De verdediging van Hooft

Hoezo pover?

Zijn ‹Rede over de waardigheid van de poëzie› zou oppervlakkig en clichématig zijn, volgens Piet Gerbrandy. Zelf kan P.C. Hooft zich niet meer verdedigen. Dus staat iemand anders op.

«Heel, heel pover.» Met die gongslag sloot Piet Gerbrandy in het vorige nummer van Literatuur[De Groene Amsterdammer] een korte historische beschouwing af over de verdediging van de poëzie. Zijn doodklap deelde hij uit aan Hoofts Reden vande Waerdicheit der Poesie, waarvan recent een fraai verzorgd uitgaafje, met toelichting en complete vertaling, is verschenen. Gerbrandy heeft er één alinea voor over, voldoende om Hoofts rede af te doen als «een beschamend slecht verhaal, dat niet alleen van gemeenplaatsen aan elkaar hangt, maar ook iedere diepgang weet te vermijden». Wie zou daarna nog ooit in de verleiding kunnen komen die tekst in te kijken?Nu wordt ieder oordeel natuurlijk mede bepaald door het referentiekader dat de criticus gebruikt. Het is de vraag of Gerbrandy zich niet heeft laten leiden door verkeerde verwachtingen toen hij Hoofts tekst ging lezen. In zijn beschouwing gaat het eerst over onder anderen Plato, Aristoteles, Sidney en Shelley. Tegen die achtergrond kan het betoog van Hooft inderdaad tegenvallen. Misschien had die ten behoeve van deze lezer beter een andere titel boven zijn handschrift kunnen zetten, bijvoorbeeld «Pleidooi voor het stichten van een schouwburg in Amsterdam». Want daar gaat het uiteindelijk om. Hooft wilde de kooplui in de bestuurlijke elite ervan overtuigen dat dit een zinvolle investering was. Er was niet zo veel verschil met wat Gerbrandy onze tijd aanwrijft: poëzie ontbeert status omdat zij «economisch gezien onbeduidend» is. De Amsterdamse handelaren waren meer vertrouwd met de heiligheid van de winst dan met de door Hooft geponeerde heiligheid van de dichtkunst. Het is in dat licht al opmerkelijk dat Hooft slechts aan het slot van zijn pleitrede even terloops wijst op het feit dat de opbrengst van de toneelvoorstellingen de armenzorg ten goede kwam. Veel meer nadruk ligt daarin op de roem die de stad zal verwerven als begenadigde dichters er hun licht over de gehele wereld zullen doen uitstralen, zodat ieder zal wensen in Amsterdam geboren te zijn.
Toegegeven: er gaat een lange en voor ons niet erg inspirerende passage aan vooraf waarin Hooft de exacte bedragen opsomt die royale Romeinse keizers en een met name genoemde Franse edelman hebben overgehad voor de bevordering van de toneelkunst. Dat is een kwestie van retorische strategie: Hooft moet beseft hebben dat het aangesproken publiek gevoelig zou zijn voor dat soort argumentatie. Trots op de verbluffende economische opgang van hun stad waren de Amsterdammers zeker en wedijver met de grote voorbeelden uit het verleden was hun niet vreemd. De vergelijking met het oude Rome duikt in literaire en politieke geschriften en in de beeldende kunst voortdurend op. Dat in Hoofts pleidooi de meeste aandacht wordt geschonken aan de grote waardering die vooraanstaande personen in het verleden voor de poëzie hebben getoond, laat zien dat hij zich aanpast bij een gehoor van mannen die zich graag met hen op één lijn stellen.

Gerbrandy vat het resultaat van zijn lectuur van Hoofts tekst in het volgende oordeel samen: «Het enige wat hij met veel omhaal van woorden (…) zegt, is dat de dichtkunst vroeger altijd zeer in aanzien stond, onder meer omdat ze een bijdrage leverde aan de roem van de opdrachtgevers.» Dat is inderdaad heel pover, en dan bedoel ik niet deze mening van Hooft, maar de kwaliteit van Gerbrandy’s samenvatting. Elke welwillendheid ten opzichte van Hoofts betoog en de context waarin het kon functioneren ontbreekt eraan. Gegeven Hoofts poging om het stadsbestuur te overtuigen is het al interessant dat hij niet begint met het praktisch nut van een theater, maar met het geweldige en duurzame genoegen dat poëzie de mensen schenkt. Het eerste gedeelte van de Reden stijgt zonder meer uit boven het niveau van ordinaire rivaliteit en materiële afwegingen. Het blijft wel een beknopte gelegenheidstekst met een concreet doel en het mag dus niet verbazen dat die de allure en de breedheid van visie mist die we aantreffen in An Apology for Poetry van Philip Sidney, ongeveer twintig jaar eerder gepubliceerd. Maar bevlogenheid ontbreekt er niet aan en Hooft formuleert fraai een aantal belangrijke argumenten. Natuurlijk heeft Gerbrandy gelijk dat het overwegend gaat om gemeenplaatsen: Hooft staat bewust in een traditie van de «defence of poetry» die voortbouwt op de Oudheid en zich in de tijd van de Renaissance verder heeft ontwikkeld. Maar dat doet niets af aan hun functionaliteit: het is immers de vraag of Hoofts beoogde toehoorders die traditie paraat hadden, om van de beoogde hedendaagse lezers van deze nieuwe editie van de Reden maar niet te spreken. Die is ook niet in de eerste plaats bedoeld voor geleerde classici en renaissancespecialisten die de gemeenplaatsen als zodanig herkennen – en weten dat zij bijdragen tot de auctoritas van het betoog. De gecompliceerde achtergronden van Hoofts argumenten zullen voor een wetenschappelijk publiek nog uiteengezet worden in het aangekondigde uitvoerige commentaar op de tekst. Gewone lezers kunnen nu weer genoegen beleven aan de zwier waarmee Hooft het gebleken vermogen van de poëzie onder woorden brengt: hij noemt haar «de tale der Goden»: «deze heeft de Ouden onderwezen in de wonderheden des natuurs, en de oorzaken der dingen aan de dag gebracht: deze heeft de sterfelijke ogen uit het slijm des aardbodems opgeheven ten hemel om die blinkende koninkrijken en de oneindelijke sieraden van die allergrootste, allertreffelijkste schepselen [de engelen] te doorwandelen. Deze heeft de mens, wat meer is, geleerd in zichzelve te gaan, zijn zelfkennis na te speuren, zijn heil in de deugd te zoeken en geen nieuwe wereld met rijkvloeiende goudmijnen, maar een hemelrijk in zichzelf te ontdekken.»Wat is hier pover aan? * Eddy Grootes is emeritus hoogleraar Nederlandse letterkunde van de Gouden Eeuw aan de Universiteit van Amsterdam