Nederlanders in Irak

Hoeveel dagen nog?

De Nederlandse soldaten in Irak onderhielden goede contacten met de plaatselijke bevolking. Ze voetbalden tegen de politie, praatten met burgers en dreven handel. Maar sinds de dood van twee Nederlanders is er geen plaats meer voor vriendelijkheden.

BAGDAD / AS SAMAWA – Vorige week woensdag in Bagdad: bij bomaanslagen, militaire acties en schietpartijen komen 25 mensen om het leven. Ik ben die woensdag een halve dag in Bagdad en heb er niets van gemerkt. Vanaf Bagram Airport vlieg ik in gezelschap van de Nederlandse chef Defensiestaf, Dick Berlijn, in een Blackhawk-helikopter met hoge snelheid een meter of vijftig boven de daken van Bagdad naar de helipad in de tuin van het paleis van Saddam in het hart van de stad. Het complex is door de Amerikanen voorzien van een kilometers lange, vier meter hoge betonnen muur. Beneden ligt de snelweg die de stad in gaat. Een paar maanden geleden deed ik uren over die route. Er zijn sinds de oorlog naar schatting vijfhonderdduizend auto’s illegaal het land ingevoerd en die rijden nu allemaal door de stad. Omdat de Amerikanen de belangrijke bruggen en een aantal kruispunten hebben afgezet, is het bijna ondoenlijk om je in een auto voort te bewegen.

Nu is de Blackhawk-shuttle-verbinding de enige «veilige» manier van transport. Maar het lijkt allemaal alsof het niet echt is. Ik ben midden in Bagdad, maar toch ook weer niet. Over de koptelefoon hoor ik het radioverkeer en de stem van de 24-jarige Amerikaanse pilote die dit soort vluchtjes de hele dag maakt. Ik zie de rookpluimen tussen de huizen en de schade aan sommige gebouwen. Maar ik kan niks aanraken, ik kan geen Irakees aanspreken.

Op het paleisterrein staan honderden Amerikaanse soldaten in de rij voor de kantine, die ondergebracht is in de marmeren eetzaal van Saddam. Zijn initialen staan op elke deur, op elke tegel en op de schilderingen in het plafond. Buiten is een zwembad. Zwaarbewapende soldaten doen aan de rand hun kogelvrije vest af, zetten hun M16-machinegeweren tegen de zonnebedjes en gaan zwemmen.

In Bagdad zijn ook negentien Nederlandse militairen gestationeerd. Zij werken op de nieuwe Amerikaanse ambassade op het paleisterrein, zij plannen en coördineren de vluchten van de Nederlandse militaire vliegtuigen en ze zijn de liaison met de Amerikanen. «Ik ben in de zeven weken dat ik hier zit maar drie keer in dat zwembad geweest», zegt één van hen. «Dan heb je dat ook wel weer gezien. Op de tijden dat ik niet hoef te werken, zit ik in mijn keet met airconditioning. Er is hier geen drank en er is niks te doen. Af en toe kijken we een dvd’tje.» Ze is zeven weken geleden op het paleisterrein afgezet en heeft het nog nooit verlaten. Ze vindt het werk leuk en telt verder de dagen af, zegt ze. Bijna elke nacht ontploft er wel een mortiergranaat op het immense complex. «Als er een nacht niks gebeurt, is het bijzonder. Als je de granaten hoort vallen en je bent in je keet moet je je helm opzetten en je vest aandoen. Als je buiten bent moet je zo snel mogelijk in een van de gebouwen dekking zoeken. Het vervelendste is dat na elke klap alle spullen van het plankje naast mijn bed lazeren, dat ik die er dan weer op moet zetten en dat ze bij de volgende klap er weer af liggen.»

Een paar uur later vliegen we naar As Samawa in de zuidelijke provincie al-Muthanna. Hier is het grootste deel van de ongeveer twaalfhonderd Nederlandse militairen gelegerd. Een stadje van een paar honderdduizend mensen, aan de oever van de Eufraat: provin ciaal, sjiïtisch en relatief ongevaarlijk. Maar de sfeer is er de laatste paar maanden veranderd. Sinds de gevechten in Najaf, tweehonderd kilometer verderop, en de twee incidenten waarbij Nederlandse militairen omkwamen, is iedereen op zijn hoede.

De Nederlandse militairen spreken graag van het «Muthanna-model»: problemen van tevoren onderkennen door middel van intensief contact met de sjeiks in het gebied, de gouverneur en de man in de straat. De Amerikanen patrouilleren rijdend, met helmen op en de loop van hun mitrailleurs op de mensen gericht. De Nederlanders trekken vaak te voet door de binnenstad. Ze spreken allemaal een paar woordjes Arabisch. Ze voetballen tegen de lokale politie. Ze praten met de bevolking, drijven handel, sluiten contracten af met lokale zakenmensen en doen veel aan Civilian Military Cooperation: samen met de bevolking wegen aanleggen, waterinstallaties bouwen en de cementfabriek weer aan de praat krijgen. En met succes: het is tot mei van dit jaar opvallend rustig gebleven. Het gelijk van het Muthanna-model werd bewezen. De incidenten werden slechts veroorzaakt door dieven en rovers.

Tot de dood van sergeant Dave Steensma in mei. Van onder de brug, waar hij patrouilleerde met zijn eenheid, werd een handgranaat gegooid die de sergeant doodde en een aantal andere militairen verwondde.

Drie maanden later volgde een nog ernstiger incident: in het plaatsje Ar Rumaitha werd een eenheid van de Koninklijke Marechaussee ’s nachts in een hinderlaag gelokt. De details zijn nog onduidelijk. Waarschijnlijk is er geschoten vanaf het dak van het politiebureau. Het gerucht gaat dat al dagen in de lucht hing «dat er die nacht iets zou gaan gebeuren». Wachtmeester Jeroen Severs kwam om het leven.

De Nederlandse militairen komen de weken erna nauwelijks nog hun bases af en doen alleen nog de hoogst noodzakelijke patrouilles. Ze lopen niet meer over de markt. De militairen buiten het kamp worden nu vergezeld door grote Patria-pantserwagens. Er is nauwelijks nog contact tussen de soldaat en de burger. En dat terwijl de kennis van de officieren over de mensen met wie ze te maken hebben indrukwekkend is.

Commandant luitenant-kolonel Cees Matthijsse kent de verschillende sjeiks uit zijn hoofd, kent de samenstelling van hun stammen, weet de sterfdag van bijna elke voorname imam en ook welke groepering hem in een lange optocht door de stad zal herdenken. Er is dagelijks contact met de gouverneur. De aanslag wordt hem door de Nederlanders zwaar aangerekend. De plaats waar het gebeurde is de woonplaats van de gouverneur zelf; hij had moeten weten dat er een aanslag werd voorbereid op een Nederlandse patrouille. In niet mis te verstane bewoordingen hoort de gouverneur van Matthijsse en Berlijn dat hij beter met een goede verklaring kan komen, omdat de Nederlandse militairen anders uit het gebied zullen vertrekken. Het Muthanna-model staat in de ijskast.

De goede contacten met de lokale bevolking zijn beperkt tot een klein deel van de Nederlandse troepenmacht. De meeste militairen zijn hier ter ondersteuning van de mensen die er op uit gaan; het zijn de ziekenverzorgers, koks, monteurs en militaire politie. Zij verblijven in Camp Smitty, een door aarden wallen omringd terrein, een paar kilometer buiten de stad. Van alle gemakken voorzien. Ook hier wordt hard gewerkt; de vrije tijd wordt gedood met internetten, dvd’s kijken en in de alcoholvrije bar zitten.

Het is de vierde keer dat ik op het kamp ben. Er is de laatste maanden veel veranderd. Waar toen nog een redelijk open terrein lag in het midden van het kamp zijn nu vier grote bunkers gebouwd. De «prefabs» waar de manschappen in slapen zijn omringd door een hoge wal van dikke zandzakken om de gevolgen van een mortieraanval te kunnen beperken. Die aanvallen zijn in frequentie toegenomen. Iedereen heeft wel een verhaal over een granaat die «op vijftig meter van mijn prefab neerkwam». ’s Avonds wordt het grootste deel van de kampverlichting uit gedaan, om het de mensen die mortieren willen afschieten op het kamp niet te makkelijk te maken.

Aan het eind van de middag is het tijd voor de Falcon-run: een door de militairen zelf georganiseerde mars van 28 kilometer, met tien kilo bepakking, inclusief geweer. Iedereen mag meedoen, de beloning is een ter plekke gemaakte oorkonde. Maar de route van de mars is niet erg interessant: het zijn tien rondjes om het kamp. Er is een heuse stempelpost, een finish, een plek waar water en eten uitgedeeld wordt, maar alles speelt zich af binnen de grote aarden wallen. Er doen veel mensen aan mee; de behoefte aan ontspanning en afleiding is kennelijk groot.

De mensen die niet meelopen zitten voor hun prefabs op campingstoeltjes. Ze drinken alcoholvrij bier, praten over hun werk van die dag en over hoeveel dagen ze nog voor de boeg hebben.

Het is een legerkamp in de woestijn, vlak buiten een Iraakse provinciestad. Maar voor veel militairen ter plekke zou het ook op de maan geweest kunnen zijn: er is geen mogelijkheid om naar een lokale kroeg of een lokaal restaurant te gaan, er is geen ontspanning buiten het kamp, en ze spreken de bevolking maar mondjesmaat.

Het dagelijkse leven van de bevolking die ze zijn komen helpen, gaat aan de soldaten voorbij. Maar ze doen hun best om dat te veran deren. Het Muthanna-model moet weer uit de ijskast.