Hoed af

Zijn politieke hoeden draagt hij met verve, maar het politieke handwerk beheerst minister Plasterk niet, getuige zijn geklungel rondom het Nationaal Historisch Museum.

IN HET HAAGSE theater Diligentia kon PVDA-minister Ronald Plasterk afgelopen zaterdag, Roze Zaterdag, niet stuk. Hij kreeg de zaal op zijn hand door een anekdote te vertellen over het Eurovisie Songfestival. Op de vraag van zijn Russische collega of hij hoopte dat de Toppers in Moskou zouden winnen, had Plasterk naar eigen zeggen geantwoord: als minister van Homo-emancipatie wel, als minister van Cultuur heb ik daar geen mening over.
Een dag later kon Plasterk, nu met zijn hoed op van minister van Emancipatiezaken, zich opnieuw van zijn beste kant laten zien. Op Vaderdag mocht hij de winnaars van de Moderne Man Prijs bekendmaken. Zo’n man is bijvoorbeeld de Amsterdamse hoogleraar Carsten de Dreu. Waarom? Omdat De Dreu een wekelijkse papadag heeft en daardoor een ‘persoonlijk en professioneel risico’ heeft genomen en de kans loopt minder te publiceren dan zijn collega’s die wél fulltime werken.
Misschien moet Plasterk met zijn hoed op van minister van Cultuur eens bij deze Amsterdamse hoogleraar in de psychologie te rade gaan. De Dreu heeft volgens zijn persoonlijke pagina op de website van de Universiteit van Amsterdam als interessegebieden Conflict and Negotiation en Group Decision Making. Want zo geliefd als Plasterk bij veel mensen is voor zijn inzet op het gebied van emancipatie, in veel gevallen politics-by-speech, zo gekritiseerd is hij vorige week voor zijn geklungel rondom het Nationaal Historisch Museum (NHM), toen er een echt politiek proces met een concrete uitkomst gemanaged moest worden: de keuze van de definitieve plek in Arnhem voor het museum.
De kritiek kwam niet alleen van de partijen CDA, SP, D66 en PVV, die willen vasthouden aan de locatie waarmee Plasterk hen in 2007 had overgehaald om niet voor Den Haag te kiezen maar voor de hoofdstad van Gelderland: direct naast het Openluchtmuseum. Dat de vertegenwoordigers van deze partijen spraken over een ongekend zooitje en een puinhoop was te verwachten. Maar ook de eigen PVDA, de ChristenUnie, VVD en GroenLinks, partijen die het museum nu net als Plasterk liever naast de Arnhemse John Frostbrug zouden zien, hekelden de minister om zijn optreden.
PVDA-Kamerlid John Leerdam sprak van irritaties binnen zijn fractie, GroenLinks-collega Mariko Peeters vond het gedoe rondom het nog te bouwen museum inmiddels een soap waar ze met plaatsvervangende schaamte naar keek en VVD’er Han ten Broeke noemde de rol van de minister op dit dossier niet fraai. Ten Broeke voegde daaraan toe dat de minister eens uit de rol van wetenschapper en columnist moet stappen en onder zijn hoed vandaan moet komen. Waarbij de VVD’er de echte hoed van Plasterk bedoelde.
Daarmee raakte Ten Broeke aan de oorzaak die aan de NHM-soap ten grondslag ligt: Plasterk beheerst het politieke handwerk niet. Nu mag dat klinken als een pre in deze tijd waarin je het als politicus goed doet als je je als Haagse buitenstaander afficheert, maar het blijkt in de praktijk toch wat onhandig als je daadwerkelijk, en in dit geval ook nog letterlijk, iets van de grond wilt krijgen. Want als de partijen de komende week niet draaien, verliest Plasterk en krijgt zijn voorkeursplek geen Kamermeerderheid.
Plasterk zei vorige week dat hij de kwestie niet goed had getaxeerd. Hij had niet voorzien dat de precieze plek in Arnhem een nationale kwestie zou worden. Dat dit wel was gebeurd, had hem verbaasd. Het was niet goed te beoordelen of de minister hiermee feitelijk bedoelde te zeggen: Kamer, waar maak je je druk over, heb je niets beters te doen!
Voor wie geneigd is dat laatste ook te denken: zelfs al vind je dat als minister, dan nog had je door alles wat er in de aanloop was gebeurd, moeten weten dat het NHM politiek gevoelig ligt. Het museum is in de eerste plaats het kindje van de Kamer. Verder is er aanvankelijk veel geschreven over nationalistische gevoelens van de pleitbezorgers en ook over de historische canon en de vraag of die al dan niet aan het museum ten grondslag zou moeten liggen. Het past in het geworstel van Nederland met zijn identiteit. Vervolgens is de Kamer alleen akkoord gegaan met Arnhem vanwege de directe nabijheid van het Openluchtmuseum en de voordelen die dat biedt, zoals het complementaire karakter van beide musea en de mogelijkheid om parkeergelegenheid en facilitaire voorzieningen te delen. Wie deze geschiedenis van het NHM overziet, kan niet meer spreken van slechts een taxatieprobleem. Hier ontbreekt een politieke antenne, basisvoorwaarde voor het politieke handwerk.
Plasterk verdedigde de andere plek in Arnhem door eraan te refereren dat voor hem in zijn hele beleid de professional voorop staat, in dit specifieke geval de reeds benoemde museumdirecteuren. Voor de minister betekent dit ‘dat je van goeden huize moet komen als Haagse politiek om daar doorheen te fietsen’. Ook dat klinkt zeer eigentijds: de professional is het huidige Haagse knuffeldier.
Maar als Plasterk de directeuren Erik Schilp en Valentijn Bijvanck daadwerkelijk hun professionele werk had willen laten doen, had hij zelf als een professionele politicus op zijn beurt zijn Haagse werk moeten doen. Dat had gekund door de Kamerleden tijdig in te lichten over de problemen met de oorspronkelijke locatie, door ze mee te nemen in de zoektocht naar een nieuwe en ze mee te laten worstelen met het dilemma waar hij als minister voor stond.
Maar dat deed Plasterk niet. Hij ging luisteren, liet zich overtuigen en dacht dat de Kamer zich ook wel zou laten overtuigen. Maar de politiek van het luisteren waarvan hij zegt voorstander te zijn, is niet synoniem aan het veld laten beslissen en verwachten dat de Kamer wel meegaat.