Wijze raad na een omstreden zaak

Hoeders van het recht

Na alle ophef rond Lucia de Berk moet justitie de hand in eigen boezem steken. Het instellen van een revisieraad is nu dé optie. Maar aan het toelaten van niet-juridische deskundigen kleven ook bezwaren.

Uit een peiling van De Telegraaf bleek vorige week dat 78 procent van de stemmers de rechtspraak onbetrouwbaar vindt. Dat bevestigt de diep gewortelde scepsis bij het grote publiek over de rechterlijke macht. Die onvrede wordt al jaren gevoed door amateurs die zich opwerpen als ridders van de rechtspraak. Is het niet misdaadverslaggever Peter R. de Vries die eigenhandig aan waarheidsvinding doet, dan trekken burgers wel de toga aan om het huiswerk van rechters over te doen. Met het succes van dit corrigerende burgeractivisme groeide de afgelopen jaren het gevoel dat álle rechters in de rechtszaal zitten te slapen, het Openbaar Ministerie hocus-pocus bedrijft en íedere burger via ‘valse fabeltjes’ tot levenslang veroordeeld kan worden. Maarten ’t Hart schreef in de inleiding van het pas verschenen boek van Lucia de Berk, Lucia de B.: Levenslang en tbs, dat het moeilijk was om je te onttrekken aan 'de collectieve psychose’ van het 'gebefte geboefte achter de tafel’.
Dit soort generalisaties heeft soms een bedenkelijk populistisch geurtje. Maar dat betekent nog niet dat er geen reden is om het functioneren van de rechterlijke macht ter discussie te stellen. In de Puttense moordzaak, de Schiedammer parkmoord en de zaak van Lucia de B. werden veroordeelden pas na herziening door de Hoge Raad vrijgesproken en was sprake van een onbetwiste rechterlijke dwaling. Door deze drie dramatische strafzaken is de rechtspraak zwaar onder druk komen te staan.
De magistratuur is de enige beroepsgroep in ons land die niet wordt gecontroleerd door buitenstaanders. Een verdachte kan weliswaar in hoger beroep gaan, maar rechters zijn niet snel geneigd op hun schreden terug te keren. Na de Hoge Raad, die alleen kijkt of de juiste procedure is gevolgd, is een zaak definitief afgehamerd. Om tegemoet te komen aan de onvrede hierover bestaat sinds 2007 de mogelijkheid om afgesloten strafzaken aan te melden voor herziening bij de Commissie Evaluatie Afgesloten Strafzaken (ceas). Maar het blijft een taai proces om tekortkomingen in de opsporing en vervolging van verdachten aan het licht te brengen. Het toelatingscriterium van het zogenaamde novum - nieuw bewijsmateriaal - zorgt dat de drempel hoog is en maakt bovendien de waarheidsvinding achteraf er niet makkelijker op.
Dat er iets moet gebeuren staat inmiddels buiten kijf. Over wát er moet veranderen zijn de meningen uiteraard verdeeld. Het idee van een juryrechtspraak, onder meer bepleit door Geert Wilders, wordt niet gezien als een serieuze optie. De vele nadelen wegen niet op tegen het voordeel van de inbreng van leken.
De meeste vingers wijzen al enige tijd naar het instellen van een Nationale Revisieraad, een nieuw zelfstandig en permanent bestuursorgaan dat afgesloten strafzaken onderzoekt. Deze raad, naar model van de Engelse Criminal Cases Review Commission, bekijkt of het feitenonderzoek adequaat is geweest om te komen tot een definitieve veroordeling. In deze raad zitten wetenschappers en burgers, waarmee de wens om niet-juridische deskundigen toe te laten in de beoordeling van complexe strafzaken wordt gehonoreerd.
Bij de Tweede Kamer ligt nu een wetsvoorstel voor het instellen van een revisieraad. Ondanks de actuele druk toont demissionair minister van Justitie Hirsch Ballin zich terughoudend. Het betrekken van buitenstaanders bij de rechtsgang zou de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht aantasten. Ook bestaat de vrees dat de commissie overspoeld zal worden door revisieverzoeken, waardoor het 'aan bureaucratisering ten onder gaat’.
'Dat argument is onzin, want van alle aangeboden zaken wordt in Engeland slechts vijf procent serieus onderzocht. De drempel blijft hoog en de selectie is kritisch’, zegt Hans Crombag, emeritus hoogleraar rechtspsychologie aan de Universiteit Maastricht. Hij was samen met onder anderen zijn collega’s Willem Wagenaar en Peter van Koppen de aanjager van dit wetsvoorstel. 'In het Nederlandse systeem controleren rechters elkaar. De zwakte van die gang van zaken is dat dit gebeurt vanuit het zelfde denkkader. Deze common mode error kan ertoe leiden dat men collectief in één richting denkt en elkaars fouten kopieert. Het is daarom logisch dat je in het systeem kritiek gaat organiseren om te voorkomen dat cognitieve dissonantie optreedt. De revisieraad komt pas aan het eind van de strafrechtelijke keten, als de gewone procedure van hoger beroep en cassatie is afgerond.’
Crombag pleit ervoor dat een revisieraad zo snel mogelijk wordt ingesteld, naar het voorbeeld van de door Pieter van Vollenhoven geleide Onderzoeksraad voor Veiligheid: 'Als je blijft volhouden dat buitenstaanders niet toegelaten mogen worden, dan roep je over jezelf af dat de buitenwereld zich er nog meer mee gaat bemoeien. Een rechter wordt geacht recht te spreken zonder een bepaald belang te dienen of zonder aanzien des persoons te oordelen. Dat kunnen ze goed bij een conflict tussen twee partijen, maar niet als het gaat om het belang van de eigen beroepsgroep.’
Volgens Crombag gaat het nog altijd in 95 procent van de gevallen in het strafrecht goed, maar bij een klein deel van de overige vijf procent niet: 'Het betreft altijd complexe zaken waar grote belangen mee gemoeid zijn. Maar het gaat nét iets te vaak fout. Het zou voor het belang van de rechtsstaat goed zijn als er ook een speciaal gerecht voor complexe zaken komt. Een club van rechters die beter bewerktuigd is, aangevuld met bijvoorbeeld ervaren politiemensen, rechercheurs, gedragsdeskundigen en jonge juristen, clerks, zoals in Amerika ook gebeurt. Gewone rechters zouden complexe zaken naar zo'n speciaal gerecht kunnen doorverwijzen.’

Dat het strafrecht straks wellicht meer gebaseerd zal zijn op technologische, wetenschappelijke bewijsvoering maakt het definitieve oordeel door de rechter er niet eenvoudiger op, zoals bleek in de zaak-Lucia de B. De voorzitter van de Raad voor de Rechtspraak, Erik van den Emster, stelde naar aanleiding van de vrijspraak dat 'het in de kern is misgegaan omdat enkele conclusies van deskundigen onjuist zijn geïnterpreteerd. Toen er aanwijzingen waren dat de veroordeling mogelijk onjuist was, zijn in een vroeg stadium diverse deskundigen geraadpleegd. De deskundigen spraken elkaar soms tegen, maar de rechter moet wél beslissen.’
Strafrechtjurist Ybo Buruma zegt dat 'alle procesdeelnemers ervan moeten leren niet te snel achter de adviezen van de deskundigen aan te lopen’.
Over het vergroten van de rol van deskundigen in de strafrechtelijke procedure debatteren juristen en wetenschappers al jaren in vakbladen. M.S. Groenhuijsen, hoogleraar straf(proces)recht en victimologie aan de Universiteit van Tilburg, beschreef vorig jaar in Delikt en delinkwent een groot aantal manco’s. Hij ergert zich eraan dat sommigen stellen dat de bron van alle ellende is dat juristen niet in staat zijn om de waarde van natuurwetenschappelijke deskundigenverklaringen te beoordelen. De discussie onder wetenschappers draagt volgens hem dan ook niet bij aan het oplossen van het probleem, maar vergroot eerder de maatschappelijke onrust over de kwaliteit van de rechterlijke beslissingen. Hij haalt daarbij een citaat uit 1924 aan dat stelt dat 'de geschiedenis der rechterlijke dwalingen voor een groot deel de geschiedenis van deskundige fouten is’.
Het instellen van een landelijk openbaar register van vaste gerechtelijke deskundigen, voor een periode van vier jaar, kan de kwetsbaarheid voor rechterlijke dwalingen volgens hem verminderen. Het wetsvoorstel voor zo'n register ligt al klaar en is in juridische kring met instemming ontvangen. Maar, zegt hij, 'met de reeds ingezette veranderingen zijn nog lang niet alle problemen verholpen. Een foutloos werkend systeem bestaat nergens ter wereld.’
Hij vindt het daarom fnuikend dat de zaak-Lucia de B. vanuit de exacte en gedragswetenschappen soms erg zwaar is aangezet. Een misverstand is volgens hem bijvoorbeeld dat Lucia uitsluitend op statistisch bewijs zou zijn veroordeeld, hetgeen wereldwijd het beeld heeft veroorzaakt van een deplorabele Nederlandse strafrechtspleging. Het inschakelen van deskundigen werkt alleen als dat 'zorgvuldig, evenwichtig en met wederzijds respect’ gebeurt.

Dat deskundigen wel degelijk bijdragen aan een goede oplossing, heeft Gerard te Meerman ervaren. Hij is universitair hoofddocent statistische genetica en bio-informatica aan de Rijksuniversiteit Groningen en raakte als getuigendeskundige betrokken bij de roemruchte balpenmoord in 1991. Ter herinnering: een vrouw kwam onverwacht om het leven en bij autopsie werd geconstateerd dat een balpen via de rechteroogkas in haar schedelholte was gedrongen. Justitie en de verdediging verschilden echter van mening over de wijze waarop de pen in de hersenen terecht was gekomen. Justitie geloofde in een moord, waarbij de pen met een kruisboog zou zijn afgeschoten door de zoon van de vrouw. De verdediging bepleitte dat het slachtoffer met de pen in de hand op een ongelukkige wijze was komen te vallen. In 1995 werd de zoon van de vrouw aangehouden, omdat hij een psychotherapeute verteld zou hebben dat hij met een kruisboog had geschoten. De zoon werd veroordeeld wegens moord.
Gerard te Meerman: 'Toen ik het dossier onder ogen kreeg, zag ik dat de rechters leden aan gezichtsvernauwing. De officier van justitie voerde de regie door een bepaalde vraagstelling vanuit een strak referentiekader te leiden. Door een achterstand in kennis raakte iedereen bedwelmd door de eigen apriori. Dit soort balpenongelukken was eerder beschreven en Pek van Andel heeft hiermee experimenten gedaan. Daaruit bleek dat de balpen niet door een kruisboog kon zijn afgeschoten. We hebben de advocaat van de zoon hierover ingelicht. Hij werd in hoger beroep vrijgesproken.’
Te Meerman meent toch dat de inbreng van wetenschappelijke kennis in strafzaken niet dé oplossing betekent: 'Als rechters het niet snappen, dan is het lastig om strikt vanuit wetenschappelijke kennis een bewijs overtuigend te brengen. Als deskundigen ook nog eens grondig van mening verschillen, dan kiezen rechters, geconfronteerd met de controverses, voor een interpretatie. En daar wringt de schoen. Je zou bij gebrek aan competentie om wetenschappelijk inzicht te kunnen duiden als rechter ook een soort verschoningsrecht moeten hebben.’
Dit dilemma was voor hem de reden om indertijd samen met tientallen andere wetenschappers de petitie voor Lucia de B. te ondertekenen. 'Ik ondersteunde het bezwaar van wetenschappers dat hun opinie soms selectief en inadequaat werd begrepen en gebruikt door rechters. Ik vind het overigens nog altijd vooral de taak van de advocaat van een verdachte om zich hiertegen te weren. Hij heeft als eerste de plicht om te vragen naar een contra-expertise. Dat wordt gek genoeg in de hele discussie over de rechtspraak vergeten.’