Hoekige portretten

Alweer een nieuwe fototentoonstelling in het Stedelijk Museum: 100 foto’s, geselecteerd uit een collectie die sinds 1958 is aangegroeid tot vierduizend stuks. Dit kwart procent is gekozen op belang en schoonheid.

Omdat er steeds keurig bij staat vermeld in welk jaar de foto is aangekocht, valt gemakkelijk te zien dat er uit de eerste twintig jaar verzamelen vrijwel niets is geselecteerd.
Het Stedelijk verzamelt thematisch: naast zwaartepunten als Bauhausfotografie liggen zware nadrukken op documentaire foto’s en kunstenaarsportretten. Van die laatste telde ik er negen; in de catalogus dan, want daar staan er weer meer in dan er hangen. Een hele mooie is Henri Berssenbrugges portret uit 1924 van César Domela Nieuwenhuis, de zoon van de anarchistische dominee. Hij ziet er uit als Marinus van der Lubbe na een derdegraads verhoor door een commissie van moderne architecten onder Theo van Doesburg, want Berssenbrugge vond fotografie geen kunst. Het werd pas kunst als je ging manipuleren, en de foto is dan ook een hoekig gestileerde gumdruk geworden.
Dat een geometrische stilering wel degelijk met een rechttoe-rechtaanfoto kan worden gemaakt, bewijst Arnold Newmans bekende opname van Mondriaan in New York in 1942. Hij plaatste de oude maar nog stram in het pak zittende schilder voor een van zijn doeken, met een arm losjes op een studio-ezel die de geometrie van zowel schilderij als schilder echoot.
Onder de negen kunstenaarsportretten zijn vier zelfportretten, die afwisselend inzicht geven in de persoonlijke levensomstandigheden (Nan Goldin en Lee Friedlander) en van de maatschappelijke en artistieke status van de fotograaf (Robert Mapplethorpe en Paul de Nooyer). In een andere vleugel van het museum is nog altijd de door Gerrit Komrij samengestelde keuze uit de schilderijencollectie te zien, en daar hangen flink veel zelfportretten bij. Voor schilders is het altijd veel gebruikelijker geweest om zichzelf te portretteren dan een andere kunstenaar, zowel om psychologisch als sociaal inzicht te geven.
Buitengewoon treffend is het zelfportret dat de Friese schilder Theo Molkenboer in 1896 op 25-jarige leeftijd maakte. Treffend en verwarrend, omdat het zowel een halve eeuw eerder als een halve eeuw later gemaakt zou kunnen zijn. Allereerst deed het me denken aan een zelfportret van de Hamburgse schilder Victor Janssen uit 1829: een hoofd dat ons schuin en terloops aankijkt, tegen een monochroom groene achtergrond in een zorgvuldig gearrangeerd interieur. Eveneens uit de Duitse romantiek stamt het raam achter Molkenboer, waarvan de kruisvorm een stevige structuur aan de compositie geeft maar tevens een religieuze bijbetekenis heeft. Aan de andere kant lijken de opvallende helderheid van schilderen, de stevige, gesloten lijnen en het strakke voorkomen van de schilder het portret in de nieuw-zakelijke traditie van de jaren dertig te plaatsen. Twee zaaltjes verder hangen zelfportretten van Willink, Charley Toorop en Edgar Fernhout die eenzelfde daadkracht en ondubbelzinnigheid uitstralen.
Molkenboer zit in een zwart pak met staande boord en bolhoed in een oudhollands interieur, dat met de sobere houten tafel, het groene kozijn en de roodwitte luiken aansluit bij zijn ouderlingenkostuum. Licht is er buiten in overvloed, maar het stroomt de kamer niet binnen; het lijkt tegengehouden te worden door het strenge kruis in het raam, dat de schilder beschermt tegen het licht van de hemel - die hier niet de verzadigd blauwe deken is waarop witte schaapjes grazen, maar kleur en vorm van het landschap vervalst om het interieur zoveel mogelijk tegen te spreken. Het is alsof de schilder ons zijn calvinistische afkomst toont als een donker hok, terwijl de wijd geopende luiken als armen naar buiten lijken te reiken. Met strak naar achter gekamd haar en een strenge blik is Molkenboer een tijdgenoot van Fernhout en van Mondriaan. Hoekig en gestileerd.