Hoezo zinloos?

Koen Koch, Een kleine geschiedenis van de grote oorlog. € 24,95

Hoewel de Eerste Wereldoorlog dikwijls de Urkatastrophe van de twintigste eeuw wordt genoemd - de ramp die leidde tot andere rampen als het communisme, het fascisme, de Tweede Wereldoorlog, de Koude Oorlog en, maar dat is een kwestie van perspectief, het einde van de Europese hegemonie over de wereld - was er gedurende die eeuw in Nederland relatief weinig aandacht voor die oorlog. Begrijpelijk genoeg werd hier lange tijd alle aandacht opgeëist door het collectieve trauma van de Tweede Wereldoorlog. Pas aan het einde van de vorige eeuw begon in Nederland de belangstelling voor die catastrofale oorlog waar ‘wij’ buiten waren gebleven toe te nemen, en vooral de afgelopen tien jaar is het aantal Nederlandstalige boeken over dit onderwerp sterk toegenomen. Je zou dus kunnen denken dat het nieuwste boek van Koen Koch, die eerder over de Derde Slag bij Ieper en de Slag bij de Somme schreef, als mosterd na de maaltijd komt.
Dat is beslist niet waar, aangezien Een kleine geschiedenis van de Grote Oorlog met afstand het helderste overzichtswerk in het Nederlands taalgebied is, waarin een nagenoeg perfecte balans is gevonden tussen 'de grote lijnen’ en het opmerkelijke, navrante of huiveringwekkende detail. Dat Koch erin geslaagd is die balans te vinden, komt vermoedelijk doordat hij eenvoudigweg de juiste, nuchtere vragen stelt en zich niet laat meeslepen door de nogal eens voorkomende neiging de toch al dramatische gebeurtenissen nog dramatischer te maken.
De Eerste Wereldoorlog wordt vaak afgeschilderd als een 'zinloze’ oorlog, een oorlog zonder duidelijk 'doel’ die louter verliezers kende en die resulteerde in tot dan toe ongekende aantallen slachtoffers, een oorlog bovendien die Europa zo ontwrichtte dat er 21 jaar later een nog gruwelijker oorlog uitbrak. Een dergelijk drama lijkt eigenlijk onbegrijpelijk, en dus zonder 'zin’, zodat de oorzaken wellicht gezocht moeten worden in mysterieuze krachten die, hoewel niemand erop uit was, de oorlog min of meer onvermijdelijk maakten. Het idee dat de oorlog, die negen miljoen soldaten het leven zou kosten, uitbrak na een slechts door stom toeval geslaagde moordaanslag op de door niemand geliefde Oostenrijkse troonopvolger, terwijl aanslagen op vorstelijke personen in die tijd tamelijk vaak voorkwamen, is zo onverdraaglijk dat er wel 'dieper liggende oorzaken’ moeten zijn geweest. Meestal wordt dan gewezen op de politiek van internationale bondgenootschappen, die voor een 'kettingreactie’ zou hebben gezorgd, terwijl ook altijd de wapenwedloop, het toen sterk levende nationalisme en het imperialisme als 'structurele factoren’ worden genoemd. Ook zonder die aanslag in Sarajevo, op 28 juni 1914, zou vroeg of laat een grote Europese oorlog zijn uitgebroken.
Bedaard maar resoluut veegt Koch deze en andere 'verklaringen’ van tafel en wijst hij erop dat de oorlog simpelweg uitbrak, en daarna zo lang voortsleepte, als gevolg van de beslissingen van de betrokken staatslieden en militairen: 'Oorlog is mensenwerk, geen natuurramp die ons overkomt. Mensen kiezen ervoor. Het aanroepen van onbeheersbare krachten, zoals het noodlot, het militarisme, het nationalisme, het imperialisme of het terrorisme, is tot op de dag van vandaag niet meer dan een alibi voor politici die weigeren verantwoordelijkheid te nemen voor een oorlog die door hun toedoen of nalaten is ontstaan.’ En politici en militairen laten zich, anders dan we wellicht hopen, niet alleen leiden door rationaliteit of staatsraison, maar ook door persoonlijke angsten, ambities, emoties en niet zelden door fatalisme. Verschillende betrokkenen in Oostenrijk en Duitsland - de landen die de oorlog veroorzaakten - wisten in 1914 dat hun land de oorlog zou verliezen, maar dachten niettemin dat ze op dat moment geen andere keus hadden.
Oorlog is inderdaad mensenwerk, en Koch laat scherp zien dat veel van de verantwoordelijken tamelijk 'kleine’ mensen waren. Mannen die wel beschikten over grote ambities en het vermogen tot zelfpromotie, maar wier strategische inzichten en vooral karakterologische eigenschappen aanzienlijk minder ontwikkeld waren. Koch schildert de betrokkenen niet af als pathologische moordenaars, maar maakt wel duidelijk dat de Britse opperbevelhebber Haig hardnekkig vasthield aan een tactiek die inmiddels aantoonbaar onjuist was, terwijl de Duitse generaal Ludendoff zo wispelturig was dat hij kansen op succes herhaaldelijk verspeelde. Wat beide mannen bond was hun neiging de verantwoordelijkheid af te schuiven op anderen.
Kun je nu zeggen dat deze, door 'kleine mensen’ gevoerde, oorlog 'zinloos’ was? Dat is een moreel oordeel, dat achteraf gemakkelijk te vellen valt. De grote piramides, het terracottaleger van Xi'an en de Napoleontische oorlogen waren ook 'zinloos’. Wat is eigenlijk 'zinvolle’ geschiedenis? Geschiedenis die naar een als zinvol bestempeld doel leidt? In dat geval worden alle gebeurtenissen die niet naar dat doel voeren afgedaan als 'zinloze’ of 'oneigenlijke’ geschiedenis, en de mensen die erbij betrokken waren als verblinde, halsstarrige en domme types die de verkeerde kant op liepen. Een dergelijk oordeel getuigt van een mateloze arrogantie en een stuitend gebrek aan historisch besef. Zoals Jacob Burckhardt reeds in 1842 constateerde gaat de geschiedenis niet om een oordeel over 'Gut und Böse’, maar om de vraag of de dingen 'So oder Anders’ verlopen.

KOEN KOCH
EEN KLEINE GESCHIEDENIS VAN DE GROTE OORLOG
Ambo/Manteau, 473 blz., € 24,95