Hoe weet u dat, mevrouw? andreas burnier

In haar essays trekt Andreas Burnier fel van leer tegen de wetenschap. Maar haar kritiek op de wetenschap wil niet echt overtuigen. En haar claim dat er daarnaast nog andere, meer spirituele vormen van kennis bestaan al evenmin.
VORIGE WEEK, toen ik meedeed aan de paddotest van dit weekblad, had ik ‘het’ weer even. Nee, niet in die mate als vele jaren geleden, toen ik het opwekte met behulp van lsd. Kaalkopjes bewerkstelligen nu eenmaal niet zo'n totale trip als het uit moederkoren gebrouwen wondermiddel. Eigenlijk was de paddo-ervaring niet meer dan een vage herinnering daaraan. Maar de kenmerkende gewaarwordingen waren er. Het is alsof je van binnenuit begint op te lossen. De grens tussen endogene en exogene gewaarwordingen vervaagt, buik en borst deinen mee op de puls van de ruimte, en de ruimte ademt op het ritme van de longen en klopt in het tempo van het hart. De mensen, de muren, de dingen krijgen zachte contouren. In je binnenste is ruimte, veel ruimte. En er heerst vrede, rust en voldoening.

Allemaal illusie natuurlijk. Chemisch voortgebrachte verwarring der zinnen. Ik ben dan ook nooit voor de verleiding gevallen er een hogere staat van bewustheid in te zien, integendeel, eerder een aangenaam soort bewustzijnsvernauwing. Niks diepere inzichten in het wezen van het zijn, niks avontuurlijke reizen door onvermoede bewustzijnslagen, niks wijsheid, niks verlossing. Psychedelische romantiek is aan mij niet besteed. Ik vind het eerlijk gezegd juist prettig om te weten dat het eeuwigheidsgevoel waar de trip je in onderdompelt uiteindelijk maar kort duurt, dat het na vier uur (bij kaalkopjes) of na zes, acht, twaalf uur (bij lsd) weer overgaat. Want ik moet er niet aan denken in zo'n bewustzijnstoestand te moeten leven.
Het enige wat je aan zo'n ervaring overhoudt is het besef dat onze alledaagse manier van gewaarworden niet de enige is. Als de gebruikelijke grenzen tussen de zintuigen wegvallen, als het verschil tussen binnen en buiten vervaagt, als de tijd gelijk een harmonica zwelt en krimpt, als de categorieën die Immanuel Kant aan het verstand toeschreef onderuitgaan, als noties van goed en kwaad verdwijnen in een algeheel gevoel van vrede en welbehagen, dan, zo blijkt, is er nog steeds sprake van waarneming en bewustzijn, ook al doen die zich in ietwat onhandige, onpraktische en onleefbare vormen voor. Met andere woorden, als het verstand wegvalt, blijft er altijd nog geest over.
VANDAAR DAT IK altijd zo veel begrip kan opbrengen voor mensen die hardnekkig hameren op de beperkingen van onze ratio en de aandacht vestigen op de spirituele ruimte aan gene zijde van verstand en rede. Ik geloof alleen niet dat die spirituele ruimte mij veel te vertellen heeft. Ze is er alleen maar. Ze bevat wat mij betreft geen lessen voor het leven, laat staan voor de geschiedenis. Ze biedt geen verzoening of verlossing, alleen de illusie daarvan, en dan nog slechts tijdelijk. Nee, op dat punt verschil ik hartelijk van mening met Andreas Burnier, die van de erkenning van die spirituele ruimte, de reis ernaartoe en het verblijf aldaar, de redding van de mens, de mensheid en de wereld verwacht.
Maar nogmaals, ik kan begrip opbrengen voor haar stoutmoedige queeste naar die ruimte. En niet alleen begrip, maar ook bewondering. Het besef van de betrekkelijkheid der rede dat ik aan pil en paddo ontleen, heeft zij zich eigen gemaakt door onversaagd en volhardend de grenzen van de ratio af te reizen, de blik onderwijl naar buiten gericht, naar de einders van het Al. Heel haar essayistische leven lang heeft Burnier de grensovergangen in kaart gebracht waar mensen het land der rede kunnen verlaten om de onmetelijke ruimten der geest te verkennen. Platonisme, boeddhisme, hindoeïsme, taoïsme, mysticisme, antroposofie, judaïsme - het zijn voor haar allemaal wegen die over de grens leiden. En ze maakt daarbij gebruik van een keur aan reisleiders, van Dante tot Goethe en van Rudolf Steiner tot Carl Gustav Jung.
Ja, een opmerkelijk gevarieerde verzameling stromingen en denkers passeert in Burniers geschriften de revue, want in tegenstelling tot veel van haar collega-godzoekers legt Burnier een sympathieke ruimhartigheid aan de dag wat betreft de juiste weg. Vele wegen leiden naar het spirituele. Welke weg men ook bewandelt, zo hield ze ooit een gehoor van zweefkezen in spiritueel centrum De Kosmos voor, iedereen heeft haar zegen. Als men maar bereid is er wat voor te doen. Want die gemakzuchtige lieden die gewoon een pilletje slikken, krijgen haar zegen niet; dat zijn typen die ‘in plaats van te rijpen naar de ware mystiek van de ervaren, volgroeide, bezonnen mens vluchten in de pseudo-mystiek, het wollige welbehagen van drugs’ ('Evolutie van het bewustzijn’, in: Essays 1968-1985).
Otto Duintjer, hoogleraar filosofie te Amsterdam, was vijftien, twintig jaar geleden, toen ik colleges bij hem volgde, ook zo'n grensreiziger. Het fascinerende vond ik dat zijn colleges niets zweverigs hadden. Hij verkende de grenzen der rede niet met de blik naar buiten, naar daar waar niets over te zeggen valt - zoals ook Burnier letztendlich erkent -, maar met de blik naar binnen, naar de dubbelzinnigheden en ongerijmdheden van de rede zelf. Sprekend over zulke in de ratio geschoolde denkers als Wittgenstein en Carnap trachtte Duintjer ons ervan te overtuigen dat er wel een spirituele ruimte aan gene zijde van de rede moest bestaan, omdat de rede eenvoudigweg niet op of in zichzelf kon rusten. Over die ruimte zelf weigerde hij als filosoof iets te zeggen. Wel mocht hij graag vertellen hoe hij aan de hand van Carlos Castaneda de wondere wereld van de mescaline had verkend. En van transcendente meditatie was hij ook niet vies.
Duintjer bewees mij dat het heel goed mogelijk was om, staande op de schouders van de rede, ergens in de verte de spirituele ruimte gewaar te worden. Hoe anders is dat bij Burnier. Burnier moet niets van de rede hebben. Voor haar is de rede de grote vijand van de geest. Meer nog, het geloof in de rede is een der hoofdbronnen van het kwaad in de wereld. Dat betoogt ze in De droom der rede, haar grote 'criminosofische’ monografie uit 1982 die in de academies van de rede op honende kritiek werd onthaald.
Dat boek 'was het einde van onze vriendschap’, schreef Rudy Kousbroek. 'Hoe kan iemand over de wetenschap schrijven en er zelfs een manifestatie van het Kwaad in zien, zonder het flauwste benul te hebben waar het in de wetenschap om gaat?’ ('Burnier’, in: Einsteins poppenhuis.) Arme Burnier. Ze vertelt altijd zo trots hoe ze ooit met veel genoegen wiskunde studeerde en dat ogenschijnlijk zo koele vak heeft leren waarderen als een van de 'elegante delicatessen van het menselijk intellect’. Maar ik moet Kousbroek helaas gelijk geven, want in hetzelfde stuk waarin ze op haar bèta-gaven pocht ('De nulhypothese’, in: Poëzie, jongens en het gezelschap van geleerde vrouwen), gaat ze de inferentiële statistiek te lijf op een manier die verraadt dat ze zelfs van de allerelementairste beginselen van dat vak geen enkele notie heeft.
Maar in tegenstelling tot Kousbroek vind ik dat zo'n gebrek aan kennis van de wetenschap iemand nog niet diskwalificeert als criticus van de voortbrengselen van die wetenschap. En dat is wat Burnier vooral doet. In De droom der rede mag ze zich dan struikelend door de tuin der wetenschap bewegen, in haar overige filippica’s tegen de 'westerse, reductionistische ratio’ stelt ze zich vooral op als cultuurcriticus en richt ze haar vizier op wat de rede, en dan met name het geloof in de zegeningen van die rede, zoal aanricht in het maatschappelijk leven.
EN DAT IS NOGAL WAT. Het geloof in de wetenschap vormt, aldus Burnier, de kern van het 'koude kwaad’. 'Dit koude soort kwaad domineert nu in onze westerse wereld, of vormt althans de grootste bedreiging. Het uit zich als bureaucratie en technocratie, als haat tegen vrije beoefening van wetenschap en kunst, als manipulatie en infiltratie van het persoonlijke leven van burgers door een kille, anonieme staatsmacht. De elektronisch beierende kerkklok; de mechanisch geworden, op een bandje opgenomen, eens devote klaagzang van de muezzin op de moskee (…); de mechanisering van het sociale leven via plastic kaartjes, magnetische strips en binnenkort homecomputer-terminals; de lopende band en de robotisering; de ontwikkeling van apparaten met artificial intelligence, die zullen reageren als een mens, maar zonder gevoel, passie of enthousiasme (zij zullen dat wel perfect kunnen nabootsen); de bevordering van euthanasie en eugenetica, zodat wij niet meer met slordige dingen zoals gebreken, aftakeling en lijden hoeven te worden geconfronteerd (het zelfmedelijden van de thanatici is de laatste passie die overblijft).’ (Uit: Rondgang der gevangenen.)
Wanneer je zo'n opsomming leest - het is er een uit vele, Burnier legt wat het kwaad betreft een ware verzamelwoede aan de dag - hoor je de oude, vertrouwde melodie van de conservatieve cultuurkritiek: de teloorgang van grootmoeders tijd (klokgebeier!), de maatschappelijke vervreemding (lopende banden!), de ontmenselijking (computers!). Het is één doem, al doem. We leven, als we Burnier mogen geloven, in de verschrikkelijkste eeuw die de mensheid ooit heeft gekend. De wereld staat op het punt ten onder te gaan. Is er nog hoop, lonkt er nog ergens redding?
Ja, er is nog hoop. Als de mensen er maar oog voor hebben en er iets voor willen doen, liggen volgens Burnier bevrijding, verlossing en verzoening in het verschiet. Welke weg iemand kiest, is voor Burnier, ik meldde het al, betrekkelijk om het even. 'Het doel is echter, uiteindelijk, identiek, namelijk de hereniging van wat gescheiden werd bij de geboorte: de geïncarneerde, geïndividualiseerde geest van de Al-geest die zich stoffelijk, psychisch en puur geestelijk manifesteert in het universum. Steeds als zo'n hereniging, bij vol bewustzijn, lukt, is een stukje afgerond van de totale mensheidsevolutie.’ ('Evolutie van het bewustzijn’)
Pardon? Ik dacht dat we hadden afgesproken dat de spirituele ruimte aan gene zijde van de rede letztendlich onkenbaar was? Maar hier lijkt Burnier over buitengewoon precieze kennis te beschikken van de dingen die die ruimte bevolken, de processen die er zich afspelen en de wisselwerking ervan met de geschiedenis der mensheid. Op zo'n moment haak ik af. Zodra Burnier met een vanzelfsprekendheid alsof het over kopjes en schoteltjes gaat, begint te vertellen over het Al en hoe het er daar aan toegaat, springt mijn verstand op nul. Stukjes Al-geest die incarneren en, zo lezen we elders, ook nog reïncarneren? Hoe weet u dat, mevrouw? Was u erbij, heeft u het zelf gezien? Ik heb op mijn lsd-trips ook van alles gezien; ik heb kleuren in geluiden zien veranderen, geluiden in geuren, en geuren in menselijke gestalten, maar ik gevoel niet de minste behoefte om op grond daarvan een algemene èn speciale relativiteitstheorie van de gewaarwording op te stellen.
MAAR ALLA, DENK IK DAN, laat ik maar aan dat soort onzinnige theorieën voorbijzien. Laat ik me maar niet al te veel storen aan Burniers geheimzinnige kennis over oud en jong karma, over eerste, tweede en derde chakra’s, en over wat voor esoterische zaken al niet meer. Want daar ligt uiteindelijk, zo meen ik, niet de kern van haar essayistische werk. Die ligt in de ethische verontrusting waar haar betogen mee zijn doordesemd. Al die spirituele kletsica wordt irrelevant, ja zelfs verteerbaar, wanneer je haar leest in het licht van de morele ontreddering waar de schrijver aan ten prooi is.
Nergens is dat zo duidelijk als in wat zonder meer haar beste essayistische werk is: De rondgang der gevangenen uit 1987, gepubliceerd onder haar beide namen, C.I. Dessaur en Andreas Burnier, als om te benadrukken dat ze zich in dat boek op de grens opstelt tussen rede en geest. In zeven brieven, geschreven tijdens een sabbatical leave aan de Amerikaanse Westkust en gericht aan de zeven leden van haar 'Platoclub’, ontvouwt ze haar mens- en wereldbeeld. In iedere brief volgt ze min of meer hetzelfde procédé. Ze spreekt haar verontrusting uit over zekere kwaden in de wereld, om vervolgens in een eenzijdige dialoog met de aangeschrevene en toegesneden op diens particuliere interessen (de aangehaalde reeks manifestaties van wetenschappelijk kwaad staat bijvoorbeeld in de brief aan de kritisch-rationalist René van Hezewijk), de aangeboorde kwaden te analyseren en te bespreken langs welke spirituele wegen ze zouden kunnen worden overwonnen. Door de persoonlijke aanspreekvorm krijgen verontrusting en verontwaardiging vrij spel en verliezen de spirituele uiteenzettingen de opdringerige onderwijzerstoon die er in andere essays aan kleeft.
Het zijn dan ook niet haar spirituele, noch haar wetenschappelijke, maar haar ethische argumentaties die in De rondgang der gevangenen de meeste indruk maken. Een voorbeeld. Ik ben geen principieel tegenstander van de Nederlandse euthanasiepraktijk, al vind ik dat er op het euthanasiedebat inhoudelijk veel valt aan te merken. Maar van Burniers tegenwerping tegen de ethicus Heleen Dupuis, genoteerd in de brief aan Platoclublid Oek de Jong, kan ik bepaald onder de indruk raken. Burnier verwijt Dupuis dat zij in haar euthanasiasme het gebod 'Gij zult niet doden’ achterhaald verklaart. Terwijl, zo schiet Burnier haar tegenstander te hulp, ze toch gewoon had kunnen volstaan met de stelling: 'Het doden van mensen die niet aan contemporaine maatstaven voor een menswaardig leven voldoen, is eigenlijk geen doden.’ Natuurlijk vindt Burnier ook díe stelling verwerpelijk, want equivalent aan de uitspraak: 'Het doden van joden en andere inferieur geachte mensen is eigenlijk geen doden.’ Maar een punt scoort ze wel. Als de Nederlandse euthanasiepraktijk moet worden gerechtvaardigd door een van de fundamenten van onze beschaving te slopen, begin ook ik achter mijn oor te krabben.
DE KRACHT VAN Burniers essays ligt, zo wil ik maar zeggen, op het ethische vlak, niet op het wetenschappelijke of het sprirituele. Op beide laatstgenoemde terreinen zijn haar ontsporingen talloos, ontsporingen die hun oorsprong hebben in de ongefundeerde gelijkstelling van wetenschappelijke en esoterische kennis. 'Ik vind’, houdt ze de filosoof Frits Staal voor, die haar erop wees dat er buiten het gebied der rede geen kennis valt te vergaren (Burnier en Staal ruzieden met elkaar in hun Brandende Kwestie-lezingen in 1984), 'ik vind dat er verschillende kenbronnen zijn voor verschillende gebieden van onze complexe innerlijke wereld.’ Dat kan wel wezen, maar die kenbronnen zijn wel totaal verschillend van aard. De wetenschappelijke kenbron, de empirie, verlangt bovendien een heel andere behandeling dan de spirituele kenbron, de intuïtie. De eerste valt onder het regime van de rede, de tweede onder dat van de verbeelding. Hetgeen Burnier trouwens maar al te goed beseft, zo blijkt uit haar Rondgang-brief aan haar 'wetenschappelijke geweten’ Van Hezewijk: 'Jij schrikt misschien van deze taal’, schrijft ze na een uiteenzetting over Jungs ontologie van het kwaad, 'maar ik weet ook dat van jou in bellettrie veel mag wat in wetenschap volgens jou verboden is. Dus zie deze brief dan maar even als bellettrie. En bedenk dat dit ook voor mij metaforen zijn om het anders onzegbare, een beetje, te zeggen.’
Burniers kritiek op de wetenschap moet volgens mij dan ook niet worden gezien als een epistemologische kritiek maar als een deontologische: ze verwijt de wetenschap niet dat die haar plicht tot waarheid verzaakt maar haar plicht tot verantwoordelijkheid. Net zó vat ik haar gewinkel in de supermarkt van de geest op, haar geshop bij de kraampjes der spirituele bewegingen; ik zie dat niet als een speurtocht naar ware esoterische kennis, maar als de expressie van een wanhopig verlangen naar een geestelijk fundament voor haar allesoverheersende ethische verontrusting. En het ziet er nu naar uit dat ze dat fundament eindelijk heeft gevonden. In het judaïsme.
NIET LANG NA HAAR vertrek uit de wetenschap - in 1988 ging C.I. Dessaur, hoogleraar criminologie aan de Katholieke Universiteit Nijmegen, voortijdig met emeritaat - vlijde Burnier zich in de armen van het jodendom. En het paste haar, schreef ze enkele jaren terug in Trouw, 'als een maatjas’: 'de meest adequate vorm voor inhouden die ik mij in een lang leven van exploratie had verworven’.
Die 'vorm’ was, opmerkelijk genoeg, nu eens niet gebakken uit geheime esoterische kennis. Nee, kennis speelt in het jodendom een ondergeschikte rol. 'Het jodendom is in de eerste plaats een religie van het doen, van ethisch handelen en van de liturgische praktijk thuis en in de gemeenschap. Het gaat om tacheles: de tastbare praktijk.’ En de 'inhouden’ die zo moeiteloos in de jas van het jodendom pasten, waren niet Burniers spirituele inzichten, maar haar ethische overtuigingen. Hoog geeft ze op van de oeroude ethische wijsheden der joden, wijsheden (zoals 'Heb uw naaste lief als uzelve’, 'Wees barmhartig voor uw vijanden’ en 'Pleeg geen incest’) die vervolgens brutaalweg door het christendom werden ingepikt - iets wat je in Trouw uiteraard niet kunt beweren zonder er wekenlang vanaf de kerk-, opinie- en geestelijk leven-pagina’s op te worden aangesproken.
Burnier is thuisgekomen. Thuisgekomen in het jodendom, waarvoor ze zestig jaar in angst had geleefd (niet zozeer angst voor het jodendom zelf, maar 'voor de bloeddorstige agressie tegen Joden die ik als kind had ervaren’). Tegelijk is ze ook thuisgekomen in haar literaire element, dat uiteindelijk niet het betogende essay is maar de essayerende roman. Daarin hoeven geen aanspraken op kennis te worden verdedigd, daarin gaat het enkel om het verlangen naar inzicht en de weg ernaartoe.
In haar nieuwste roman, De wereld is van glas, gaat de hoofdpersoon, Burniers alter ego, op zoek naar een joodse leermeester. Onderwijl vertelt ze het verhaal van een joodse vader, moeder en zoon, die ze voorstelt als drie afsplitsingen van haarzelf. Wanneer ze de leermeester, 'de onbekende Rabbi’, eindelijk heeft gevonden, gebeurt er iets wonderlijks, iets volstrekt hallucinogeens. In de kamer verschijnen de drie personages uit haar verhaal. Een voor een leggen ze verantwoording af over hun daden. En de Rabbi spreekt hen belerend toe. Hij geeft hun de boodschap mee dat het joodse volk de opdracht heeft 'de harmonie te herstellen, hier en in de werelden onder en boven de onze. Wij zijn de enige wezens in de totale Schepping die tikoen olam, het op orde brengen van de wereld, in gang kunnen zetten.’
Burnier mag dan haar aanspraken op bijzondere kennis vaarwel hebben gezegd (in een soort epiloog bij de roman noemt ze God, dat wil zeggen het wezen dat eerder de Al-geest heette in wiens naam de menselijke evolutie een handje moest worden geholpen, het 'eeuwig wijkende verdwijnpunt’ dat je nooit zult kennen en waar je alleen maar naar op weg kunt zijn), haar messianisme daarentegen, haar verlangen de wereld te redden en de zekerheid daartoe te zijn uitverkoren, is ze allerminst kwijt. Maar in een roman stoort dat gelukkig niet zo.
Op mijn eerste, nogal zware lsd-trip gebeurde ook iets wonderlijks: ik hallucineerde mijn eigen dood. Mijn ouders en mijn broers stonden gezellig keuvelend rond mijn stoffelijke, maar nog immer met geest begiftigde resten geschaard. Ik heb die ervaring nooit gezien als een bron van bijzondere kennis, laat staan als een speciaal tot mij gerichte aansporing de wereld te redden. Maar als ik romancier was, zou ik wel weg weten met die ervaring.