Moslims zijn verdeeld

Hoezo achterlijk?

Het Contactorgaan Moslims en Overheid stuurde naar aanleiding van de uitspraken van Ayaan Hirsi Ali een protestbrief naar de VVD. Het orgaan vertegenwoordigt lang niet alle moslims in Nederland. Zo gaan tienduizenden alevieten hun eigen weg. «Wie zuiver gelooft, kan beledigende uitspraken verdragen.»

«Ik ben niet gelukkig met sommige uitspraken van Ayaan Hirsi Ali, maar wij zijn bereid ernaar te luisteren en erover te discussiëren», zegt Nurettin Altundal, voorzitter van de federatie van alevitische verenigingen in Nederland. «Wij zoeken de confrontatie niet, dat past niet in onze traditie. We stellen het ook niet op prijs dat zij dat doet, omdat haar benadering de oplossing van de problemen die zij aankaart juist belemmert. Maar we vragen niet om haar vervolging door het Openbaar Ministerie, wij demonstreren niet tegen haar installatie als kamerlid en we hebben de protestbrief van het Contactorgaan Moslims en Overheid (CMO) naar de VVD niet ondertekend. In die brief pretendeert het CMO te spreken namens alle Nederlandse moslims, maar het spreekt zeker niet namens de tienduizenden alevieten in dit land.»

Het afwijkende standpunt van Altundal en de zijnen ging afgelopen week verloren in het kabaal van de verzamelde islamitische stamhoofden. Naar aanleiding van Hirsi Ali’s interview in Trouw, waarin zij stelde dat de profeet Mohammed naar de huidige westerse maatstaven een «perverse tiran» was, schreven de voorzitters van de zeven grootste islamitische koepels in Nederland, verenigd in het CMO, een brief op poten aan VVD-lijsttrekker Gerrit Zalm. Zij eisten excuses van de partij en drongen aan op haar terugtrekking als kamerlid. Daarnaast richtten de organisaties zich tot het Openbaar Ministerie met het verzoek om haar te vervolgen. En dat allemaal namens «de achthonderdduizend moslims in Nederland» die zij in hun zwaar gesubsidieerde heerlijkheid menen te vertegenwoordigen.

Dat getal is op zichzelf al dubieus, aldus migratieonderzoeker Jeroen Doomernik, omdat de godsdienstige overtuiging van inwoners van Nederland al jaren niet meer wordt geregistreerd: «Het CBS gaat er voetstoots vanuit dat migranten uit landen met een islamitische meerderheid allemaal islamieten zijn en de koepelorganisaties gaan er op hun beurt vanuit dat die moslims ook nog allemaal praktiserend zijn. Zo komen ze aan die zogenaamde achterban van achthonderdduizend mensen, maar dat getal is uit de lucht gegrepen.»

Ook trouwe moskeegangers voelen zich lang niet allemaal vertegenwoordigd door de islamitische koepels, die niet zelden zijn georganiseerd in ondoorzichtige stichtingen met diepe vertakkingen in de Nederlandse politiek en het welzijnswerk. Een goed voorbeeld van die verstrengeling is de persoon van Ayhan Tonça, voorzitter van de Stichting Turks Islamitische Culturele Federatie. In die hoedanigheid is hij de hoogste vertegenwoordiger van de 130 Nederlandse moskeeën die vallen onder het gezag van Dyanet, het Turkse ministerie van Godsdienstzaken. Daarnaast is hij voorzitter van het Inspraak Orgaan Turken (IOT) dat namens «alle Turken in Nederland» overlegt met de overheid. En ten slotte is hij ook nog gemeenteraadslid voor het CDA in Apeldoorn.

Uitgerekend Tonça sloeg vorige week wel heel ver door toen hij stelde dat Hirsi Ali een fatwa (Iraans religieus doodvonnis) riskeert als haar uitspraken in het Farsi worden vertaald. Op de vraag of de vertaling vordert, bindt hij in: «Nee, wij zijn helemaal niet voor zo’n fatwa, ik heb alleen maar willen waarschuwen voor het risico dat Hirsi Ali neemt. Natuurlijk heeft zij recht van spreken.» Maar hij houdt wel vol dat hij namens alle Turken handelde toen hij de brief ondertekende: «Ook de alevieten, ik heb laatst nog een alevitische gedeputeerde uit Arnhem gesproken en die was het er helemaal mee eens.» Die arrogante houding is precies de reden waarom de alevieten eind vorig jaar uit het CMO zijn gestapt, aldus Altundal, en alleen al daarom vertegenwoordigt Tonça niet alle Nederlandse Turken: «Alevieten gaan ook wel eens naar de moskee, maar dat wil niet zeggen dat ze het standpunt van de imam of het moskeebestuur onderschrijven.»

Hoewel weinig Nederlanders op de hoogte zijn van hun bestaan vormen de Turkse volgelingen van Ali, de neef van de profeet, een aanzienlijke minderheid in ons land. Een gangbare schatting stelt hun aantal op tachtigduizend, maar dat getal lijkt enigszins overtrokken gezien de marginale positie die ze in hun land van herkomst innemen. Ze dragen geen hoofddoeken, stichten geen moskeeën en laten hun organisaties niet door de overheid subsidiëren omdat ze geloven in een strikte scheiding van kerk en staat. Of liever gezegd: een strikte scheiding van kalifaat en sultanaat, want alevieten hebben als schrijvers, politici en intellectuelen een belangrijk aandeel gehad in de secularisatie van de Turkse samenleving. Ze komen echter lang niet altijd voor hun overtuiging uit, omdat ze door de soennitische meerderheid worden verketterd.

In 1993 kwamen 37 alevitische kunstenaars en intellectuelen om het leven toen een door nationalisten en fundamentalisten opgehitste massa hun hotel in de stad Sivas in brand stak. De Turkse politie keek werkloos toe bij dit uitzinnige brandoffer; pas na tien uur grepen de autoriteiten in. Het illustreert de haat waarmee de alevieten nog altijd worden bejegend door Turkse geestelijke en wereldlijke machthebbers. Ze bedrijven geen zending en houden zich niet bezig met staatsgevaarlijke activiteiten, maar hun loutere bestaan wordt beschouwd als een aantasting van de Turkse nationale identiteit, het leergezag van de soennitische islam of de tegenwoordig zo populaire «Turks-islamitische synthese» die beide ineen tracht te schuiven. Tot februari vorig jaar was het alevitisme in Turkije zelfs formeel verboden.

In Nederland stellen alevieten zich niet anders op dan in Turkije, namelijk als een progressieve, intellectuele «tegencultuur». De verhouding met veel andere Turkse organisaties is nog altijd moeizaam, aldus Altundal: «Er is veel oud zeer en we moeten nog altijd opboksen tegen vooroordelen. In de ogen van Turkse soennieten zijn wij nog steeds geen volwaardige moslims, eigenlijk helemaal geen moslims.» Het ontbreken van eigen moskeeën duidt echter niet op gebrek aan religieuze diepgang. Integendeel: alevieten bespreken geloofszaken in urenlange kringgesprekken, zogenaamde cems (spreek uit: dzjems), waarin niet alleen man en vrouw, maar ook geestelijken en leken gelijkwaardig zijn. De alevitische dede’s (geestelijken) leiden weliswaar de gesprekken, maar zodra hun standpunt door een of meer deelnemers wordt betwijfeld staan ze symbolisch hun stoel in de kring af. Alevieten groeien dus op in een sfeer van open, democratisch debat waaraan menig christeliÍk kerkgenootschap een puntje kan zuigen. Des te pijnlijker is Altundal getroffen door de in Nederland langzamerhand gangbare associatie van de islam met huiselijk geweld, achterlijkheid en obscurantisme.

«Wij voeren geen discussies over de vraag of een man volgens de koran zijn vrouw mag slaan of misschien alleen een ‹tikje› geven», zegt Altundal. «Alle geweld is uit den boze, punt uit. Dat neemt niet weg dat er helaas ook alevitische mannen zijn die hun vrouw slaan. Ik geloof dan ook niet dat huiselijk geweld inherent is aan de islamitische geloofsovertuiging, zoals Hirsi Ali stelt. Het is volgens mij ook niet cultuurgebonden, want het komt voor in alle culturen. Net als bij Nederlanders die hun vrouw of kind mishandelen, is het een kwestie van attitudes die van ouder op kind worden doorgegeven. Laat ik me nu eens beperken tot Turkije. Als kleine kinderen zien dat hun moeder op straat steevast een paar meter achter hun vader loopt, krijgen ze al meteeý een scheef beeld van de verhouding tussen man en vrouw. En als vaders bij hun afwezigheid het gezag over het huishouden overdragen aan hun zoontje van tien in plaats van hun vrouw of een oudere dochter, dan krijgen die jongens een vals superioriteitsbesef. Die verkeerde houding zet zich bij hen vast lang voordat ze godsdienstig besef krijgen, want dat komt pas op latere leeftijd.»

Altundal is dus niet te vinden voor een strijd tegen de «achterlijke islam», wel tegen achterlijke geloofsopvattingen die berusten op eenzijdige, cultureel beïnvloede interpretaties van de koran. «Natuurlijk zijn er vrouwen met een islamitische achtergrond die onderdrukt worden, maar wij vinden dat je die onderdrukking moet aanpakken, niet het geloof. Door het geloof af te wijzen plaatst Hirsi Ali zichzelf buiten de islamitische gemeenschap, ze roept in wezen op tot ongelovigheid. Dat is haar goed recht, maar daarmee los je de problemen niet op voor mensen die wél aan hun geloof willen vasthouden. Wij voeren die discussie ook, maar van binnenuit, binnen onze federatie en ook daarbuiten. Dat laatste doen we helaas vaak tegen de verdrukking in, zelfs in Nederland. Als wij een evenement organiseren en alevitische zakenlieden benaderen voor sponsoring, willen ze vaak niet dat hun naam openlijk wordt genoemd omdat ze dan hun soennitische klanten kwijtraken. Dergelijke intimidaties worden de laatste jaren wel minder, moet ik zeggen.»

Het liefst zou Altundal zich helemaal niet mengen in de huidige discussie, maar bepaalde tendensen komen hem wel zeer bekend voor uit de Turkse context, alsof ze via Dyanet, Milli Görüs en andere moskeeorganisaties rechtstreeks in Nederland geïmporteerd worden. Altundal: «Het denken over de islam, althans in de geïnstitutionaliseerde vorm, is vanouds gericht op macht. Daar stuiten we in Turkije op en dat zien we nu ook weer in Nederland gebeuren binnen die koepels. Ik denk dat de opwinding over Hirsi Ali’s uitspraken onder Nederlandse moslims helemaal niet zo groot is als het CMO het voorstelt. Wie zuiver gelooft, staat sterk genoeg in zijn schoenen om beledigende uitspraken te verdragen. Als je diep in mijn hart kijkt, denk ik dat die zeven woordvoerders met hun brandbrief vooral hun machtspositie tegenover hun eigen achterban en tegenover de Nederlandse samenleving willen benadrukken.»