Hoge spermadruk

Kester Freriks, Ogenzwart. Uitgeverij Meulenhoff, 279 blz., 334,90
De meeste mensen leiden een voorzichtig, voorspelbaar leven. Ze worden niet al te zeer overmand door gevoelens, ze komen er niet tegen in opstand. Het zijn schijndode volwassenen. Ze hebben geen weet van emoties.

Dat is althans de overtuiging van Alfred Hertog, held van Kester Freriks’ roman Ogenzwart. Hertog is een klassiek-romantische held, gezegend met aandoeningen als Weltschmerz, heimwee en zuchtdrang. Alfred Hertog is een jongeman van Germaanse snit, lijdend aan, samengevat, ‘Het Leven’.
Volgens het romantische ideaal zoekt de man die lijdt aan het leven zijn heil in ofwel de dood ofwel de liefde. Omdat hij de dood minder interessant en vooral minder aantrekkelijk vindt dan de kleine dood, het herhaalbare en partiële sterven in de seksuele ontlading, klampt Hertog zich vast aan de liefde, als tegengif tegen de ziekte die Het Bestaan heet.
Alfred Hertog is anders dan de 'gewone mensen’. Want hij leidt een onvoorzichtig, onvoorspelbaar leven. Hij wordt overmand door gevoelens. In tegenstelling tot de schijndoden heeft Alfred Hertog wèl weet van emoties. Van raadselachtige lippenstift op zijn overhemd is meer dan eens sprake - of van ogenzwart, van zijn minnares: 'Ze sloeg haar oogleden neer, huilde. Tranen vulden eerst haar ogen en liepen langs de lijnen van haar gezicht omlaag. Hij trok haar tegen zich aan. Het zwart van haar mascara liep uit en vlekte op Alfreds overhemd. Ogenzwart. Hij zou dit witte overhemd nooit wassen.’
'Ze’ is Nina, Nina van Renesse. In zijn vierde roman, opvolger van In zilveren harnas, vertelt Kester Freriks (1954) het verhaal van de stormachtige liefde tussen de ontwortelde en rusteloze gelukszoeker Alfred Hertog en de rijpe maar onstuimige Nina van Renesse. Het fundament van de roman wordt gevormd door het semi-aforisme: 'Verliefd worden is evengoed een tragedie als een geliefde verlaten of door een geliefde verlaten te worden.’
Sinds Alfred als kind moest vertrekken uit Indonesië, is hij een zoekend man. 'Sindsdien ten prooi aan rusteloosheid; aldoor weer weg en verder, niet wetend waarheen en zelfs nauwelijks waarvandaan. Ontwrichtend Indisch heimwee. Te verlangen naar een land dat niet meer bestaat. Uitsluitend in de herinnering.’ Na vele verhuizingen is hij ten slotte beland in Haarlem, in een klein, donker huisje: een krocht.
Alfred woont daar, en niet meer in de mooie, lichte villa aan de Crayenestersingel in Heemstede, omdat hij zijn vrouw en kind heeft verlaten voor Nina, de vrouw van in de vijftig die leeftijd niet belangrijk vindt.
De reden dat Alfred zijn burgerlijke bestaan als vader en echtgenoot vaarwel heeft gezegd, is het stormen en razen in zijn woelige hart, dat leidt tot het rusteloze najagen van dromen en illusies, de voortdurende zoektocht naar een thuis, een plaats vanwaar men niet weg hoeft. Want daardoor wordt Alfreds leven bepaald: het altijd weer weg moeten, het zoeken, het jagen, het sturmen en drangen.
Kester Freriks laat zijn roman heen en weer springen tussen twee tijden: het heden, 'Haarlem 1993’, aan de ene kant, en het verleden, 'Indonesië-Amsterdam 1957’, 'Sassenheim 1958’, 'Amsterdam 1978’, aan de andere. Door die opbouw vergunt hij de lezer een kijkje in de wording en ontwikkeling van held Hertogs roerige gemoedsleven, want dat is waaruit de roman voor het grootste deel bestaat: de herinneringen, overpeinzingen en monologues intérieurs van Alfred. Zowel in het verleden als in het heden laat hij zich zien als een aan Weltschmerz lijdende, oversensibele jongeman die onder het mom van zielepijn en thuiszucht onophoudelijk vrouwen achterna zit, beloert, verovert, befantaseert en betast.
Hertog weet zich een slachtoffer van de allesverterende liefde die van mensen beesten maakt. Maar Hertog doet zich, zo begint de lezer na verloop van tijd te vermoeden, heel wat beter en beschaafder voor dan hij in werkelijkheid is. Want is, zo begint de lezer na verloop van tijd te vrezen, wat hij 'onrust’ noemt niet gewoon hitsigheid? Is zijn rusteloze zoektocht naar een thuis niet in de eerste plaats een simpele jacht op (het lichaam van) de volgende vrouw die hem een tijdelijk onderkomen kan bieden? Is de nobele romanticus die zo tranentrekkend lijdt aan het leven, niet in wezen een verstokt voyeur, een hormonaal opgejaagde erotomaan? Is hij niet eru- maar erodiet?
Freriks toont zijn hoofdpersoon als een ietwat mislukte, hoogdravende sensualist, die zijn begeerte verpakt als verlangen, zijn wellust presenteert als hartstocht, en regelrechte geilheid als heimwee. Een romanticus is ook maar een mens, lijkt de auteur met Ogenzwart te willen vertellen. Hij is er in geslaagd te laten zien dat Alfred Hertog, hoe verfijnd en gevoelig hij zich ook voordoet, in de grond een niet zo fijnbesnaard jongmens is, voortgedreven door zijn mannelijke instincten, altijd op zoek naar een volgende vrouw.
Een van de middelen die Kester Freriks daarvoor gebruikt is het Alfred Hertog-aforisme: een one-liner als: 'Alleen de liefde geneest de geliefden.’ Of : 'Liefde was niets anders dan een ander woord voor pijn; wie liefde zegt, zegt gemis.’ Of: 'Liefde bestaat niet zonder ongelukken.’ Een andere manier om Hertogs ware aard te tonen is het overdreven onderscheid te benadrukken dat hij (in een stilistisch sterk nagebootste pathetiek) maakt tussen zichzelf en 'de mensen’ of 'de meeste mensen’. Hij presenteert zichzelf zo nadrukkelijk als niet behorend tot het logge burgerdom, dat hij van de weeromstuit bewijst daar juist geen haar van te verschillen. Daarbij laat Freriks zijn held meer dan eens zijn obsessie voor erotiek, naakte vrouwen en dergelijke breed uitmeten, zodat hij uiteindelijk een overtuigend beeld weet te construeren van een in zichzelf opgesloten, ijdele, genotzuchtige, egoïstische rokkenjager met een passie voor grote woorden.
'Het leek of een duistere drang in zijn lichaam elke rede had uitgeschakeld. Sperm pressure die hem gek maakte van onrust. Zwerven, dolen. (…) Alfred ontdekte dat een man zijn gedachten helemaal niet kan beheersen. Wat hij ook deed, hij dwaalde af naar erotische fantasieën. Ze woelden zijn hart om en om, zoals verhitte lichamen een bed omwoelen. Zijn liezen stonden strak. Autorijden, lezen, naar film of theater gaan werd een bezoeking, want nooit was hij bij de les. Zouden er langs de weg geen meisjes staan die hun lippen om zijn erectie wilden sluiten, zodat hij bij honderdveertig kilometer per uur, met zijn ogen half samengeknepen van genot turend naar de middenstreep, diep in hun mond leegstroomde? Waar kon hij ze vinden, die juffertjes?’
Ogenzwart is een studie, een diepgravend onderzoek naar het karakter en gemoed van Alfred Hertog. Hoewel er weinig in 'gebeurt’, is de roman toch meeslepend, met name doordat hij stukje bij beetje de façade laat afbrokkelen die Alfred Hertog heeft opgebouwd, en de zelfverklaarde romanticus stilaan steeds duidelijker en overtuigender toont als wie hij werkelijk is: een gewone man met sperm pressure.