Hoeveel grens hebben we nodig?

Niet alleen het Oost-Duitse volk liep tegen een muuar op. Elk volk doet dat. Met grenzen bepalen landen hun nationale zelfportret om zich te onderscheiden van de buitenwereld. Te veel grens leidt tot narcisme, te weinig tot onzekerheid.

DE WOORDEN ‘De val van de Muur’, die in deze herdenkingsweek telkens worden uitgesproken, zijn hachelijk en hol. Ze suggereren dat er maar één muur was, of dat het de belangrijkste of de laatste muur op de wereld was. Niets is minder waar. De oud-Babylonische stadsmuur, de middeleeuwse kasteelmuren, de Chinese Muur, de Muur in Belfast, de Muur tussen Noord- en Zuid-Cyprus, de Muur tussen Israël en de Palestijnen, de Muur tussen de Verenigde Staten en Mexico: er zijn tal van muren geweest en er zullen nog vele muren volgen. Dat werd in de terechte euforie van 1989 ten onrechte vergeten.
De verrassende opening van de grens tussen Oost- en West-Europa leidde tot de misplaatste triomfantelijke borstklopperij dat de strijd om ideologische muren ten einde zou zijn. Het einde van de geschiedenis werd verkondigd als ware het een evangelie. Marx en Lenin werden van hun sokkel gehaald, letterlijk, en alle communistisch gezinden werden terechtgewezen. Tegelijkertijd heerste er bij de volgelingen van het evangelie van de noodzakelijke en eeuwige economische groei een bedrijfsblindheid voor de eigen systeemfouten. Want de schrijnende ongelijkwaardigheid die graai- en hebzucht met zich meebrengt is geen anomalie, maar de kern van het hyperkapitalistische systeem zelf.
Het nieuwe evangelie negeerde het reële lijden door oorlogen en honger, de voortdurende discriminatie op geslacht of afkomst en de uitbuiting van kinderen en irreguliere migranten die juist vaak het gevolg zijn van datzelfde na 1989 bewierookte hyperkapitalisme. Het verkondigde einde van de geschiedenis was daarmee niet alleen naïef, maar ook kwalijk minachtend. En voor die schaduwzijde van dat systeem is pas nu werkelijk de ogen geopend. Het is een wrang toeval dat we dit jaar zowel de val van de Muur herdenken alsook de vrije val van het graaikapitalisme meemaken, waarvan de komst in 1989 nog gevierd werd als een overwinning.
Maar wat betekent dat eigenlijk, de val van een grensmuur? Het klinkt alsof met de afbraak van de stenen ook de grens is verdwenen. Maar een grens is uiteraard meer dan haar objectieve vorm. Wat is een grens dan eigenlijk? Wat is haar wezen? Als het gaat om grenzen gaat de aandacht in de media vaak uit naar de morfologische uitingen: een hoog hek, een betonnen muur, militaire bewaking. Maar of de territoriale claim op eigenheid zich nu markeert als muur, prikkeldraad, een lijn op de kaart of in het zand, of als een met gras overgroeid grenspaaltje, over de kracht van de grens zegt het weinig.
Een muur kan voor sommigen een ‘bescherming’ zijn, voor anderen een teken van dictatuur, voor weer anderen een plek voor graffiti. Een grens heeft geen origineel model, het is een simulatie van een model dat we een eigen realiteit zijn gaan meegeven. De kracht van de grens wordt daarom niet bepaald door de fysieke verschijningsvorm, maar door de macht waarmee die al dan niet repressief gehandhaafd en moreel geladen wordt. Het wezen van een grens gaat dus niet alleen over het object van de grens, maar vooral over de machtspraktijken die een ruimtelijke invloed hebben en betekenis geven aan de grens. Kortom, een grens is geen zelfstandig naamwoord, maar een werkwoord. Het is een productieproces, want voortdurend afhankelijk van handhaving en interpretatie.
En dan blijkt twintig jaar opening nog altijd niet genoeg om 28 jaar scheiding uit te wissen. De naoorlogse nieuwe grens in het hoofd, de Mauer im Kopf, bleek ondanks haar relatief korte bestaan moeilijker af te breken dan het stenen object dat de Mauer vormde. Dat komt vooral ook doordat de Muur aan de Oost-Duitse kant niet zozeer een fysieke bescherming tegen mogelijk invasiegevaar uit het ‘Westen’ was, hij was ook de koepel over een totalitair samenlevingsidee. Hij was de dragende muur van een ideologische tempel, van het geloof in de heilstaat, van het beloofde land.
Dat geldt onverkort voor elke natie, zegt Peter Sloterdijk. In Sferen maakt hij duidelijk dat de constructie van een muur niet louter militair moet worden begrepen, maar vooral ook als een sacraal verlangen naar eeuwigheidswaarde van het gelijk van de natie. Het is een groot nee tegen vergankelijkheid. De grens als een hemelpoort op aarde. Met de staat als permanent wakende voorzienigheid. Het gevolg is dat de staat, aldus Sloterdijk, doorgaans dikkere ‘sterkwandige grenzen’ krijgt aangemeten dan op militaire gronden nodig zou zijn. De grensmuren moeten het leven van de sacrale zeepbel van de zelfbroedende binnenwereld bestendigen.

DE DDR IS HÉT VOORBEELD van hoe een alziend en (be)wakend oog achter dikke grenzen bedreigend kan zijn voor de denk- en bewegingsvrijheid van het individu. Het ‘goede’ gedrag werd genormeerd en afgedwongen. Maar zelfs een dergelijk extreem disciplinerend en wakend oog, weten we sinds Foucaults analyse van het panopticum, kan deel worden van de eigen identiteit. Het plotseling openen van de muur en het snelle afbreken van de identiteit die een generatie lang in afsluiting was opgebouwd, werd in de macro-politiek meteen vertaald als een bevrijding. Maar de assimilatie met hen die vroeger gehaat moesten worden en het ‘veroordeeld’ zijn tot de vrijheid waren voor sommigen micro-politieke wezensvreemde ervaringen. Het zorgde voor existentialistische twijfel zoals door Jean-Paul Sartre beschreven in Le mur. De ‘bevrijding’ voelde voor sommigen als een afgedwongen zelfontkenning in retrospectief. Net zoals de fameuze Western Wall in Jeruzalem symbool is geworden voor het lijden van het joodse volk en de belofte van de heilstaat, is voor sommige ‘Ostalgische’ Duitsers de Berlijnse Muur daarom een Klaagmuur geworden. Een symbool van miskenning en onbegrip, van de verwoesting van hun tempel waarin ze moesten en/of wilden geloven.
De Muur is in mindere mate ook een Klaagmuur voor sommige dissidenten en ‘Westalgische’ Duitsers die de tijd waarin de komst van de westerse ‘heilstaat’ werd beloofd mooier vonden dan haar realiteit. Veelzeggend in dit verband is dat Oost-Duitse retro in Berlijn nog altijd een gewild en ook wat dweperig goed is dat terugkomt in musea, kledingwinkels, interieurwinkels, films en boeken.
Aldus wordt de Muur voortdurend opnieuw uitgevonden. Ook het toerisme draagt daaraan bij. De Brandenburger Tor is het meest gefotografeerde bouwwerk van Duitsland en de ‘Berliner Mauerweg’, een toeristische herinneringstocht op de voormalige muurlijn die nota bene pas in 2006 gebouwd werd, is een van de meest bewandelde wegen in Berlijn. De meest schrijnende grenslijn van de Koude Oorlog is een commercieel en toeristisch object geworden. Een object dat in de vorm van vele kleine brokjes steen letterlijk de hele wereld over is gegaan.
Het voorbeeld van de Mauer leert ons ook dat een begrenzing eerder een proces van het fabriceren dan van het ontdekken van waarheid is. De ideologische strijd die simplistisch werd verwoord als een strijd tussen ‘Oost’ en ‘West’ was er vooral op gericht om de ander van leugen en bedrog te beschuldigen. In ‘westerse’ ogen was de DDR een nationale leugenfabriek, maar evenzo was het ‘westerse’ leven in de ogen van de DDR een leugen.
Dat is een algemeen verschijnsel. Aan beide zijden van de grenzen tussen alle circa 195 staten op de wereld wordt een claim op de waarheid gelegd. Een grens is een bewuste selectieve en opportunistische strategie, een kolonisatie van de vrije ruimte van de waarheid. Het gevolg is dat een grens onvermijdelijk een leugen is. Het is een gewelddadige retorische ingreep in de mondiale geschiedenis en de principieel oneindige ruimte. Een grens produceren of bevestigen is het creëren van een nationaal zelfportret, van een zelfvoedende en zelfverheerlijkende voorstelling aan de wereld. Het zelfportret omvat de fabricatie van een venster op de wereld, de toe-eigening van fysieke ruimte, een eigen canon van het verleden en een belofte van vervolmaking van het eigen ideaal.
En omdat het beloofde land pas morgen bereikbaar is, moet er hard gewerkt worden, voor en door de gemeenschap. De blik permanent gericht op de horizon, zoals in de DDR de burgers in de propaganda werden afgebeeld. Twijfel aan het geloof in het beloofde land wordt gezien als onvaderlandslievend, slap of tegenwoordig ‘knettergek’. In veel landen staat het zelfs gelijk aan hoogverraad. Zij die het meest obsessief in de schijnzekerheid van de ene waarheid geloven, roepen het hardst om zuivering van wat als waarheidsbedreigend wordt gezien. Voor twijfel, aldus de radicale patriotten, is nu geen tijd, want daar winnen we de oorlog niet mee. Dan winnen ‘zij’. De ‘hardwerkende burger’ moet door de staat beschermd worden. De tijden veranderen, de holle logica nauwelijks.

DE DDR MAAKTE in extremo duidelijk dat een volk niet is, maar wordt. Een volk is een fabrikaat. De eigen gemeenschap wordt uitgevonden, soms zelfs met behulp van een terreurdaad. Er worden een gemeenschappelijke (heilige) grond, burgerschap en identiteit geprogrammeerd, waarbij interne verschillen tussen mensen en regio’s genegeerd worden. Het geloof in die eigen waarheid wordt dagelijks gereproduceerd, zowel ideologisch (uitgedrukt in wetten en propaganda), symbolisch (vlaggen, volkslied, heldencreatie, gedenktekens) als semiotisch (taal, canons, educatie). De gemeenschap wordt daarmee in een totalitaire binnenruimte gegoten. Ze wordt gecontaineriseerd.
De wereld buiten de grens wordt symbolisch gepresenteerd als een buitenland, een concurrent, een bedreigende chaos of zelfs als het terrein van onverlichte barbaren. Om daar vervolgens de verbeelde coherentie en eenvormige culturele traditie van het ‘wij’ tegen af te zetten, of zelfs een clash te construeren in de ruimte, de cultuur, de volksaard, de economie, de demografie of zelfs in de tijd. Illustratief voor de tijdpolitiek van vandaag zijn populaire kwalificaties als ‘achterlijk’ of ‘achtergebleven staat’, zij die nog niet de verlichting hebben doorgemaakt, zij die a-modern of zelfs antimodern zouden zijn. De voortdurende vergelijking met andere binnenruimtes maakt duidelijk dat een grens permanent in wording is. De creatie van een gezamenlijke binnenruimte genereert een langetermijnbehoefte aan nieuwe toe-eigening, controle en purificatie. Het verlangen naar vervolmaking van de eigenheid, naar het droomland, is per definitie zonder einde. Om een grensmuur effectief te laten zijn, moet de waarheid ervan voortdurend geclaimd worden. Zelfs als dat tegen beter weten in is.
De waarheidsproductie die de grens is, zou niet functioneel kunnen zijn als deze niet een fantasie en ideaal voor velen zou zijn. De zekerheid van een nationale eenheid voedt het individuele zelf. Het geeft ruimtelijke bakens in het dagelijkse leven. Het principieel ondeelbare individu wordt deel van een grotere eenheid, wat betekenis geeft aan het leven op een bepaalde plek. Een grens genereert een nationale ruimte om je in terug te trekken. Het wezenlijke zelf krijgt een nationaal dak boven het hoofd, een familiair surrogaathuis dat strijdbaar vaderland of liefkozend moederland wordt genoemd en waarbij de grens als draaihek functioneert.
Dit nationale surrogaathuis maskeert de angst voor de vrijheid, de angst voor leegte in het zelf, de angst voor het grote buiten. Maar de zelfinmetselingsideologie van de nationale grens, het op afstand plaatsen van het buiten heeft een prijs. Allereerst voor degenen die worden buitengesloten. Maar ook voor degenen die worden binnengesloten. Want de grens drukt de persoonlijke vrijheid weg en maakt onzeker, claustrofobisch. Dat is niet de angst voor de leegte, die dus veelal leidt tot de productie van geborgenheid in de vorm van een natie, maar juist de angst voor het gebrek aan leegte. De Griekse dichter Kavafis schreef daar in 1896 een markant gedicht over, Walls:

Without consideration, without pity, without shame
they have built great and high walls around me.

And now I sit here and despair.
I think of nothing else: this fate gnaws at my mind;

for I had many things to do outside.
Ah why did I not pay attention when they were building the walls.

But I never heard any noise or sound of builders.
Imperceptibly they shut me from the outside world.

Het verlangen om in vrijheid te leven, om grenzen te overschrijden, dat ook in ons aanwezig is, wordt vaak gekooid. Het illustreert dat de grens een Janusgezicht is, een god met twee gezichten, dat van het inwaartse en dat van het uitwaartse verlangen. De balans tussen deze verlangens – wat Deleuze en Guattari later vertaalden als de balans tussen het welhaast ziekelijk paranoïde verlangen naar het ‘wij’ en het bijkans psychotische verlangen naar een over-ik – is breekbaar. Een teveel ‘wij’ roept zijn eigen onzekerheid op. Want hoe sterker de grens is gesloten, hoe groter de schijnbare zekerheid, maar ook hoe groter de fobische onzekerheid en daarmee de discriminatie. Claustrofilie en xenofobie gaan dan hand in hand. Een volledig naar binnen gekeerde gemeenschap wordt uiteindelijk narcistisch, vol van zichzelf en permanent wantrouwend. Het geloof in de als ‘eigen’ gedefinieerde gemeenschap is dan een fundamentalisme geworden.
Een te weinig ‘wij’ kan gevoeld worden als onzekerheid en als een gebrek aan bescherming. De vraag die in de filosofie van de grens pertinent is, is dus: hoeveel geconstrueerde waarheid van de grens kunnen we verdragen? En hoeveel grens hebben we nodig?
De val van de Muur verleidde sommigen tot de gedachte dat in Europa de strijdbijl definitief begraven zou zijn. Maar dat is naïef. Grenzen, of dat nu muren zijn of anderszins, zijn menselijke fabrikaten waarmee we onszelf en anderen zullen blijven markeren en die we zullen blijven produceren. Periodiek ontaarden die anderen in vijanden. Gisteren de Duitsers en de communisten, vandaag de moslimfundamentalisten en morgen zal de wereld andere anderen hebben. Iedere tijd en iedere samenleving construeert haar eigen ‘barbaren’. En dat is vaak wederzijds. Zeker als de eigen ideologische zeepbel steeds meer ommuurd wordt, wordt de andere kant van de muur steeds sterker geprikkeld en geprovoceerd om tegengeluiden te produceren.
Maar ook ruimtelijke kaders zelf veranderen. Want er is geen samenleving die in haar huidige ruimtelijke vorm en met de huidige burgers en nationale identiteit het eeuwige leven heeft. Dus is er ook geen muur die niet zal vallen. Dat besef is cruciaal bij het nadenken over het wezen van grenzen. Het maakt duidelijk dat niet gefixeerde grenzen en identiteiten de constanten zijn in de geopolitieke geschiedenis, maar de verschuiving ervan. Meer dan te proberen de ultieme begrenzing te construeren is het dus nodig de dynamiek te begrijpen die maakt dat muren telkens weer worden geconstrueerd. Hoe voorkomen we het grensgeweld naar buiten en het assimilatiegeweld naar binnen? Juist omdat grenzen tussen mensen tegelijk onvermijdelijk en onwaar zijn, en per definitie tegenreacties provoceren vraagt de eigen grens permanente morele introspectie. Welk gezicht tonen we de wereld? Welke muur bouwen we om ons heen? Tegen welke muur laten we anderen aankijken? Tegen welke prijs, voor onszelf en voor anderen?

Henk van Houtum is universitair hoofddocent politieke geografie en geopolitiek, hoofd van het Nijmegen Centre for Border Research, Radboud Universiteit Nijmegen en auteur van de columnreeks ‘Ach Europa’ in dit blad