JULIANA EN BERNHARD

Hogere Leiding

In de oorlog tussen Juliana en Bernhard over de invloed van Greet Hofmans en haar kring is volgens biograaf Cees Fasseur maar één held: Bernhard. Was dat huwelijk gedoemd tot een confrontatie? In elk geval bleven na het vertrek van Hofmans ‘Lulalein’ en ‘Bernilo’ nog 48 jaar bij elkaar.

HET LEVEN OP paleis Soestdijk in de laatste jaren van de twintigste eeuw was overzichtelijk en kalm. Het oude prinselijke echtpaar werd verzorgd door een staf van zo’n zeventig lakeien, tuinlieden, koks, schoonmaaksters, enzovoort, nog afgezien van de bewaking. Zij voerden een ouderwets adellijk huishouden, waarin een levensstijl werd bewaard die elders in Nederland al goeddeels uitgestorven was. Het noenmaal werd opgediend om één uur, de avonddis stipt om half acht. Er werd niet gesproken over lunch of diner, evenmin over garderobe of toilet, maar over ‘jassenkamer’ en ‘handenwaskamer’. Er werd op gezette tijden gejaagd. Er werd (stevig) geborreld om half één en om half vijf.
Het personeel was bescheiden, gezeglijk, hondstrouw. Lakeien werden doorgaans betrokken uit de marine, de tuinlieden uit de Gelderse kastelen, de schoonmaaksters vooral uit Spakenburg. Zij werkten in klederdracht, zes dagen per week. Dit paleis Soestdijk was de basis van het huwelijk van Juliana en Bernhard, en het is het decor van de grote oorlog tussen de echtelieden tussen 1950 en 1956, die Cees Fasseur beschrijft in Juliana en Bernhard: Het verhaal van een huwelijk. De jaren 1936-1956.
De auteur beschikte over een arsenaal aan bronnen waartoe andere publicisten en historici voor hem geen toegang hadden. Toch kampte ook Fasseur met lege plekken in zijn onderzoek, bijvoorbeeld in het construeren van de belevingswereld van prinses Juliana in de eerste jaren van haar huwelijk. Van de romance tussen de prins en de prinses zijn alleen de brieven van Bernhard bewaard.
In Fasseurs reconstructie waren de echtgenoten van meet af aan gedoemd tot een confrontatie. Juliana was intelligent maar emotioneel, besluiteloos, en zij worstelde met een minderwaardigheidscomplex jegens haar moeder. Bernhard was een bon-vivant, egocentrisch, rationeel, hard. Dat kon niet goed gaan, meent Fasseur, en hij markeert in de aanloop naar het huwelijk – dat wel degelijk een romantisch karakter had – al de voortekenen voor het latere drama. Zo kan hij niet laten te vermelden dat Juliana een astrologisch en grafologisch onderzoek naar haar verloofde liet doen, alsof zij toen al gevaarlijk overhelde naar het esoterische. Hij citeert anderzijds uit het Volkskrant-interview met Bernhard uit 2004 om te stellen dat de prins nooit werkelijk van Juliana zou hebben gehouden: ‘(…) een zeker percentage liefde, een zeker percentage aangetrokkenheid. Het was de challenge om er iets van te maken.’
Een bron die Fasseur bij die reconstructie van de vroege jaren van het huwelijk onbenut laat is paleis Soestdijk zelf. Soestdijk stond leeg sinds de dood van koningin Emma, in 1934, en was niet bepaald up to date – het gebouw had pas in 1929 elektriciteit gekregen – maar als onderdeel van het Nationaal Huwelijksgeschenk werd het voor het bruidspaar gedeeltelijk verbouwd door de architecten Van der Steur en De Bie Leuvelink Tjeenk. Dat waren vooruitstrevende heren, die in een nieuw woongedeelte een heel nieuw, modern interieur schiepen. Een lichte, eenvoudige, beige eetkamer, met Pander-meubilair, twee grote werkkamers aan de tuinkant waarvan de enorme ramen met een druk op de knop geheel in de vloer konden verzinken. In de noordelijke vleugel kwam een filmzaal, met professionele projector, en in het paviljoen aan het eind van de gang een complete gymnastiekzaal. Achter de grote vijver werd een zwembad aangelegd en een tennisbaan; er kwam bovendien veel ruimte voor paarden, en auto’s.

HET ZIJN ALLEMAAL zichtbare getuigen van een verlangen naar een leven dat anders moest zijn, nieuw, eenvoudig, modern. Bernhard en Juliana waren beiden pas één generatie verwijderd van het negentiende-eeuwse hofritueel, de Victoriaanse stupor, die ook in Nederland het koningshuis in zijn greep had. Juliana werd in de naweeën van die Byzantijnse vormelijkheid opgevoed, maar zij brak daar uit toen ze in Leiden ging studeren en in Katwijk op zichzelf ging wonen. Toen ze daarna voorzichtig de huwelijksmarkt betrad was ze bepaald ongemotiveerd. Fasseur citeert het gemopper van de gezant in Londen, jhr. R. de Marees van Swinderen, die zich vergeefs voor de prinses had ingespannen: ‘Katwijk en Leiden wreken zich in Haar, nu zij (…) op een leeftijd is gekomen, dat Zij eindelijk dat burgerlijk doen behoort af te leggen en zich rekenschap behoort te geven dat de jonge mannen (…) iets meer verlangen dan een intellectueel ontwikkelde jonge vrouw en (…) op uiterlijke tooi en voorkomen gesteld zijn. Een grote fout in Haar karakter is Haar traagheid en voortdurende aarzeling om tot enige beslissing te komen (…)’
Over Bernhards jeugd hing de schaduw van de echtscheiding van zijn moeder, Armgard. Zijn leven kenmerkte zich daarna door een hardnekkige en onvoorwaardelijke trouw aan vrienden en familie, ook al waren die maatschappelijk in diskrediet geraakt; hij stond graag boven dat soort burgerlijke noties. Natuurlijk had het huwelijk ook andere connotaties. Bernhard was Duitser, lid van de SS en de NSDAP; Fasseur is bepaald mild over die activiteiten, die hij classificeert als noodzakelijk voor Bernhards toegang tot de universiteit en tot de vlieg- en motorclubs, waar zijn hart naar uitging. Bovendien, zegt Fasseur, wist in 1934 en 1935 niemand nog waar dat allemaal op uit zou draaien.

ONMISKENBAAR bood het huwelijk aan ‘Lulalein’ en ‘Bernilo’ een kans op persoonlijke vrijheid. De transformatie van Juliana was opmerkelijk. Zij viel tien kilo af, en veranderde (volgens de Philadelphia Record, 9 oktober 1937) van ‘a fat, jolly, healthy, rather overdressed farmer’s daughter’ in een ‘almost dashing young woman of the world’. De band werd verder versterkt door de geboorte van twee dochters en door Bernhards auto-ongeluk in november 1937, dat hem bijna het leven kostte. Bernhard voerde ook een krasse reorganisatie van de hofhouding door, waarbij nogal wat corrupte werknemers de laan uitvlogen.
De gedachte aan dat vrije leven op Soestdijk vergezelde Juliana en Bernhard gedurende de oorlog, toen zij van elkaar gescheiden waren. In Canada was Juliana naar eigen zeggen ‘bandeloos gelukkig’. Ze woonde in een gewoon huis, waar ze leerde strijken, wassen en bedden opmaken. Op bezoek bij Franklin D. Roosevelt viel haar op hoe gemoedelijk en onopgesmukt het leven op het Witte Huis was, waar de president zelf de cocktailtjes maakte – ‘bijna net als bij ons op Soestdijk’. Onmiddellijk na de landing op Teuge, op 2 augustus 1945, keerde het gezin terug om dat leven te hervatten.
Maar direct na de oorlog vervloog het optimisme. Nu waren Bernhard en Juliana bepaald niet de enigen die na de Bevrijding een zekere deceptie voelden. Het oude systeem keerde terug en van Juliana maakte zich onzekerheid meester. Al in Canada had ze de zorg uitgesproken dat zij, die zo traag van beslissen was, ‘onder de pantoffel’ van krachtiger persoonlijkheden zou raken; ze vreesde dat ze ‘het refrein [zou worden] van het liedje dat Bernhard zingt!!!’ De geboorte van Marijke, op 18 februari 1947, en de openbaring van haar ernstige handicap, bracht grote schade toe aan haar zelfvertrouwen. Anderhalf jaar later werd ze koningin.

IN ZEKERE ZIN is de Greet Hofmans-affaire niet anders dan het onbedoelde gevolg van de poging van het echtpaar om samen de genezing van Marijke te forceren en zo de zonnige jaren van voor de oorlog te herwinnen. Het is Bernhard zelf die Hofmans als genezeres bij zijn vrouw introduceert. De lezer van Fasseurs boek weet dan al dat de prins zich deerlijk vergist, immers, de biograaf heeft al zorgvuldig geschetst dat Juliana een gemakkelijk slachtoffer vormt. In één zin: Juliana wordt zo sterk afhankelijk van Hofmans omdat die haar zekerheid en vertrouwen schenkt. Hofmans voorziet in Juliana’s behoefte aan Hogere Leiding en contact met ‘Boven’. Ze voorziet de koningin van ‘Wenken en doorgevingen’, vage gedachten over de wereldvrede, hulp aan vluchtelingen, opmaat voor ‘een theocratisch tijdperk’.
Fasseur is opmerkelijk ingehouden over Hofmans. Hij zet haar neer als een ‘handige tante’, ‘een duivelin en een engel beide’, ‘sluw, griezelig, homoseksueel’, maar hij geeft haar au fond het voordeel van de twijfel, omdat ze nooit om geld vroeg en niet op persoonlijke macht uit was. Het is snel duidelijk, althans aan de prins, dat Hofmans een halve gare is. Ze heeft geen effect op Marijke, en aan haar uitingen is geen touw vast te knopen. Het eten van gevogelte raadt zij af, ‘(…) daar gevogelte niet volkomen beantwoordt aan de trillingsfactor van verteren dan door een hogere trillingsopwekking die dan ’t hart teveel moet laten werken’. Maar Hofmans’ koude-grondpsychologie en haar inschatting van karakters is zo slecht nog niet. Fasseur kan het echter niet laten af en toe sarcastisch te worden, als hij bijvoorbeeld schrijft dat Hofmans zichzelf beschouwde als de reïncarnatie van M.J. Exler, een ‘homoseksuele kippenfokker’. Dat sarcasme is overbodig; het is een frikkerig trekje van de schrijver, dat zijn betoog bepaald niet helpt.

DE OORLOG DIE begint op het moment dat Bernhard aan Hofmans de toegang tot Soestdijk ontzegt, in 1950, en duurt tot het ingrijpen van de (demissionaire) regering-Drees in 1956, is uiterst bitter en er vallen veel slachtoffers. Fasseur doet de manoeuvres van de twee facties – de Bernhardpartij en de Hofmanspartij – met nauwelijks verhulde verbazing uit de doeken. Hoe Hofmans na haar verbanning wordt opgenomen in een kring van welgestelde warhoofden in Baarn, waar ook Juliana zich bij voegt. Die band leidt tot de Oude Loo-conferenties, ‘groepshypnose in magische cirkel’, die tot augustus 1957 duren en waar Hofmans-adepten ellenlange onbegrijpelijke verhalen afsteken – waar Juliana, echter, graag naar luistert (‘Dat was heel diep, Wim’). Bernhard is veel op reis, en verliest de controle; naar verstandige woorden – bijvoorbeeld van Eleanor Roosevelt – luistert Juliana niet.
Gaandeweg zet de Baarnse kring haar op tegen haar man. Hofmans vertelt Juliana wie wel of niet te vertrouwen is, wie ontslagen moet worden en wie niet, tot aan de linnenjuffrouw toe. In het najaar van 1952 zou Hofmans hebben ‘doorgekregen’ dat de prins een aanslag op de koningin beraamde en met zijn moeder het neonazisme wilde bevorderen.
Op 2 mei 1951 wordt Hofmans in de ministerraad voor het eerst ‘Raspoetin’ genoemd; Drees meent dat zij wel degelijk politieke invloed nastreeft. Toch duurt het tot eind 1956 voor de situatie wordt geforceerd. De zwarte piet legt Fasseur overigens niet bij Hofmans, maar bij de entourage van Juliana, voorop haar particulier secretaris, Walraven van Heeckeren, die als de echte Raspoetin gezien kan worden.
Het slot is bekend, en Fasseur voegt daar weinig opzienbarends aan toe, afgezien van de mogelijkheid dat oud-verzetsleden aangeboden zouden hebben Hofmans uit de weg te ruimen. Bernhard speelt de affaire door aan buitenlandse journalisten, en zet daarmee de regering voor het blok. Politiek komt Juliana daardoor in het najaar van 1956 volstrekt geïsoleerd te staan. Ministers en Tweede-Kamerleden zijn haar koppigheid zat. Christelijke partijen wantrouwen Hofmans’ eigenzinnige opereren. In september plaatst Bernhard Juliana voor een keuze: ‘De kinderen en ik houden wel van je, maar van jou, niet van je vrienden uit de kring van Mej. Hofmans! Wij willen de echte, oude Lula terug, maar geen grammofoonplaat met de woorden enz. van de Van Heeckerens of anderen. Want het is angstwekkend te zien en te horen hoe je om zo te zeggen “gehypnotiseerd” bent door hun en alles wat ze zeggen en denken.’ Een echtscheiding is ondenkbaar, zegt Bernhard: ‘Wil jij onze familie de naam van een derderangs Balkanmonarchie geven? Ik zal er, uit plichtsgevoel voor onze kinderen en onze positie, zeer positief tegen vechten. Zoiets mag niet.’ Het was hoog spel, zegt Fasseur, en Bernhard overschreed zijn grondwettelijke grenzen, maar hij had, uiteindelijk, gelijk.

IN 1962 VIERT het echtpaar in Amsterdam op grootse wijze het zilveren huwelijk. De sjah van Perzië, koningin Elizabeth, iedereen is getuige van het herstel van de harmonie, en dat herstel is ook echt. Dat blijkt in 1976, als Juliana in de Lockheed-affaire haar echtgenoot trouw blijft.
In paleis Soestdijk slijt het paar na de abdicatie van Juliana hun jaren; zoals bij veel oudere mensen groeit er een zeker nieuw gevoel voor eendracht. De strijd wordt gestreden in kleine zaken. De prins houdt niet van kou – in zijn werkkamer is het altijd 26,9 graden – en hij zet graag alle verwarmingen in de Baarnse vleugel open. De prinses draait de radiatoren dan weer dicht. De prins vraagt de elektricien er ‘ringetjes tussen te zetten’ – dan kan de prinses draaien wat ze wil, maar blijft het toch warm. Zo blijven ze na het vertrek van Hofmans nog 48 jaar bij elkaar.

Cees Fasseur, Juliana en Bernhard: Het verhaal van een huwelijk. De jaren 1936-1956. 496 blz., € 27,50