Hoe zwaar is een vierkant?

We zouden de stille, roerloze verdeling van het vierkant in vier kleinere, congruente vierkanten ook kunnen lezen als vierkanten die tot een groter vierkant zijn samengevoegd. De precisie van Ad Dekkers leidt soms tot ongrijpbaarheid.

Van het dilemma waar Ad Dekkers mee worstelde krijgen we misschien een idee als we Vierkant met sektor, met die sierlijk gebogen lijn, nog eens bekijken naast het strakke Reliëf met middellijnen dat enkele jaren eerder gemaakt werd. Eerst echter herinner ik u aan enkele prachtige regels van Remco Campert over het kunstmaken: ‘Om het te maken/ zijn er zoveel manieren/ maar het eindigt/ van plan of niet/ op die ene manier/ die alle andere uitsluit.’ In haar korte eenvoud is dit een vrijwel perfecte beschrijving, door een praktiserend kunstenaar, van problemen die andere kunstenaars ook meemaken. Al dan niet een plan van aanpak (of iets wat nu een concept heet): om in een vierkant een slanke kromme te vinden had Dekkers besloten een kwart te gebruiken van een vierkant met daarin de exact passende ingeschreven cirkel. Over die planmatige aanpak, bij de formulering van dit werk, heb ik het vorige week al gehad. Waarover ik echter blijf aarzelen, zijn de visuele effecten ervan.

De cirkelvormige buiging wordt als diffuse lijn van schaduw zichtbaar gemaakt door het hoogteverschil (van 1,25 cm) tussen de twee lagen die de totale dikte (2,50 cm) van het reliëf vormen. Ik moet hier priegelig precies zijn omdat ik weet dat Dekkers zo werkte: natuurlijk zijn die twee lagen even dik. Als dat niet zo zou zijn, moet je je daarover het hoofd weer gaan breken. Bij een hogere rand was de gebogen schaduw (bij gemiddeld strijklicht) ook breder en wat bleker geworden. Het zou geen lijn meer zijn maar een baan – en in het uitgewogen evenwicht van dit werk dus een vorm. Juist dat soort onzekere verwarring wilde Dekkers voorkomen. Zoals de lijn nu loopt, zo dun lichtgrijs van schaduw, is zij in de discrete en melodische vormgeving van een volmaakte lichtheid – een lijn eigenlijk zonder volume of gewicht. Ze ligt te rusten tussen twee hoekpunten van het vierkant. Maar ook lijkt ze te bewegen: van linksonder buigt of kruipt ze opwaarts. Dat is het effect dat dit reliëf tenminste op mijn ogen heeft – onder meer omdat wij gewoon zijn van links naar rechts te lezen. Maar als ik me de complete cirkel voorstel binnen het grotere vierkant is dit pars pro toto het kwart van het geheel dat rechtsonder zit. Eigenlijk zou je dus een vallende beweging moeten zien. Misschien ervaar ik de beweging van de schaduwlijn toch als opwaarts omdat zij naar boven toe iets dunner lijkt te worden. Nadat vanaf linksonder het verloop van de lijn meer ruimte heeft gekregen in het grondvlak eindigt ze rechtsboven als smal en spits. Dat lijkt dunner. Met andere woorden: dit werk heet niet, zoals bij Mondriaan, zoiets als compositie en ook niet als in minimal art nog vager untitled. De droge titel Reliëf met sector geeft beknopt een precieze stand van zaken aan. Toch is het een werk van onafzienbare geheimzinnigheid dat langs navolgbare beslissingen bij die ene manier gekomen is die, aldus Campert, alle andere uitsluit.

In het eerdere werk, nog droger Reliëf met middellijnen geheten, is Dekkers zo te zien nog strikter te werk gegaan. Een koel, gladgelakt wit vierkant (hout) is door twee rechte lijnen, door het midden, in vier gelijke vierkanten verdeeld. Het reliëf is twee centimeter dik. De lijnen of gleuven zijn er zo smal mogelijk in gezaagd met een diepte van ongeveer een halve centimeter – zo diep en smal in ieder geval dat ze op het matglanzende witte oppervlak werken als lijnen van donkerte. In het dagelijkse taalgebruik zouden we het kortweg hebben over het witte vlak met het dunne kruis in het midden. Een kruis is echter een vorm: deze lijnen van donkere schaduw waarvan we de bodem niet kunnen zien, geven de verdeling aan van een vierkant in vier kleinere vierkanten. Door hoe ze zijn gemaakt, door het wegzagen van materiaal, zijn die gleuf­lijnen wonderlijk ongrijpbaar van karakter. Anders ook dan in Reliëf met sector ontstond er geen suggestieve beweging of, als tussen vierkant en sector, een wringende discrepantie in ­vormgeving. In Reliëf met middel­lijnen zijn de donkere lijnen roerloos. We zouden de roerloze verdeling van het vierkant in vier kleinere, congruente vierkanten ook omgekeerd kunnen lezen: als vierkanten die tot een groter vierkant zijn samengevoegd. Beginnen we bij lang kijken de onderliggende vierkanten niet als iets zwaarder te zien omdat ze het visuele gewicht van de bovenste vierkanten dragen? In dat doolhof van legitieme observaties (die zeker ook de kunstenaar bezighielden) wil ik me niet begeven.