Ad Verbrugge over popmuziek

‘Hoge cultuur staat niet los van het volk’

De filosoof Ad Verbrugge is het niet eens met zijn conservatieve Britse geestverwant Roger Scruton, die popmuziek lage cultuur vindt. ‘Scruton vervalt in een pose van afkeer van het volk.’ Bach is heus niet beter dan Bono.

HET HEEFT iets ongerijmds: een als conservatief bekend staande filosoof die een popband om zich heen formeert en een cd met extatische muziek opneemt. Pop, dat is volgens Roger Scruton toch herrie? In de zienswijze van de conservatieve denker uit Engeland is popmuziek het uitschot van de ‘lage cultuur’, vluchtig en oppervlakkig, het summum van commerciële ontaarding. Maar Scruton ziet het verkeerd, meent zijn Nederlandse geestverwant Ad Verbrugge. De sympathie die Verbrugge heeft voor het denken van de Brit is hij hier even kwijt.
Al jong viel Verbrugge (44) voor de pop. Onlangs bracht hij de cd Nightplane uit, een album met sferische popmuziek, romantische teksten, een stevig ritme en Verbrugge zelf op de sologitaar. Verbrugge is óók de filosoof die de uitwassen van de belevingscultuur kritiseert, waarin mensen zich verliezen in ongeremde experimenten met drugs en seks, en dat lijkt in lijn met Scrutons kritiek op de culturele revolutie van de jaren zestig, waarvan popmuziek bij uitstek de uitingsvorm is.
'Het getuigt van wijsheid om zich niet op te sluiten in de eigen ideale werkelijkheid, ontleend aan het verleden, maar in het heden te zoeken naar wat de moeite waarde is, naar wat bezielt, naar wat aanspreekt’, zegt Verbrugge. 'Dat de commercie tegenwoordig een ongehoord stempel op de muziek drukt, dat er mede daardoor veel slechte muziek wordt gemaakt, dat is allemaal waar, maar dat is een tendens waaraan alles helaas blootstaat. De opgave is het tactgevoel te ontwikkelen om ook in de kunst van de eigen tijd kwaliteit en diepgang, hoge cultuur te herkennen. Dat kan óók in de pop. Scruton trekt met een vertoon van minachting ten strijde tegen de wansmaak van deze tijd. Voor mij is het kenmerk van hoge cultuur nu juist dat zij altijd in verband staat met wat hier en nu gaande is. Anders is zij louter ornament, versiering.’
Een gesprek met Verbrugge over pop gaat over goede bands en goede nummers, over alles wat aan die muziek opwindend is en zinnenberoerend, maar al snel denkt hij ook hardop na over het geheim van een aansprekende melodie, over nummers die een herinnering in het geheugen vastklinken, muziek die haar tijd overstijgt en over thema’s als hoge en lage cultuur. Hij vertelt dat hij gaandeweg heeft leren begrijpen waarom hij voor de pop valt. Uit dat begrip put hij nu ook zijn munitie voor zijn dispuut met Scruton, over wiens filosofie hij een essay schreef in het eerder dit jaar verschenen boek Wat heet beschaving?
Kern van zijn kritische beschouwing is het onderscheid tussen enerzijds de onbetrokken en hautaine houding van de reactionair die zich in de burcht van zijn eigen gelijk terugtrekt, anderzijds het engagement van de conservatief die in de dynamiek van de tijd meegaat en daarin het goede en vormende zoekt. Daarbij is hooghartigheid over de eigen positie en laatdunkendheid over 'de lage cultuur’ van anderen even ongepast als onvruchtbaar, meent hij.
Ad Verbrugge: 'In de muziek ben ik wel even zoekende geweest. Op mijn achttiende heb ik de gitaar een tijdje weggelegd. Ik ging filosofie studeren en dacht dat popmuziek niet paste bij de ernstige zaken waar ik me mee bezighield. Ik kocht een piano en ging Bartók spelen. Maar het klopte niet, wat ik deed. Ik vond in de klassieke muziek niet de diepe ervaring die pop me altijd had gegeven. Ik besloot dat maar te accepteren. Hoezeer klassieke muziek me ook dierbaar is, ik voel me het meest aangetrokken tot pop, folk. Dat dubbele gevoel dat ik had toen ik Bartók speelde is weg, sinds ik me meer ben gaan verdiepen in de geschiedenis van de hoge kunst en daarin het ongelijk van Scruton ontdekte. Hoge cultuur staat niet los van het volk, integendeel, alleen een levend contact met wat er hier en nu gaande is, wat ons allen doortrekt en aangaat, geeft de kunst, de religie en de filosofie de bezieling die ze nodig hebben. Dat moet niet in het grootse verleden worden gezocht en zal daarin ook nooit gevonden worden.’
Wat onderscheidt goede muziek dan wel van slechte?
'Ik denk dat alles waarvoor je moeite moet doen de moeite waard is. Dat geldt ook voor populaire muziek. Bono van U2 sprak eens de rake woorden: “The opposite of love isn’t hate, it’s indifference.” Onverschilligheid is de pest van deze tijd en de stemming die erbij past is verveling. Alles moet gemakkelijk, zonder moeite geconsumeerd kunnen worden. Daar word je behoorlijk verveeld van.
Dus om te leren onderscheiden is het in de eerste plaats noodzakelijk dat je intensief luistert. Goede kunst kenmerkt zich ook doordat ze om aandacht vraagt. Tegelijkertijd kan er in muziek iets onmiddellijks zitten. Dat is het raadsel van een melodie die mensen meteen aanspreekt. Zo'n melodie is tijdloos. Mensen vinden haar gewoon mooi, vroeger en nu. Ik weet nog hoe ik als jongetje van zeven of acht jaar tot tranen geroerd was toen ik voor het eerst O Haupt voll Blut und Wunden uit Bachs Matthäus Passion hoorde. En wat is dat? Gewoon een wijsje? Ja, maar dan wel een universeel mooi wijsje. En dan is het interessant te weten dat de oorsprong ligt in een klassiek volksliedje dat Bach heeft opgepakt en in de Matthäus verwerkt. Ook Rembrandt en Vermeer voelden zich niet te goed om volksmotieven in hun werk op te nemen. Juist daaraan ontleent het zijn zeggingskracht en hoogculturele stilering.
Wie de kunst wenst te moraliseren moet dus eerst naar de mores kijken van de wereld waar ze thuishoorde. Dat is een deel van mijn kritiek op de positie van Scruton. Ik zou hem een esthetisch conservatief willen noemen. Wat een esthetisch conservatief boeit is de mooie buitenkant. Hij construeert een levensideaal waarin hij een kwalitatieve opvatting heeft over het goede leven en daarbij kijkt hij neer op wie niet aan dat ideaal voldoet. Met de hoge cultuur in het vaandel trekt hij ten strijde tegen de wansmaak van anderen, van wie hij zich uitdrukkelijk wenst te onderscheiden, want die anderen, dat is die vulgaire massa met haar populaire cultuur. De oorspronkelijke betekenis van de hoge cultuur was een heel andere dan zo'n sociale afscheiding. Die cultuur was sociaal ingebed en had een politieke functie.’

HET IS OPVALLEND dat muziek waarvan je al bij de eerste keer luisteren denkt dat ze van een tijdloze kwaliteit is dat meestal ook blijkt te zijn. In de pop geldt dat voor nummers van The Beatles, King Crimson, Pink Floyd, David Crosby…
'Jethro Tull, Bob Dylan, Nirvana, U2… In hun muziek zit dus kennelijk iets en dat moeten we zoeken in de sporen van een traditie, zelfs door de eeuwen heen. In de jaren zeventig kon Jethro Tull zonder meer Pastime with Good Company van de hand van Hendrik VIII in een folkrock-uitvoering spelen. En andersom, al na enkele maten van dit lied in de klassieke uitvoering is hoorbaar dat de hedendaagse popmuziek deel uitmaakt van deze traditie. In de middeleeuwse Carmina Burana hoor je het ritme van de drums van de moderne rock. Ik ben gaandeweg gaan begrijpen dat wat we nu popmuziek noemen in wezen een heel lange geschiedenis heeft. Tussen allerlei muziekvormen lopen de lange lijnen van de continuïteit. Bob Dylan gaat via de folk terug naar de Middeleeuwen van de troubadour, in wiens traditie hij zichzelf ook nadrukkelijk plaatst. Ondanks die continuïteit heeft de hoge kunst dus ook in iedere tijd haar eigen verschijningsvorm. Nu op exact dezelfde wijze componeren als Bach raakt niet meer aan de wereld waarin we wonen, hoe mooi die muziek wellicht ook zou zijn.’
Die muziek zou kitsch zijn.
'Ja. Muziek zonder ziel. Zelfs klankkleuren horen bij de tijd waarin ze zijn ontstaan. Dus wat maakt het verschil tussen goede en slechte muziek? Kwaliteit heeft naar mijn idee veel te maken met enerzijds de authenticiteit van de kunstenaar en anderzijds zijn vakmanschap, oftewel zijn vermogen om oude vormidealen zelfbewust en op zijn eigen wijze aan ons door te geven. De kunstenaar kan dan een uitzonderlijke ervaring bij je teweegbrengen. Goede kunst is een eigen soort waarheidsdomein, waarin ervaringen van buiten de reguliere sfeer tot gelding komen.’
Is de vergissing van Scruton dan dat hij de hoge cultuur als iets statisch voorstelt? Er is in zijn zienswijze een canon van werk dat tot de hoge cultuur behoort. Alles daarbuiten is op z'n best tijdverdrijf.
'Scruton vervalt zo in een soort pose van afkeer van het volk. De hoge cultuur is een onvervreemdbaar en onbeweeglijk bezit van hem en de zijnen. Mijn probleem met hem is dat hij zich vastklampt aan zijn eigen kwaliteitskeurmerk om te bepalen wat goede kunst is en wat niet, waardoor hij geen begrip heeft voor de dynamiek die een cultuur eigen is. Hij isoleert de hoge cultuur als het ware in een eigen ruimte. Inderdaad, hij maakt er iets statisch van. Dan zeg je al gauw, zoals Scruton doet, dat Bach veel beter is dan Bono. Een zinloze vergelijking. Ik zoek juist naar een bezielde vorm van cultuur die in haar eigen tijd meegaat en daarin vormend kan zijn.’
Scruton maakt iets instrumenteels van kunst, waarmee hij de stimulans bij mensen wegneemt om moeite te doen voor het niet-vatbare, vreemde.
'Het gesprek zal niet vlotten, nee, met die hautaine houding. Zodra de hoge kunst het karakter van een afgesloten reservaat krijgt, is ze niet meer dan uiterlijk vertoon, een sociaal herkenningsteken voor mensen die zich met hun goede smaak willen onderscheiden van het populaire en vulgaire. Volgens mij is dat niet meer dan een teken van onzekerheid over de eigen verhevenheid. Bach hoefde zich niet beter te voelen dan het volk en kon dus probleemloos volkswijsjes overnemen, ook in zijn meest religieuze werken.’
In de hautaine houding van Scruton is een gebrek aan engagement zichtbaar. Dat is opvallend genoeg ook uw kritiek op het vrijheidsidee dat volgens u sinds de jaren zestig dominant is geworden. Men wil kunnen doen en laten wat men wil, zonder door anderen te worden lastiggevallen.
'Dat is waar. Maar ik wil wel vooropstellen dat de revolutie van de jaren zestig een onvermijdelijke beweging was die veel goeds bracht. Dankzij de jaren zestig is een nieuwe taal gevonden om de dingen te zeggen en de aanval op de burgercultuur heeft voor een heel nieuw speelveld gezorgd waarop de muziek en andere kunstvormen floreren. Dat is wat mensen altijd verkeerd aan mij begrepen hebben. Dan zeggen ze dat ik terug wil naar de jaren vijftig. Nee, dat is niet zo. Waar ik me aan stoor is het idee dat de mensheid met de jaren zestig een nieuwe epoche van heil zou zijn binnengetreden, terwijl ik óók zie hoe de economie sindsdien de menselijke verhoudingen is binnengedrongen. De individuele vrijheid die toen is bevochten heeft een ongekende impuls aan de consumptiemaatschappij gegeven. Dat is wat mij intrigeert.’

WAT U INTRIGEERT, schrijft u in het essay over Scruton, is waarom zoveel idealen van de jaren zestig in hun tegendeel zijn verkeerd.
'Dat is voor mij dé grote vraag. Men is in de ban geraakt van een abstract ideaal van vrijheid dat geen bestendigheid kent en daarom ook een modieuze invulling heeft gekregen. Dat werd bij uitstek in de popcultuur zichtbaar. Vrijheid, dat is uit je dak gaan, je suf drinken. Een geslaagde avond is een avond die je je de volgende morgen niet meer herinnert. Zo slaat de vrijheid om in de onvrijheid van het zelf dat niet meer weet wat het doet, omdat het niet meer weet wat het met zichzelf aan moet. De commercie ruikt dan haar kans en wendt al haar pr-machines en lifestyle-marketingstrategieën aan om het kritische, anti-autoritaire individu van de jaren zestig om te vormen tot een lege gestalte die vooral op aarde is om te consumeren. Inderdaad, het engagement is er dan uit. Ook de popmuziek wordt commercieel geëxploiteerd, als deel van een vermaakindustrie waarin geen enkele vormende pretentie ligt.’
Bij een zangeres als Lady Gaga lijkt het eigenlijk alleen nog te gaan om de verrassing van de gimmick die zij nu weer heeft bedacht.
'Ik ben ook niet zo onder de indruk van de verhalen die ze erbij vertelt. De verveling zelf wordt een soort tijdverdrijf. Dat lijkt een krachtige tendens in die commerciële popcultuur. Het droevige resultaat is muziek waaruit alle fijnzinnigheid van emoties is verdwenen. De beat van de onverschilligheid. Alles wordt ruw, zonder sferische differenties, dus juist zonder individualiteit. Het gaat er niet meer om een bepaalde levenservaring manifest te maken. Dat vind ik cynisch. In die commerciële industrie mag muziek juist niet meer te denken geven of uitdagen tot onderzoek van het vreemde, niet-vatbare. Iedereen moet het kunnen herkennen, iedereen moet erin mee kunnen gaan, want alleen dan levert het lekker veel geld op, ook al worden de artiesten onderling inwisselbaar.’
Is dat van uw kant niet weer wat cynisch?
'Natuurlijk, ik ben de eerste om te erkennen dat er in het commerciële circuit ook veel wordt geproduceerd dat de moeite waard is. De film Matrix I is hypercommercieel en roept tegelijk zóveel op. Dat is hoge cultuur, wat mij betreft.’
De teksten op uw cd, Nightplane, lijken me de weerslag van de persoonlijke geschiedenis van Ad Verbrugge van de afgelopen tien jaar.
'Ik hoef met mijn muziek geen maatschappijkritiek of -analyse uit te dragen. Daar heb ik andere middelen voor. Anders wordt het veel te kort door de bocht. Maatschappijkritiek is niet de zin van mijn teksten. Ik wil in de muziek juist werken met beelden en sferen.’
Het zijn poëtische teksten, met veel metaforen in de sfeer van zon, nacht, donker, licht.
'De teksten en muziek zijn heel sferisch. Een liedje moet een eigen universum hebben, een plek waar het de dingen bewaart. Kunst heeft ook iets met bewaren te maken. Ze bewaart elementaire ervaringen, qua stemming, atmosfeer, die belangrijk zijn om je te blijven herinneren.’
De cd is ook een product van de belevingscultuur.
'Maar de belevingscultuur is voor mij ook niet per definitie iets verkeerds. Opnieuw is dat een misverstand over mijn kritiek op de jaren zestig. De belevingscultuur is ook een moderne vorm van zoeken. Het gaat fout als de beleving zich vervlakt tot een staat van volkomen in zichzelf gekeerd zijn. Dan wordt het een roes in plaats van een zoektocht waarvan je wat opsteekt. Het geluid van de overdrivegitaar, de geluidsstorm die over je heen komt, daarin zit de ervaring dat je je bestaan niet meer onder controle hebt. Zo geeft de muziek uitdrukking aan een moderne bestaanservaring. We zijn op onszelf teruggeworpen in bepaalde levensfases. Er zijn geen gidsen meer, geen dominees, geen pastors. Je moet het vooral zelf zien op te lossen, voorzover mogelijk. Ik maak voor mezelf geen uitzondering. De teksten gaan ook over de storm in mijn leven, de afgelopen tien jaar. Over wat ik anderen heb aangedaan. Over de scheiding, het afscheid van mijn vorige liefde. Ik denk dat veel mensen zich daarin wat sfeer betreft wel zullen herkennen.’
Kan goede popmuziek ook bijdragen aan het bewaren van het goede?
'Het goede, het goede… dat zou ik niet willen zeggen. Goede kunst vraagt om aandacht voor wat te denken geeft. Dan kan het bewaren vanzelf meekomen. Iedereen kent wel het fenomeen dat je een liftvakantie, een grote verliefdheid, je eerste keer in Parijs of het overlijden van je vader of moeder associeert met de muziek die je toen op had staan. Die muziek omspeelt die gebeurtenis maar bewaart hem ook. Ze geeft er een diepere laag aan, een extra zindering. Die liedjes brengen je in dat wat eens geweest is, wat belangrijk is om vast te houden. Neil Young speelt bij elk optreden “The needle and the damage done. Every junkie is like a setting sun.” Dat beeld is zó krachtig. Young bewaart de junk in dat liedje en brengt ons in een ander perspectief tot die man. We zien allemaal hoe hij depersonaliseert, hoe hij verdwijnt, als de zon die ondergaat.’
Is dat een element van goede kunst? Het verruimende effect?
'Ja, maar soms ook de extatische ruis waarin goede muziek je kan brengen. Dat is ook verruimend. Billy Jean van Michael Jackson. De energie die daar in zit!’