Hoeksteen van het overleven

Luuc Kooijmans, Vriendschap en de kunst van het overleven in de zeventiende en achttiende eeuw. Uitg. Bert Bakker, 391 blz., 339,90
Joan Huydecoper was als burgemeester van Amsterdam niet alleen een zegen voor zijn familieleden, hij is dat tevens voor de historicus. Voor zijn familieleden en vrienden omdat hij een makelaar in baantjes was; voor de historicus omdat hij met een ziekelijke precisie zijn dagregister bijhield en zo een gedetailleerd beeld van het dagelijks leven in de zeventiende eeuw naliet.

Het dagregister van Huydecoper beschrijft een economie van geschenken en attenties. Een half lam, een schoteltje vis of zelfgekweekt fruit; het belandde allemaal in het register. Want geschenken werden niet vrijblijvend gegeven. Of ze behelsden een beloning voor een verstrekte dienst óf ze bereidden de weg voor een nog te vragen gunst. De voordeur van Huydecoper was de ingang voor een onophoudelijke stroom bestemmingsverkeer. Soms ging een geschenk linea recta naar derden en noteerde de burgemeester: ‘Met een haes vereert, die wederom aan nicht M. Trip vereerde.’ Dat was dan een gratis royaal gebaar. Als hij iemand aan een baan had geholpen, tekende hij een wijzende vinger in de kantlijn. Aan het einde van het boekjaar kon hij zo bepalen aan wie hij 'verobligeert’ was en wie aan hem.
De historicus Luuc Kooijmans beschrijft in Vriendschap en de kunst van het overleven een geschiedenis van twee eeuwen waarin we via dagregisters, correspondenties en testamentaire schermutselingen de wederwaardigheden van een gegoede familie volgen. 'Vrientscap’ en 'reputatie’ waren sleutelbegrippen in de keiharde strijd om het overleven. Reputatie was het sociale krediet dat een familie of persoon genoot; het was van levensbelang in een tijd dat kruiwagens onontbeerlijk waren. Iemand met een beschadigde reputatie werd gemeden als een melaatse. Personen in nood richtten zich tot hun famlieleden en beriepen zich dan op vriendschap, een begrip dat een toon van gelijkwaardigheid en warmte losriep en, net als geschenken, de adressant 'verobligeerde’.
Een mens sleet snel in die tijd. De dood was alomtegenwoordig, een verkoudheid kon genoeg zijn. Tegen deze formidabele vijand konden Joan Huydecoper en zijn vrouw slechts hun vruchtbaarheid inbrengen, maar met succes. Huydecopers vrouw was 21 jaar achtereen zwanger en de meeste van hun kinderen werden volwassen. Eerdere takken van de stamboom waren beduidend minder gelukkig.
Kooijmans laat de strijd om het bestaan zien vanuit een voor historici ongebruikelijk perspectief. Het is haast journalistiek, zoals hij met zijn bronnen omgaat. Hij blijft dicht bij de 'quotes’ uit de brieven en laat zijn personages voor zich spreken. Zelden loopt hij op gebeurtenissen vooruit, zodat het leven voor ons even ongewis blijft als het voor de brievenschrijvers was. Dat levert spannende bladzijden op. En doordat de ervaringen beperkt blijven tot die van één dynastie, neemt het boek haast een intieme toon aan, heel toepasselijk voor het onderwerp.
De familie was het bastion dat bescherming bood tegen het vernielzuchtige leven. Daar vond de weduwe troost, daar waren uitwijkadressen als de pest te dicht in de buurt kwam. Overleven was een dagelijkse praktijk en tegelijk een minimum. Als het een beetje meezat, streefde men naar rijkdom. Materiële welstand bood zekerheid en onafhankelijkheid. Het spreekt vanzelf dat geld en kostbaarheden zoveel mogelijk binnen de familie moesten blijven.
De overlevingsstrijd vereiste een strikte hiërarchie met bovenaan het familiehoofd, de pater familias, de vader of, als deze was overleden, de oudste zoon. Iedereen was aan hem gehoorzaamheid verplicht. Tegelijkertijd was de oudste zoon gedwongen het meeste geld te verdienen. Oudste zonen werden geacht hun persoonlijke interesses opzij te zetten als de post van familiehoofd vacant was. Het kon gebeuren dat een jongste zoon zijn leven als jurist sleet, maar ineens, omdat zijn broers waren omgekomen door oorlog en ziekte, de handelsfirma moest leiden. Dit overkwam Andries, jongste zoon van de Van der Meulens, de tak waarmee Kooijmans zijn boek opent.
Huwelijkspolitiek was allerminst voorbehouden aan vorstenhuizen. Via de burgerlijke stand werden allianties gesmeed. Een slim huwelijk versterkte bijvoorbeeld de positie van het handelshuis van de Van der Meulens. Huwelijkskandidaten werden dan ook uitputtend gewikt en gewogen, want als de aangetrouwde familie een slechte reputatie bezat, tastte dit de eigen reputatie aan en als de schoonfamilie geen kapitaal bezat, haalde men een zwerm parasieten over de vloer. Reden waarom de onderhandelingen jaren konden duren.
Vriendschap is een mooi boek en het wordt ronduit schitterend als de huwelijkspolitiek ons de temperamentvolle familie Huydecoper binnenleidt. Hilarisch is de correspondentie tussen vader Huydecoper en zijn zoon Joan, die een studiereis door Europa maakt. De oude Huydecoper vindt dat zoonlief zijn geld verbrast en schrijft: 'Ick sal u te Geneven 3 jaer bij een predikant bestellen, gij guijt, en gij fiel, wat duvel meent gij dat ick mijn om uwentwil sal ruineren. Gij sijt mijn gratie niet waert; sal u, soo gij met de voorscreven penningen niet toe en komt, niet een duijt senden, en al bedelende tuijs laten komen.’
Over het temperament van Joan de burgemeester worden we geïnformeerd middels het dagregister. Want Huydecoper hield ook het aantal keren bij dat coïtus had plaatsgevonden - een 'c’ in de kantlijn, soms met turfjes erachter als het getal hoger lag dan één. De produktie van nageslacht was een serieuze zaak, al werd de passie van Huydecoper diens vrouw wel eens te veel. Reden, volgens de door Kooijmans aangehaalde familiedichter, waarom zij zich wel eens uit de voeten maakte naar familieleden.
De keren dat Kooijmans het woord 'vriendschap’ in citaten opvoert zijn talrijk. Maar bijna alle vrienden zijn verwanten. Waarom heet dit boek niet 'familie of de kunst van het overleven’? Waarschijnlijk wilde Kooijmans een diepere dimensie belichten. Familie, dat is de organisatievorm, vriendschap daarentegen duidt het levensgevoel en de graad van intimiteit aan waartoe men bereid en in staat was. In een wereld waarin fysiek overleven bijna even penibel was als sociaal overleven en waar tegenover de vele onzekerheden slechts de broze beginselen van eer en geweten stonden, was het aan de vriendschap om de afwezigheid van harde sancties te ondervangen.
En juist hier kan Kooijmans niet helemaal overtuigen. 'Ware vriendschap’, schrijft hij, 'was een humanistisch concept, dat werd ontleend aan klassieke auteurs als Cicero en Aristoteles.’ Bijna tweehonderd jaar voor Huydecoper liet Erasmus in zijn jeugdbrieven zien wat ware vriendschap voor hem betekende: een dweperige aanhankelijkheid waarin alles draaide om de ontdekte zielsverwantschap. Ware vrienden waren tegenover elkaar even sentimenteel als kwetsbaar. Een dergelijke vriendschap tekent Kooijmans vrijwel nergens op. Bij zijn goedbedoelende zeventiende- en achttiende-eeuwers lijkt vriendschap eerder een inspiratiebron en meer een modieuze emotionele conventie of epistolaire stijlfiguur dan een werkelijke drijfveer. Kooijmans schrijft ook zelf dat het 'concept (van vriendschap, lp) vooral scholieren en studenten en andere jonge vrijgezellen aansprak die nog weinig belangen hadden (…). Meestal verdween het naar de achtergrond als de studietijd en de vrijgezellenjaren voorbij waren.’
Vriendschap gold in principe de hele familie; ook de gehate zwager of hysterische nicht bleven onderwerp van vriendschap. Omdat overleven dit gebood. Vriendschap lijkt dan even belangrijk als reputatie of rijkdom en daarom de titel niet waard. Maar ach, wat zou dat? De geschetste levens zijn zo levensecht dat ze ontsnappen aan de theoretische inzet van de auteur. Kooijmans heeft een prachtig boek geschreven over de dagelijkse praktijk van het overleven.