Hoe wij lijden

Wat is lijden? Weten wij in het verwende Westen nog wat dat is? Een neuroloog, een filosoof, een theoloog, een arts en een psychoanalyticus geven antwoord. Een debat over lichamelijk lijden, geestelijk lijden, lustvol lijden, zelfverkozen lijden, verdrongen lijden en louterend lijden.
‘LIJDEN, DAT IS pijn zonder hoop’, zegt Bert Keizer, arts. ‘Als je aan het kruis hangt en je denkt dat je de zoon van God bent, dan is dat lijden nog wel overkomelijk. Maar als je aan het kruis hangt en je denkt: shit, mijn hele leven is naar de ratsmodee, dan lijd je pas echt.’

De spreker wordt onmiddellijk gecorrigeerd door de theologe in het gezelschap, Annelies van Heijst. ‘Dat die man aan het kruis ervan uitging dat hij de zoon van God was, dat heeft de theologie ervan gemaakt. Het werkelijke verhaal is nu juist dat hij dat niet wist.’
'Okee’, geeft Keizer direct toe. 'Er zijn twee verhalen. In het eerste zegt Jezus: luister jongens, er is iets hopeloos fout gegaan, het is allemaal anders gelopen dan ik dacht. In dat verhaal lijdt hij echt. Maar in het andere verhaal zegt hij tegen een van de moordenaars die naast hem aan het kruis hangen: geen probleem, kerel, morgen wandel jij met mij de zaligheid binnen. Nou, die Jezus lijdt dus niet, en die is dan ook niet zo interessant.’
Bert Keizer is arts in een Amsterdams verpleeghuis en schreef vorig jaar een veel geprezen boek over zijn werk, Het refrein is Hein (uitgeverij Sun). Een onthutsend relaas over de betrekkelijke onmacht van artsen tegenover mensen die zwaar lichamelijk lijden. Een citaat: 'De patient lijdt, de familie dreigt, de collega’s fronsen, de zuster lacht, de Dood grijnst en de jonge dokter danst een koddige horlepiep te midden van het kabaal, terwijl hij in zijn studiejaren hoopte in een strakke tango met de Dood de vloer op te kunnen.’
Aan de andere arts in het gezelschap, Pim Meijler, hoofd van het Pijncentrum van het Gronings Academisch Ziekenhuis, de vraag wat lijden nu precies is en hoe objectief je het kunt vaststellen. Meijler: 'Kijk, ik ben maar een gewone dokter, een neuroloog. Ik heb vooral verstand van de bedrading, ik ben de elektricien van de geneeskunde. Ik heb met pijn te maken, niet met lijden in brede filosofische zin. Maar heel algemeen denk ik dat lijden in de eerste plaats een subjectief gevoel is: het is wat mensen erover zeggen. Mij wordt vaak de vraag gesteld of je pijn ook kunt meten. Dan zeg ik: nee. Ik hoef het ook niet te meten, want het is wat het is, het is subjectief. En pijn is iets wat mensen proberen af te wenden - in die zin is het precies het omgekeerde van verlangen.’
Maar maak je als arts geen onderscheid tussen mensen die veel en mensen die weinig lijden?
Meijler: 'Nee, ik probeer mijn eigen normen en waarden zo veel mogelijk erbuiten te houden. Ik denk best wel eens: eigenlijk zou die patient een schop onder zijn kont moeten hebben, maar dan probeer ik toch een behandeling te vinden die aansluit bij zijn belevingswereld. Pijn is iets met meerdere gezichten. Vanuit mijn vak ga ik op zoek naar de schade die eraan ten grondslag ligt. Die probeer ik dan op te lossen, ook al weet ik dat dat lang niet altijd kan. Maar tegelijk vraag ik me af: hoe komt hij aan zijn klacht, waar komt die vandaan, wat denkt de patient, wat voelt hij, wat doet hij en wat laat hij, want dat bepaalt mede hoe hij reageert op de pijn.’
Terwijl Meijler het niet wilde hebben over 'lijden in brede filosofische zin’, is dat nu bij uitstek het terrein van Gerrit Steunebrink, filosoof aan de Katholieke Universiteit Nijmegen, waar hij het afgelopen jaar college gaf over de filosofie van het lijden. Steunebrink: 'Alle hogere organismen kennen pijn, maar lijden is iets typisch menselijks. Pijn laat je voelen dat je lichaam niet doet wat het moet doen. Een goed lichaam voel je niet. Wanneer het zijn eigen gewicht laat voelen, lijd je, want dan werkt het je strevingen tegen.
Op de vraag of lijden goed of slecht is, antwoordt Karl Jaspers, een filosoof die ook psychiater was: als we altijd gelukkig waren, dan kwamen we nooit aan onszelf toe. Het is volgens hem maar goed dat er lijden is, want doordat we uit ons geluk gerukt worden, worden we ons bewust van een heel fundamentele dimensie van onze menselijke conditie. Adorno nuanceert dat standpunt. Aan de ene kant acht hij lijden inderdaad onlosmakelijk verbonden met ons bestaan: het is een gevolg van onze openheid tegenover de wereld, van onze kwetsbaarheid en receptiviteit. Aan de andere kant, zegt hij, is het kenmerkend voor onze cultuur dat we ons voortdurend tegen die kwets baarheid proberen te wapenen. En juist daaraan lijdt de moderne mens: we wapenen ons veel te sterk. We wapenen ons met onze technologie, en ik denk met name met onze medische technologie. Uiteindelijk, zo is de mening van Adorno, lijden we vooral aan de middelen waarmee we het lijden meenden te kunnen oplossen.’
Het idee dat lijden een onlosmakelijk onderdeel is van de menselijke constitutie, staat ook in de theologie centraal, betoogt Van Heijst vervolgens. Annelies van Heijst doceert vrouwenstudies theologie aan de Katholieke Universiteit Brabant en bekleedt in Leuven een leerstoel in hetzelfde vak. Ze schreef de theologisch geinspireerde studie Leesbaar lichaam: Verhalen van lijden bij Blaman en Dorrestein, die niet alleen in de vakpers goed werd ontvangen. Van Heijst: 'Zowel Renate Dorrestein als Karin Spaink schreven mij dat ze het een goed boek vonden. Dat was voor mij een hele opluchting, want je zit het toch allemaal in een gezond lichaam te schrijven.’
Van Heijst onderscheidt twee be langrijke pijlers in het theologische denken over lijden. 'In de eerste plaats lijden als beproeving en loutering, als doorgangsstadium op weg naar zelfverwerkelijking of religieuze volmaaktheid, als manier om dichter bij God te komen. In de tweede plaats - en dat geldt vooral voor religieuze vrouwen - stelt de christelijke traditie lijden als lust voor, als levenswijze waarin je jezelf zoveel mogelijk fysieke en psychische ontberingen oplegt, om op die manier een soort ontledigd zelf te krijgen. Dat berust natuurlijk op een mensbeeld dat volstrekt niet meer bij de moderne tijd past.’
Steunebrink betwijfelt dat: 'Van zelfverkozen lijden kennen we vandaag de dag ook genoeg voorbeelden. Neem de prestatiedwang die we elkaar opleggen, of wat we in de sport zoeken, of alle inspanningen die we ons getroosten om aan een bepaald modebeeld van een mooi en gezond lichaam te voldoen.’
'Maar de betekenis die de theologie aan het lijden verbindt, ligt dieper’, houdt Van Heijst vol. 'Ik vind dat je daar heel kritisch naar moet kijken, vooral omdat ze mensen uitnodigt om het lijden op te zoeken en het bijna als lust te ervaren. Dan gaan mensen zeggen: kom nou toch, je hoeft het lijden toch niet op te zoeken, het leven is al moeilijk genoeg, neem nou maar gewoon wat er komt, dan krijg je je portie wel.
Wat er aan de andere kant goed is aan de theologische benadering, is dat ze de mensen stimuleert om op een of andere manier met het lijden in het reine te komen. Als je het leven ziet als een weefgetouw, met draden voor de schering en de inslag, dan is lijden de schering en geluk de inslag: het zijn allebei even noodzakelijke elementen, die je niet los van elkaar kunt zien. En ik denk dat een bepaald soort verlichtingsdenken en vooruitgangsdenken de lijdensdraden eruit heeft willen trekken, waardoor je alleen maar losse draden overhoudt.’
VAN LIJDEN ALS LUST kent ook Joost Baneke de nodige voorbeelden. Baneke is psycholoog/psychoanalyticus, onder meer werkzaam in het Lucas Ziekenhuis in Amsterdam. 'In het ziekenhuis kom je regelmatig mensen tegen met allerlei vage of minder vage klachten, bij wie in de eerste plaats hun gigantisch lijden opvalt. Vaak lijkt dat veel groter dan waarvoor er somatisch gesproken aanleiding is. Dat zijn mensen voor wie het patient-zijn bijna een lustvolle aangelegenheid lijkt.’
Meijler vindt dat echter iets anders dan het lustvolle lijden uit de christelijke traditie: 'In het religieuze lijden lijkt het echt om pure lust te gaan, zoals bij de zelfkastijding.’ 'Maar’, zo werpt Baneke tegen, 'wat te denken van mensen die zichzelf verminken en beschadigen? Dat komt ontzettend veel voor. Al doen ze dat vooral om zichzelf te bestraffen, er zit wel degelijk ook een lustkant aan die zelfbestraffing.’
Van Heijst: 'Het gaat, met name in de kloosterlijke traditie, om een intensivering van de ervaringen. Daar gebruikten ze kettingen van spijkers en ruwharige kleren die vreselijke irritaties op de huid teweegbrachten. Het merkwaardige is dat een traditie die verlangde dat je je lichaam ontsteeg, tot een vorm van lijden aanzette waarvan je je kunt afvragen of die niet eerder als lust werd ervaren.’
Baneke: 'Dat heet in de psychiatrie verschuiving: wanneer de seksualiteit taboe is, zoals in het klooster, dan verschuift de lust naar zaken als zelfkwelling. Dat zie ik ook wanneer ik zedendelinquenten onderzoek. Dat zijn vaak mensen bij wie de volwassen beleving van seksualiteit onderdrukt is. Het zijn niet voor niets vaak mensen die vroeger zelf slachtoffer zijn geweest van seksueel misbruik en bij wie lust en lijden destijds al vermengd zijn geraakt.’
LIJDEN, ZO LATEN de voorbeelden uit de theologie en de psychoanalyse zien, is sterk cultureel bepaald, zeker voor wat betreft de betekenis die eraan wordt gegeven. Valt daarnaast ook de stelling te verdedigen dat wij tegenwoordig minder of misschien anders lijden dan vroeger?
Meijler: 'Ik denk het wel. Maar dan praat ik over Nederland. Er zijn hier minder mensen met honger en met dorst, er zijn veel meer medische mogelijkheden om het fysieke lijden te verminderen, er is minder armoede, er is in dit deel van de wereld al heel lang geen oorlog geweest…’
'Maar je moet niet vergeten’, onderbreekt Baneke hem, 'dat oorlog niet per se voor iedereen lijden betekent. Wel voor de directe slachtoffers natuurlijk. Maar voor de meerderheid betekent oorlog weliswaar niet een gelukkige tijd, maar wel, zoals ik vaak te horen krijg, de belangrijkste tijd van hun leven.’
'Om te vergelijken hoef je niet naar vroeger te kijken’, werpt Van Heijst op. 'Je kunt ook kijken naar andere plekken op de wereld. Ik ben eens op de Filippijnen geweest, waar ik mensen heb ontmoet die op een vuilnisbelt leefden - nou, dieper lijden kunnen wij ons haast niet voorstellen. Maar om te beginnen heb ik nergens zo vreselijk gelachen als daar, die mensen hadden enorm veel humor. Toen vroegen ze aan mij: wat zijn nu de problemen van mensen in Nederland? Ik heb daarop proberen uit te leggen dat in Nederland de mensen erg op zichzelf leven en dat er veel eenzaamheid is. Maar daar kon ik ze niet van overtuigen. Zij geloven dat iemand die te eten heeft en een dak boven zijn hoofd, wel heel erg gelukkig moet zijn.’
Keizer: 'Maar als het allemaal zo relatief is, zou je dan ook voor hun levenswijze kunnen kiezen? Nee toch! Ik heb zelf een tijdje in Afrika gewerkt, maar ik hoef er geen seconde over na te denken: geef mij Nederland maar in plaats van het solidaire Afrika.’
'Nee, daar gaat het niet om’, reageert Van Heijst fel. 'Ik wil alleen het idee bestrijden dat, als de materiele voorwaarden goed zijn, het lijden automatisch minder wordt.’
Keizer: 'Ik kies voor Nederland en niet voor Afrika omdat je het daar niet over Frege, Wittgenstein en Russell kunt hebben. Er is geen geestesleven in de zin zoals wij dat hier kennen. Ik vond Afrika een woestenij. Schattige mensen allemaal, heel lacherig en zo. Maar een gesprek als wij hier nu zitten te voe ren, is daar volstrekt onmogelijk.’
'Wat wel grappig is’, mijmert Keizer, 'in Europa maken we onszelf wijs dat we erg ongezond leven. We eten te veel, we roken te veel, we bewegen te weinig, maar toch worden we allemaal ongeveer zeventig jaar. En die Afrikanen leven allemaal erg gezond: op tijd opstaan, flink veel beweging, niet te veel eten, maar ze trappen de emmer wel om als ze veertig zijn.’
'Tja, ik wil het natuurlijk niet romantiseren’, probeert Van Heijst te verduidelijken. 'Ik wil helemaal niet terug naar vroeger of naar een andere cultuur. Ik denk alleen dat het psychologisch het gezondst is om te aanvaarden dat lijden bij het leven hoort. Helaas wordt ons door Cosmopolitan en RTL4 aangepraat dat we recht hebben op een leedvrij leven, zodat alles wat je aan lijden meemaakt een enorme rotstreek van het leven lijkt.’
Meijler keert terug naar de vraag of wij, te midden van al onze verworvenheden, nu minder lijden. Eigenlijk, zegt hij, kun je daar helemaal geen uitspraak over doen. 'Lijden is zo subjectief, dat hoort zo bij iemands persoonlijkheid, dat kun je helemaal niet vergelijken. Ik zou ook met niemand willen ruilen. Maar je kunt wel iets zeggen over de betekenis ervan, en over de opvattingen die mensen erover hebben. De religieuze betekenis van lijden is bijvoorbeeld enorm afgenomen.’
Waarop iedereen verwachtingsvol naar de theologe kijkt. 'Religie’, zegt Van Heijst, 'gaf betekenis aan het lijden door beelden van lijdende mensen aan te bieden. Neem Jezus aan het kruis, en het beeld van Maria, de Moeder der Smarten. Maar in onze cultuur krijg je nog maar heel weinig verbeeldingen van lijden te zien.’
Baneke: 'En al die verhalen in de Story en de Prive dan? Die gaan allemaal over helden, over moderne heiligen die geweldig lijden onder al lerlei afgrijselijke ziekten en relatieproblemen.’
'Nee’, zegt Keizer, 'die bladen gaan vooral over mensen die zwaar pech hebben gehad. Terwijl in de religieuze verbeeldingen duidelijk wordt gemaakt dat lijden bij het leven hoort.’
'Precies’, valt Van Heijst hem bij, 'het hoorde erbij, terwijl mensen die nu heel erg lijden, vinden dat er iets mis is gegaan. En die zitten dan bij jullie in de wachtkamer.’
Hebben wij dan helemaal geen kaders meer die het lijden zin geven? Doet de psychoanalyse dat bijvoorbeeld niet?
Baneke: 'Ten dele. De psychoanalyse is volgens Freud dan wel geen Weltanschauung, zoals de religie, maar de behandeling beoogt wel degelijk mensen een nieuw zingevingskader te bieden. Daarom speelt taal ook zo'n grote rol in de psychoanalyse: mensen ontdekken in de analyse als het ware nieuwe verhalen over zichzelf en vinden daarin een nieuwe identiteit.’
En hoe proberen mensen in een verpleeghuis hun lijden te verklaren?
Keizer: 'Zij zoeken een oorzaak. Dus: “Omdat mijn kind die linkerborst nooit goed heeft leeggedronken, heb ik daar nu kanker.” Of: “Omdat ik veel te lang en te hard heb gewerkt, is nu mijn rug kapot.” Soms kun je als arts met een gedegen, wetenschappelijke analyse verklaren waar iemands lijden vandaan komt, bijvoorbeeld: “Uw hartklep lekt.” Maar de patient zegt dan: “Maar waarom ik?” De dominee die die vraag zou moeten beantwoorden, is tegenwoordig een beetje afwezig, en het oude louteringsverhaal volstaat niet meer. Ik denk dat lijden absurd is en de vraag “Waarom lijd ik?” vaak heel lullig beantwoord moet worden met: “Zomaar.” ’
'Ik denk’, zegt Van Heijst bedachtzaam, 'dat er een blinde vlek, een vacuum in de cultuur is ontstaan en dat jullie artsen daardoor een vraag op je bord krijgen die je helemaal niet kunt beantwoorden. Je wordt overvraagd.’
Meijler: 'Daarom moet je de vraag die mensen aan je stellen, terugbrengen tot een logische communicatie. Als mensen vragen waarom ze pijn hebben, kun je vaak uitleggen dat daar een reden voor is, dat hun klacht reeel is omdat voelen altijd echt is, of dat er geen reden is voor ongerustheid omdat de botten, spieren, zenuwen en bloedvaten allemaal goed functioneren.’
Keizer fronst, en concludeert: 'Jij geeft dus een wetenschappelijk antwoord.’
Meijler: 'Ik denk dat je de achtergrond van het lijden moet proberen te ontrafelen: de betekenis die mensen eraan geven, de invloed die het heeft op hun bestaan. En je moet tegenwicht bieden tegen de opvatting die hun voorgehouden wordt door de lekenpers: pijn hoeft niet. Neem medische programma’s als Top sante, waarin je altijd alleen maar patienten ziet met wie het goed afloopt en nooit gevallen waarvoor een succesvolle behandeling onbereikbaar is. Juist daardoor denken mensen vaak: “Nou zijn ze zo knap, ze kunnen zelfs mensen naar de maan sturen, en dan zouden ze mijn probleem niet kunnen oplossen? Dat moet onwil zijn!” ’
'Ja’, valt Baneke hem bij, 'de spreekkamers zijn een soort bedevaartsoorden geworden waar men een aflaat kan kopen. En als jij die niet wilt verkopen aan de patient, ben je een boef.’
KRIJGT OOK DE pschoanalyticus vaak te maken met de eis: maak mij gelukkig, want ik lijd?
'Jazeker’, zegt Baneke. 'Dat is vaak de verwachting waarmee mensen aan een psychotherapie beginnen. Terwijl ik denk dat het belangrijkste doel daarvan juist is: de acceptatie dat een heleboel wensen en verlangens niet gehonoreerd kunnen worden in het leven. Je kunt leed niet opheffen, het is beperkt wat je kunt realiseren. Het gaat er niet om het lijden te laten verdwijnen, maar om, zoals Freud schrijft, van neurotisch lijden gewoon lijden te maken. Maar het is wel enorm belangrijk om iemands lijden serieus te nemen.’
'Ja’, valt Meijler hem bij, 'en benadrukken dat je je best zult doen het te verminderen.’
Steunebrink, retorisch: 'Moet je ook niet proberen de patient zijn individuele verantwoordelijkheid weer terug te geven? Lijden is subjectief, je kunt geen algemene oplossingen bieden. Dus kun je iemand misschien maar beter helpen ermee verder te leven, zonder afhankelijk te zijn van de arts.’
'Nou’, weet Keizer, 'uiteindelijk hebben patienten toch het gevoel dat de dokter weet hoe het zit: “Mijn lichaam is een rampgebied, maar hij kent ongeveer de route.” ’
'We zijn natuurlijk ook wel knap’, zegt Meijler. 'Tenminste, vergeleken met honderd jaar geleden. De vooruitgang is enorm geweest, maar dat geldt vooral voor de acute problematiek en niet voor de chronische problemen.’ En Keizer valt hem bij: 'Als je vroeger je auto om een lantarenpaal heen vouwde, kon je het wel schudden. Als je dat nu in Kenia doet, kun je het nog steeds schudden. Maar in Nederland heb je een goede kans te overleven. De acute geneeskunde is enorm vooruitgegaan, maar de verwarring die heerst in ons aller hartje is dat chronische problemen net zo goed aan te pakken zijn.’
WORDEN MENSEN 'beter’ van een lijdenservaring, worden ze menselijker? Met andere woorden: loutert lijden?
Keizer: 'Ik zie dat niet zo. Er zijn wel mensen van wie je denkt: hoe houden ze het in godsnaam vol. Maar of ze daar nu mooier of beter van worden… Kijk, als iemand met een been de marathon kan hinkelen, dan zeg je: het is toch een godswonder dat-ie dat kan. Maar hij zet natuurlijk geen interessante tijd neer.’
Steunebrink: 'Ik vind dat je met zo'n uitspraak je bevoegdheden overschrijdt.’
Keizer, onschuldig: 'Ik wist niet dat ik hier een bevoegdheid had?’
'Kijk’, zegt Steunebrink onverstoorbaar, 'als arts kun je daar niets over zeggen; wel als mens. In je persoonlijke leven en in de relaties die je hebt met mensen die lijden, kun je vaak wel degelijk zien dat iemand veranderd is, een stuk zachter is geworden. En ook de solidariteit van de omgeving wordt dan opeens zichtbaar. Die processen leveren echt wel verbetering en vermenselijking op.’
Baneke: 'In de psychoanalyse kan het erg verschillen of lijden loutert. Het kan zijn dat het echte lijden veel te zwaar is. Ik onderzoek momenteel een man met een TBS, die een paar maanden na zijn geboorte in een tehuis is gestopt en daar tot zijn tiende heeft gezeten, wat, zoals bekend, een hard bestaan is. Hij heeft later een vreselijk gewelddadig leven geleid. Ik merk dan dat ergens ver weg gestopt, verdrongen, een enorm lijden zit. Als dat eruit komt, neemt het de vorm aan van zijn spiegelbeeld, dus van geweld. Hij voelt zich vreselijk machteloos, en uit dat als brute macht. Die man lijdt veel meer dan iemand die zijn depressie durft te voelen, die in een analyse durft te gaan, erover durft te praten. Die kan de hoop koesteren er nog eens uit te komen, terwijl die man die hoop niet heeft, daarvoor is zijn lijden te groot, die kan zijn lijden maar beter niet voelen.’
'Maar wat verstaan we onder loutering?’ vraagt Steunebrink. 'Sadder en wiser’, denkt Keizer. 'Okee’, vervolgt Steunebrink, 'je kunt zeggen: iemand komt er verrijkt en verdiept uit, en dat kun je ook zien als het herstel van een beginsituatie, een oerconditie van geluk. Met die vroeg mishandelde kinderen kun je meest al niet veel bereiken omdat precies die oerervaring, dat basale vertrouwen ontbreekt.’
'Maar dergelijke noties zijn in de theologie al heel oud’, roept Van Heijst uit. 'Het idee dat je door lijden verandert en dat het je verrijkt, ligt eigenlijk ten grondslag aan de religieuze verheerlijking van het lijden. Wij praten nu de hele tijd over lijden als iets wat afzonderlijke mensen overkomt, terwijl lijden juist vanuit de religieuze optiek een gedeeld menselijk lot is. Er is niet aan te ontkomen. Maar in onze cultuur wordt het ervaren als een individueel probleem, en mensen die lijden wenden zich tot de dokter met zo'n RTL4-levensverwachting van: dat hoort bij mij helemaal niet voor te komen, ik had niet afgesproken met het leven dat ik zou lijden!’
'Maar er is ook lijden, verschrikkelijk lijden, dat op geen enkele manier louterend is’, zegt Meijler. 'En dan denk ik aan mensen met kanker, wier lijden naar mijn gevoel vaak volstrekt zinloos en betekenisloos is.’
In Aids en zijn metaforen schrijft Susan Sontag: 'Het is niet het lijden als zodanig dat wordt gevreesd, doch het lijden dat ontluistert.’ Meijler stemt daarmee in: 'Er zijn mensen die door hun persoonlijkheid het absoluut niet verdragen om hun ontluistering mee te maken.’
'Maar’, zegt Baneke, onder luide instemmingsbetuigingen van de anderen, 'er wordt ook door ons allen het beeld geschapen dat ontluistering niet mag. Mensen mogen eigenlijk niet oud of vies worden. Stinkende bekken mogen niet meer, we moeten allemaal een tandpastaglimlach hebben. Als je voor het eerst die dementerende mensjes in een verpleeghuis ziet, denk je: “Dat wil ik nooit! Dat moet ik van tevoren onder controle hebben, dan wil ik dood.” En het idee dat het onmenselijk is om zo te moeten leven, wordt versterkt door de media die ons voorhouden dat de arts zo humaan moet zijn dat hij daar een eind aan maakt.’
'Wij hebben een ploeg cameramensen bij ons op bezoek gehad’, vertelt Keizer, 'die kwamen eens kijken of ze bij ons konden filmen. Die dachten: dit is zo'n leuke, interessante en kritische arts, daar gaan wij eens fijn mee praten. Ik nam ze mee door het verpleeghuis, ze blikten wat om zich heen, zagen een groepje van zes oude dames die wat zaten te knikkebollen en zeiden: “Dit kunnen we niet filmen, dit is te erg.” Waarop ik zei: “Maar dit is mijn beste afdeling!” Wat denken ze nou eigenlijk? Dat die dames hier yoga-oefeningen zitten te doen of Schubert zitten in te studeren? Dit is oud zijn.’
En de ontluistering van bijvoorbeeld aidspatienten?
Keizer: 'Het tragische lot van jonge stervenden is dat ze heel snel oud worden. Als mijn spataderen in drie kwartier waren gekomen, zou ik on middellijk bij Baneke op de bank zijn gesprongen. Dat zou ik niet aankunnen. Als je je positie op de erotische markt snel moet inleveren, geeft dat groot leed. Aidspatienten waren vaak erg druk in de weer met lichamelijkheid en erotiek, en juist dat wordt bij ze weggeroofd.’
'Maar zit ontluistering niet vooral in de blik waarmee de ander naar je kijkt?’ vraagt Van Heijst. 'Het is je zelfwaarneming, gespiegeld in de ogen van een ander. Er zijn bepaalde normen van schoonheid, bepaald door de kosmetische industrie en de hele lichaamscultuur, en alle beelden die daarvan afwijken heten dan ontluisterend. Maar toen ik aan het sterfbed van mijn moeder stond, die objectief gezien ontluisterd is gestorven, zag ik vooral haar schoonheid.’
'Ja, er bestaat eigenlijk geen ontluistering van degenen van wie je houdt’, zegt Keizer.
TOT SLOT EEN een wat precaire vraag: loutert het zien van lijden?
Baneke: 'Dat is heel verschillend. Sommige mensen worden juist agressief van het zien van lijden. Voor mijzelf betekent het lijden van anderen heel veel. Ik trek na mijn werk niet zomaar de deur dicht. En ik ben door mijn werk echt iemand anders geworden. Ik zie dat ook vaak bij artsen en andere mensen die veel lijden meemaken. Ik heb namelijk veel artsen in mijn spreekkamer, dus heb ik te maken met het lijden van mensen die dagelijks met lijden te maken hebben - ja ik voel me soms wel eens een Droste-blikje.’
Keizer: 'Als gezond mens heb je soms het gevoel dat je het allemaal zo goed aanpakt, dat je goed voor je lichaam zorgt. Je zoekt graag achter een ziektebeeld dat het iemands eigen schuld is, dat het door zijn levensstijl komt. Maar de bittere les van het verpleeghuiswerk is dat het geen verdienste is om gezond te zijn. Je wordt een beetje nederig. De meeste ziekten komen gewoon door een gat in het plafond op je tafel vallen. Neem een ziekte als MS: geen hond die weet waar het vandaan komt.’
Van Heijst: 'Ik denk dat het ervan afhangt hoe je met je eigen lijden omgaat. Als je echt kunt meevoelen en je goed kunt identificeren, dan verander je door het lijden van anderen zelf ook. Maar dat hoeft helemaal niet. Ik heb gewerkt met religieuze vrouwen die jarenlang in de verpleging hadden gezeten maar nooit die identificatie zijn aangegaan. Die konden heel goed een schot optrekken.’
Steunebrink: 'Je kan er verbitterd naar kijken, zo van: ieder zijn portie. Maar als je je eigen portie verwerkt hebt, kan dat ook interesse voor anderen met zich meebrengen. De filosoof Levinas zegt: het gekwetste gezicht van de ander leidt bij mij tot solidariteit. Maar het gebeurt ook dat we die ander nog harder trappen.’
'Ik zou het niet weten’, zucht Meijler ten slotte. 'Ik zou niet weten wie ik was als ik iemand anders was. Het is elke keer weer anders. Soms ben ik kapot van wat ik zie en dan vind ik mezelf een heel slechte dokter; soms ben ik er koelbloedig onder en doe ik, heel technisch, gewoon mijn werk. Ik weet in ieder geval dat een te grote betrokkenheid vaak niet goed is, dat kan ten koste gaan van je inzet.’
Keizer knikt. 'Aan een huilende dokter heb je niks. Die moet echt ander werk gaan zoeken.’