Hoge idealen, lage streken

Ger Verrips, Dwars, duivels en dromend: De geschiedenis van de CPN 1938-1991. Uitgeverij Balans, 592 blz., f69,90
VOOR DE geschiedschrijving van het Nederlandse communisme geldt hetzelfde als voor die van Nederland in de Tweede Wereldoorlog: ze wordt in belangrijke mate beheerst door de tegenstelling ‘goed’ en ‘fout’. Stalinisme versus antistalinisme, dat is het uitgangspunt van veel literatuur over het Nederlandse communisme. Waar ging het mis? Hoe kon de partij ontaarden tot een totalitaire sekte? Na welke datum kon een fatsoenlijk mens geen lid van die partij blijven? Dit waren, vaak onuitgesproken, vragen waarmee leden en ex-leden van de CPN de geschiedenis van de partij te lijf gingen. Bij de motivatie speelde niet zo zeer pure historische belangstelling een rol, als wel de behoefte het eigen politieke verleden te begrijpen en/of te rechtvaardigen.

Op het eerste gezicht lijkt het boek van Ger Verrips in deze traditie te staan. De auteur is immers in 1953 - in de donkerste dagen van stalinisme en Koude Oorlog - lid van de partij geworden, om er in 1975 weer uit te stappen. Bovendien was hij van 1958 tot 1964 lid van het partijbestuur en van 1964 tot 1968 redactiechef van De Waarheid.
WIE DEZE kloeke studie echter leest komt er al spoedig achter dat Verrips zijn onderwerp op een zeer afstandelijke manier heeft benaderd. Verrips was niet uit op het rehabiliteren of verguizen van bepaalde personen, hij wilde de rijkelijk met mythen en legenden opgetuigde partijgeschiedenis eens duchtig afstoffen. Deze grote schoonmaak was nu mogelijk omdat belangrijke archieven, zoals die van de Comintern, de CPN en de BVD nu eindelijk toegankelijk zijn.
Als iets uit het boek van Verrips duidelijk wordt, dan is het wel dat de CPN eigenlijk nooit veel heeft voorgesteld. Voor de oorlog was ze een radicaal splinterpartijtje zonder noemenswaardige aanhang. De pretentie dat de partij een belangrijke rol speelde in het Nederlandse politieke bestel was grotendeels gebaseerd op het optreden van communisten tijdens de Duitse bezetting. De CPN claimde de enige echte verzetspartij te zijn en ontleende hieraan een gevoel van morele superioriteit.
Hoewel Verrips op geen enkele manier iets wil afdoen aan het idealisme en de geweldige inzet van de communistische verzetsstrijders, is het beeld dat hij van deze periode schetst toch zeer ontnuchterend. Er werd vaak - net als in andere delen van de illegaliteit - ontzettend amateuristisch gewerkt, met rampzalige gevolgen. Toen bijvoorbeeld de partijleiders Lou Jansen en Jan Dieters na gruwelijke martelingen doorsloegen, was de SD gelijk op de hoogte van honderden namen en van de complete structuur van de illegale CPN.
De rivaliteit tussen de illegale leiding en het hoofd van het Comintern-apparaat in Nederland, Daan Goulooze, vormt al evenmin een verheffend hoofdstuk in de verzetsgeschiedenis van de partij. En zeer schrijnend is het drama van partijleider Paul de Groot. In oktober werd hij, samen met zijn vrouw en enige dochter, opgepakt op een onderduikadres. De Groot wist in pyjama te ontkomen, maar zijn vrouw en dochter werden meegenomen en op transport naar Auschwitz gesteld. De ontredderde en opgejaagde De Groot trok zich korte tijd later terug uit de partijleiding, om in de onderduik het einde van de oorlog af te wachten. Bij latere conflicten in de partij werd hem door tegenstanders deze ‘desertie’ altijd onder de neus gewreven.
DE SLACHTING die de SD aanrichtte onder de illegale communisten was zo groot dat volgens Verrips vanaf eind 1943 niet meer kon worden gesproken van een daadkrachtige politieke partij of een zelfstandige verzetsorganisatie. Er waren wel veel groepjes communistische verzetsmensen actief, maar van onderling contact, laat staan van coordinatie, was nauwelijks sprake. Dit was een van de belangrijkste redenen waarom de CPN geen rol speelde in het debat dat in de illegaliteit werd gevoerd over de toekomst van het naoorlogse Nederland.
Na de bevrijding leek het uur van De Waarheid aangebroken. De communistische verzetskrant was even het grootste dagblad van Nederland, de door communisten gedomineerde Eenheidsvakcentrale (EVC) overvleugelde gedurende enkele maanden de traditionele vakbonden, en er meldden zich duizenden nieuwe partijleden aan. Om het grotendeels door de Duitsers uitgemoorde kader aan te vullen werd een beroep gedaan op jongeren die door het verzet in contact met de partij waren gekomen. Deze latere partijleiders, zoals Marcus Bakker, Joop en Jaap Wolff, Henk Hoekstra, hadden nauwelijks werkervaring buiten het partij-apparaat, waren niet in militaire dienst geweest en hadden geen studie afgemaakt. Het isolement van de partij moet in niet geringe mate mede worden toegeschreven aan de geringe maatschappelijke ervaringen en contacten van dit kader.
Interne conflicten en het uitbreken van de Koude Oorlog zorgden ervoor dat van de euforie en het optimisme van kort na de bevrijding weinig overbleef. Dat de Nederlandse kiezers weinig van de communisten wilden weten had ongetwijfeld te maken met het feit dat de CPN meer beducht was om uit de pas met Moskou te lopen dan om de Nederlandse publieke opinie tegen de haren in te strijken.
Overigens wordt die loyaliteit jegens Moskou wat begrijpelijker als we bij Verrips lezen dat de in 1949 toegezegde sovjet-subsidie het dubbele bedroeg van wat in dat jaar aan contributiegelden binnenkwam. Ironisch genoeg werd een deel van dat geld weer gebruikt voor de byzantijnse Stalin-huldiging ter gelegenheid van de zeventigste verjaardag van het grote voorbeeld. Dat dit niet veel zoden aan de dijk zette, bleek uit een rapport van de BVD, dat concludeerde dat de CPN 'door ontstellend gebrek aan politiek geschoold kader (…) voor de door haar gestelde taak eigenlijk niet was berekend.’
UIT DE DOOR Verrips bestudeerde BVD-dossiers blijkt trouwens dat de Binnenlandse Veiligheidsdienst een scherp observator van het vaderlandse stalinisme was. Een fraai voorbeeld hiervan is de interpretatie die de BVD gaf van het ontslag van Ger Harmsen als scholingsleider. In zijn in 1993 verschenen memoires geeft Harmsen als mogelijke redenen hiervoor: zijn populariteit, zijn links-radicale verleden en zijn contacten met niet-CPN'ers. De BVD plaatste dit ontslag echter in een internationale context. De Cominform had immers kritiek geleverd op de wijze waarop in tal van communistische partijen de scholing was aangepakt. Evenals in Frankrijk, Tsjechoslowakije en Polen moest in Nederland de scholingsleider het ontgelden.
Het is geen erg vrolijk beeld dat Verrips ons schetst van de naoorlogse CPN. Het is een langzaam afkalvende, door interne twisten verscheurde partij die zich door haar wereldvreemde politiek steeds verder isoleert. Naast een volstrekt irreele sociaal-economische politiek, gebaseerd op de verwachting dat het kapitalisme binnenkort haar laatste crisis zou meemaken, speelde hierbij ook de wijze een rol waarop de CPN trachtte haar verzetsverleden te kapitaliseren. Keer op keer, tot in de jaren tachtig, trok de partij ten strijde tegen het oplevende fascisme. En dat terwijl het fascisme in Nederland sinds mei 1945 morsdood was.
EEN GROOT deel van de literatuur over de CPN handelt over de conflicten aan het eind van de jaren vijftig, die eindigden in het royeren van mensen als Wagenaar, Gortzak, Reuter et cetera. Vooral over het later door het Dagelijks Bestuur opgestelde rapport over de CPN tijdens de oorlog, het beruchte 'rode boekje’, is al heel wat geschreven. Meestal worden De Groot en Marcus Bakker, belangrijkste auteur van het rapport, afgeschilderd als de perfide stalinisten, terwijl de oppositie alles in het werk zou hebben gesteld om tot een oprechte destalinisatie te komen. Verrips laat zien dat dit pure projectie achteraf is, en dat de oppositionele groep zowel inhoudelijk als numeriek weinig voorstelde. De manier waarop met meningsverschillen werd omgegaan hoorde gewoon bij de communistische partijcultuur, en de uitgestotenen kregen wat dat betreft een koekje van eigen deeg.
Evenals in Oost-Europa leidden in Nederland de zeer aarzelende pogingen tot het verbouwen van het communistische huis tot ernstige verzakkingen en de uiteindelijke ineenstorting. Begin jaren tachtig stelde Karel van het Reve voor om de zieltogende CPN van overheidswege te subsidieren en zodoende het pand overeind te houden. Van het Reve betreurde dat een unieke politieke partij, met een geheel eigen cultuur en zeer specifieke omgangsvormen zou verdwijnen. Om een dergelijke verschraling van het politieke landschap tegen te gaan was het wenselijk de CPN om te vormen tot een soort politiek openluchtmuseum, waar het publiek zich kon vergapen aan authentieke gestaalde kaders, marxistisch-leninistische arbeiders in de strokarton en louter in snauwerige resoluties communicerende scholingsleiders.
De immer krenterige Nederlandse overheid kwam niet over de brug en het door Van het Reve beoogde museum is er niet gekomen. Het kritische maar tegelijk vol mededogen geschreven boek van Verrips is echter een zeer geschikt substituut. Het is een fraai monument voor een beweging die altijd meer wilde zijn dan ze in werkelijkheid was, voor mensen met hoge idealen en, van tijd tot tijd, lage streken.