID TOT HEDEN
Klement/Pelckmans, 560 blz., € 44,95